Rechtbank Rotterdam
Team familie
Zaaknummer /rekestnummer: C/10/714008 / FA RK 26-735
Beschikking van 23 september 2026 over de voogdij
in de zaak van:
[naam tante] hierna: tante,
wonende te [plaats] ,
advocaat mr. L.Y. Cheung te Rotterdam.
In deze zaak is belanghebbende:
[naam moeder] , hierna: moeder,
zonder bekende woon- of verblijfplaats binnen en buiten Nederland.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift met bijlagen van tante, ingekomen op 28 januari 2026;
het rapport van de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht van 8 juli 2026.
De minderjarige is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2026. Daarbij zijn verschenen:
tante, bijgestaan door haar advocaat;
de raad voor de kinderbescherming Rotterdam-Dordrecht (hierna: de raad), in zijn adviserende rol, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .
Moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen tijdens de mondelinge behandeling.
2. De vaststaande feiten
Uit het Syrische afschrift van een individuele inschrijving in het bevolkingsregister blijkt dat de minderjarige [naam minderjarige] is geboren op [geboortedag] 2014 te [geboorteplaats] , Syrië als kind van [naam vader] (hierna: vader) en [naam moeder] (hierna: moeder).
Uit het Syrische “Death Certificate” blijkt dat vader op [overlijdensdag] 2016 te [plaats van overlijden] , Syrië is overleden.
Bij uitspraak van “the First Religious Court in Damascus” van 16 november 2020 (hierna: de Syrische voogdijbeslissing) heeft tante verschillende toestemmingen gekregen ten aanzien van de minderjarige en de volledige verantwoordelijkheid gekregen voor de minderjarige, omdat de vader is overleden.
Tante is naar Nederland gekomen en staat sinds 20 juli 2021 ingeschreven in de Basisregistratie Personen in Nederland.
Moeder heeft met het formulier “Appendix Declaration of consent of the parent remaining behind” toestemming verleend voor verblijf van de minderjarige bij tante in Nederland. In het rapport Gehoor nareis - vreemdeling van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (hierna: de IND) van [dagtekening 1] 2022 blijkt uit de vragen die aan moeder zijn gesteld over haar band met de minderjarige, dat moeder achter de verzorging en opvoeding van de minderjarige door tante staat en dat moeder zelf niet bereid is de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich te nemen.
Uit de brief van de IND van [dagtekening 2] 2022 blijkt dat de IND de Nederlandse ambassade in Beiroet heeft gemachtigd de minderjarige een machtiging tot voorlopig verblijf nareis voor de duur van negentig dagen te verlenen en dat de minderjarige binnen die negentig dagen naar Nederland moet reizen en zich daar moet aanmelden.
Bij besluit van de IND van 30 november 2022 is de aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet voor de minderjarige ingewilligd, geldig met ingang van 5 november 2022 tot 5 november 2027.
De gewone verblijfplaats van de minderjarige is bij tante in Nederland. De minderjarige staat sinds 8 december 2022 op het adres van de tante ingeschreven in de Basisregistratie Personen in Nederland.
In het gezagsregister is geen aantekening gemaakt over de gezagssituatie van de minderjarige.
Volgens de Basisregistratie Personen in Nederland heeft tante de Nederlandse nationaliteit en is de nationaliteit van de minderjarige onbekend.
3. De beoordeling
Verzoeken
Tante verzoekt:
I. te bepalen dat zij tot voogd wordt benoemd op grond van artikel 1:295 BW en artikel 1:299 BW over de minderjarige;
II. de uitspraak van de rechtbank van Damascus, Syrië, van 16 november 2020 te erkennen;
III. de griffier op te dragen om krachtens het bepaalde in het Besluit gezagsregisters een aantekening te maken van deze beslissing in het gezagsregister.
Tijdens de mondelinge behandeling is namens tante desgevraagd verklaard dat zij meent belang te hebben bij zowel toewijzing van haar verzoek onder I. als bij toewijzing van haar verzoek onder II. vanwege de rechtszekerheid. De rechtbank ziet echter niet in dat er onvoldoende rechtszekerheid zou zijn als ofwel haar verzoek onder I. ofwel haar verzoek onder II. zou worden toegewezen en aangetekend in het gezagsregister. Namens tante is dat ook niet verder toegelicht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft tante geen belang meer bij haar verzoek onder I. als haar verzoek onder II. wordt toegewezen. Daarom zal de rechtbank eerst beoordelen of aan de voorwaarden voor erkenning van de Syrische voogdijbeslissing is voldaan (verzoek onder II.). Als de Syrische voogdijbeslissing niet erkend kan worden, dan heeft tante belang bij een beoordeling van haar verzoek te bepalen dat zij tot voogd wordt benoemd (verzoek onder I.) en zal de rechtbank dat verzoek gaan beoordelen.
