RECHTBANK Rotterdam
Civiel recht
Zittingsplaats Rotterdam
Zaaknummer: C/10/724431 / KG ZA 26-835
Vonnis in kort geding van 23 september 2026
in de zaak van
[eiser] ,
te [plaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: de grootmoeder,
advocaat: mr. D. Abotay,
tegen
[gedaagde 1] ,
en
[gedaagde 2] ,
beiden wonende te [plaats 2] ,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de man en de vrouw,
advocaat: mr. M. van der Sluis.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de dagvaarding met producties van de grootmoeder, betekend op 13 augustus 2026;
de conclusie van antwoord met producties van de man en de vrouw, ingekomen op 7 september 2026.
De zaak is behandeld op 9 september 2026.
Bij die gelegenheid zijn gehoord:
de grootmoeder, bijgestaan door haar advocaat;
de man en de vrouw, bijgestaan door hun advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de advocaat van de grootmoeder een pleitnotitie overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De man en de vrouw zijn de ouders van de minderjarige:
[naam minderjarige] , geboren op [geboortedag] 2021 te [geboorteplaats] .
De grootmoeder is de moeder van de vrouw.
3. Het geschil
De grootmoeder vordert te bepalen dat:
I. (de voorzieningenrechter begrijpt: primair) de minderjarige, totdat beslist is in de bodemprocedure, eenmaal per week op woensdag, dan wel op een andere door de voorzieningenrechter passend geachte vaste dag, vanaf het einde van de school- of opvangtijd tot 19.00 uur omgang heeft met de grootmoeder, waarbij de omgang op een school- of opvangvrije dag aanvangt om 10.00 uur,
II. waarbij de grootmoeder de minderjarige bij de man en de vrouw dan wel bij de school of opvang ophaalt en bij de man en de vrouw terugbrengt;
III. waarbij, nadat zij gedurende drie maanden zonder noemenswaardige problemen is verlopen, wordt uitgebreid naar eenmaal per veertien dagen van zaterdag 10.00 uur tot zondag 18.00 uur, waarbij de minderjarige bij de grootmoeder overnacht;
IV. subsidiair een voorlopige, geleidelijk op te bouwen omgangsregeling vast te stellen in het belang van de minderjarige, waaronder begrepen een eerste fase van wekelijkse contactmomenten van enkele uren, gevolgd door een volledige dag en vervolgens, indien de contacten goed verlopen, een overnachting;
V. iedere andere voorlopige voorziening te treffen die de voorzieningenrechter passend acht om het contact tussen de grootmoeder en de minderjarige te herstellen en te behouden totdat in de bodemprocedure is beslist;
VI. de man en de vrouw te bevelen hun volledige en onvoorwaardelijke medewerking aan de vastgestelde voorlopige omgangsregeling te verlenen en de minderjarige op de vastgestelde momenten tijdig en met zijn gebruikelijke spullen voor de omgang beschikbaar te stellen.
De man en de vrouw voeren verweer. De man en de vrouw concluderen tot niet-ontvankelijkheid van de grootmoeder, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de grootmoeder, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de grootmoeder in de kosten van deze procedure.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Spoedeisend belang
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing is nodig dat de grootmoeder daarbij een spoedeisend belang heeft. De voorzieningenrechter vormt zich een voorlopig oordeel over de vordering aan de hand van de stukken en de mondelinge behandeling. Of de gevraagde voorziening wordt verleend, hangt ook af van de afweging van de belangen van partijen.
Tussen partijen is niet in geschil dat de grootmoeder tot februari 2026 in ieder geval een dag in de week op de minderjarige heeft gepast. Ook is niet in geschil dat sinds een incident bij de overdracht in februari 2026 geen contact meer is tussen de grootmoeder en de minderjarige. De grootmoeder stelt dat zij in de afgelopen periode heeft geprobeerd het contact in onderling overleg te herstellen. Omdat dit niet is gelukt, voelde zij zich genoodzaakt een procedure te starten. Vast staat dat de grootmoeder wekelijks contact had met de minderjarige en dat is gestopt. Daarin ziet de voorzieningenrechter een spoedeisend belang. De voorzieningenrechter gaat dan ook over tot de inhoudelijke behandeling.
Omgangsregeling
Uitgangspunt van artikel 1:377a BW is dat een kind recht heeft op omgang met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat.