Rechtsmacht en toepasselijk recht
Op het verzoek van tante tot erkenning van de Syrische voogdijbeslissing is artikel 431 lid 2 Rv van toepassing. De Nederlandse rechter is op grond van artikel 431 Rv, en omdat de tante in Nederland woont, op grond van artikel 3 aanhef en sub a Rv, bevoegd om van het verzoek van tante kennis te nemen. Het toepasselijke recht is het commune Nederlandse internationale erkenningsrecht, zoals bepaald in artikel 431 Rv en gevormd door in de rechtspraak ontwikkelde cumulatieve voorwaarden (Hoge Raad 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2838).
Op het verzoek van tante tot voorziening in het gezag is de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 van Brussel II-ter bevoegd te beslissen, omdat de gewone verblijfplaats van de minderjarige in Nederland is gelegen. Op dat verzoek past de Nederlandse rechter op grond van artikel 15 van het Haags Kinderbeschermingsverdrag van 1996 Nederlands recht toe.
IPR-voorvraag gezag
Voordat de rechtbank het verzoek inhoudelijk kan beoordelen, moet de voorvraag beantwoord worden wie belast is met het gezag of de voogdij over de minderjarige. Op grond van artikel 10:113 BW is voor het bestaan (en de eventuele wijziging) van het gezag het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1961 (hierna: HKBV 1961), het Haags Kinderbeschermingsverdrag 1996 (hierna: HKBV 1996) en de Uitvoeringswet internationale kinderbescherming van belang. Het HKBV 1996 is sinds 1 mei 2011 in Nederland in werking getreden en is van toepassing.
Op grond van artikel 16 lid 1 van het HKBV 1996 wordt het van rechtswege ontstaan of tenietgaan van ouderlijke verantwoordelijkheid, zonder tussenkomst van een rechterlijke of administratieve autoriteit beheerst door het recht van de staat van de gewone verblijfplaats van de minderjarige. Omdat de minderjarige op het moment van geboorte haar gewone verblijfplaats had in Syrië, is dat recht van toepassing. Artikel 20 van het HKBV 1996 bepaalt immers dat de bepalingen van dit hoofdstuk ook van toepassing zijn indien het daardoor aangewezen recht het recht is van een Staat die niet een Verdragsluitende Staat is. Dit verdrag heeft dus universele werking.
Naar het Islamitische recht, zoals dit ook in Syrië wordt gevolgd, heeft zowel de vader als de moeder van rechtswege gezag over hun minderjarige kinderen waarbij iedere ouder een specifieke vorm van gezag heeft. Het begrip gezag valt in twee sub-begrippen uiteen. De hadana komt aan de moeder toe en betreft de dagelijkse materiële zorg over het kind, zoals het verschaffen van kleding en voedsel, fysieke en geestelijke ontwikkeling, opvoeding in het geloof van de vader. De hadana loopt tot het kind een bepaalde leeftijd heeft bereikt, waarna het meestal (maar niet altijd) overgaat naar de vader. In Syrië loopt de hadana tot het kind 15 jaar is, zowel voor jongens als voor meisjes. De vader heeft de wilaya, waarmee een soort ‘vaderlijke macht’ wordt bedoeld. Deze ziet zowel op het vermogen van de minderjarige als op de persoon van de minderjarige. De vader is de wettelijk vertegenwoordiger van het kind, beheert het vermogen van het kind, heeft de zorg voor de persoon van het kind, de zorg voor diens opvoeding, dient altijd het kind te kunnen bezoeken (als hij niet bij het kind woont) en heeft in de regel een beslissende stem waar het gaat om het bepalen van de gewone verblijfplaats van het kind. De wilaya bestaat gedurende de minderjarigheid van het kind. In het Syrië wordt de meerderjarigheid bereikt bij 18 jaar. De hier genoemde vormen van gezag staan in verband met elkaar en vullen elkaar aan. De grondslag van deze gezagsvormen is religieus van aard.