De kortgedingprocedure is in beginsel niet de aangewezen procedure om een omgangsregeling vast te stellen. In beginsel is deze procedure alleen geschikt om nakoming van een vastgestelde regeling te vorderen. Als er geen vorm van omgang meer is en wel een recht op omgang dat voortvloeit uit artikel 1:377a BW, kan dit reden zijn voor een kortgedingprocedure en de rechtsgrond voor een vordering.
De voorzieningenrechter moet zich richten op de vraag naar de waarschijnlijke uitkomst van de bodemprocedure (zie HR 15 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:666, r.o. 3.7.1). In de bodemprocedure moet de rechtbank zich ónder meer buigen over de vraag of de grootmoeder een nauwe persoonlijke betrekking heeft met de minderjarige. Daarvoor is bepalend of de nauwe persoonlijke betrekking aangemerkt kan worden als family life als bedoeld in artikel 8 Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens. Behalve het bestaan van een familierechtelijke verwantschap met de kleinkinderen moeten er ook bijkomende omstandigheden zijn waaruit de nauwe persoonlijke betrekking tussen de grootouders en de kleinkinderen voortvloeit. Op grond van vaste rechtspraak wordt in het algemeen aangenomen dat meer dan gebruikelijke feitelijke contacten tussen grootouders en kleinkinderen nodig zijn om van een nauwe persoonlijke betrekking te kunnen spreken.
De voorzieningenrechter is op dit moment van oordeel dat de grootmoeder onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de band tussen haar en de minderjarige de gebruikelijke familieband overstijgt. Niet gezegd kan worden dat er sprake is van de vereiste nauwe persoonlijke betrekking. De grootmoeder heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat haar band ten opzichte van haar dochter anders is dan haar band met de minderjarige. De grootmoeder was in ieder geval een dag in de week betrokken bij de opvang van de minderjarige. De minderjarige heeft ook slechts enkele keren overnacht bij haar. Voor de voorzieningenrechter is onvoldoende gebleken dat de grootmoeder voor langere termijn meer betrokken is geweest dan deze dag in de week. De grootmoeder stelt dat dit het geval is, maar de man en de vrouw hebben dit gemotiveerd betwist door hun stelling dat de ouders van de man en de kinderopvang ook betrokken zijn.
Het voorgaande betekent dat de voorzieningenrechter de vorderingen van de grootmoeder afwijst, omdat de vereiste nauwe persoonlijke betrekking ontbreekt. Er zal dus geen voorlopige omgangsregeling worden bepaald.
Tot slot wijst de voorzieningenrechter op het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling, die gezegd heeft dat het voor de minderjarige belangrijk is dat partijen met elkaar in gesprek gaan. De grootmoeder had een rol in het leven van de minderjarige en is sinds februari uit zijn leven verdwenen. Partijen moeten – zo heeft de raad benadrukt – hun onderlinge contact in het belang van de minderjarige herstellen. Mediation kan helpen om het gesprek te voeren. De voorzieningenrechter heeft partijen de mogelijkheid gegeven hierover na te denken. De vrouw staat op dit moment nog niet open om het gesprek te voeren, maar wil hier wel over nadenken. De voorzieningenrechter hoopt dat er een moment komt waarop partijen een constructief gesprek kunnen voeren en zo hun banden weer kunnen herstellen. Het is immers verdrietig om te constateren dat familieleden tegenover elkaar staan in de zittingszaal, zeker omdat grootmoeder en de vrouw beiden hebben aangegeven dit ook niet te willen.
Ingetrokken vordering
De grootmoeder heeft haar vordering onder VI. ingetrokken. De voorzieningenrechter zal daarom ook die vordering afwijzen.
Proceskosten
De man en vrouw vorderen de grootmoeder te veroordelen in de proceskosten. Een onderbouwing voor deze vordering ontbreekt en de voorzieningenrechter wijst deze vordering dan ook af. Gelet op de relatie tussen partijen zullen de proceskosten tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
wijst af de vorderingen van de grootmoeder;
wijst af de vordering van de man en de vrouw om de grootmoeder in de kosten van deze procedure te veroordelen;
compenseert de kosten van de procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Dit vonnis is gewezen door mr. E.M. Moerman en in het openbaar uitgesproken op 23 september 2026.