Vader is op [overlijdensdag] 2016 overleden. De minderjarige woonde toen met vader, moeder en andere familieleden in Libanon of is korte tijd daarna naar Libanon verhuisd, zo heeft de rechtbank tijdens de mondelinge behandeling begrepen. De minderjarige was op dat moment twee jaar. Met het overlijden van haar vader is naar Syrisch recht de wettelijk vertegenwoordiger van de minderjarige, die de wilaya heeft, weggevallen. Namens tante wordt aangevoerd dat het ouderlijk gezag vanaf dat moment op grond van artikel 170 van de Wet inzake het personeel statuut/Syrian Law of Personal Status (qanun al-ahwal al-shakhsiyya) van 1953 (gewijzigd bij de wet nr. 59/1953, nr. 34/1975, nr. 18/2003, nr. 76/2010, nr. 4/2019 en nr. 20/2019), (hierna: WPS) is overgegaan op opa vaderszijde.
De rechtbank constateert dat in de versie van de WPS die de rechtbank heeft geraadpleegd, in artikel 170 lid 1 WPS staat:
“De vader en daarna de grootvader van vaderskant oefenen voogdij uit over persoonlijke zaken en de zorg voor eigendommen. Zij zijn verplicht deze uit te oefenen.”
De rechtbank volgt het standpunt van tante dat naar Syrisch recht de wilaya na het overlijden van vader, toen de minderjarige twee jaar was, is overgegaan naar opa vaderszijde. Wat er met de hadana is gebeurd, is onduidelijk gebleven. Tante stelt dat moeder nog twee maanden na het overlijden van vader bij de minderjarige is gebleven, en dat moeder daarna de woning heeft verlaten waarin vader tot zijn overlijden, met moeder en de minderjarige samenwoonde met andere familieleden van vader, waaronder tante. Tante voert aan dat moeder sinds haar vertrek geen uitvoering meer heeft gegeven aan de hadana en dat andere familieleden de verzorging en opvoeding van de minderjarige op zich hebben genomen, vooral tante en later nog een andere tante. De minderjarige heeft namelijk ook nog een poos bij een andere tante in Libanon gewoond, aldus de tante. Na het vertrek van tante naar Nederland is de minderjarige bij een andere tante in Libanon gaan wonen, aldus tante. Dat hierdoor naar Syrisch recht de hadana is overgegaan van moeder naar een ander familielid, is echter niet gesteld of gebleken. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de hadana naar Syrisch recht niet is gewijzigd.
De rechtbank stelt vast dat de gewone verblijfplaats van de minderjarige meermaals is verplaatst; eerder al van Syrië naar Libanon en op 8 december 2022 naar Nederland. Op grond van artikel 16 lid 3 HKBV 1996 blijft de ouderlijke verantwoordelijkheid, die op grond van het recht van de staat van de eerdere gewone verblijfplaats van het kind is ontstaan, bestaan na verplaatsing van die gewone verblijfplaats naar een andere staat. Dat na vader opa vaderszijde de wilaya had en dat moeder de hadana had, is dus niet veranderd door verplaatsing van de gewone verblijfplaats van de minderjarige van Syrië naar Libanon en Nederland. Of de Syrische voogdijbeslissing waarbij na opa vaderszijde tante met de wilaya is belast kan worden erkend in Nederland, zal hieronder verder worden beoordeeld.
Erkenning Syrische voogdijbeslissing
Tussen Nederland en Syrië is geen bilateraal erkenningsverdrag op het gebied van ouderlijke verantwoordelijkheid gesloten en zijn andere multilaterale verdragen niet van toepassing. Daarom is het commune Nederlandse internationale erkenningsrecht van toepassing, zoals bepaald in artikel 431 Rv en aan de hand van de in de rechtspraak ontwikkelde cumulatieve voorwaarden (ECLI:NL:HR:2014:2838) wordt beoordeeld.
Op grond van artikel 431 lid 1 Rv kunnen noch beslissingen die zijn gegeven door de rechter van een vreemde staat, noch buiten Nederland verleden authentieke akten, binnen Nederland ten uitvoer worden gelegd, tenzij deze tenuitvoerlegging haar grondslag vindt in een verdrag of een wettelijke bepaling, een en ander als bedoeld in artikel 985 dan wel artikel 993, leden 1 en 2 Rv. Op grond van artikel 431, lid 2 Rv kan het geding dat ten overstaan van de buitenlandse rechter heeft plaatsgevonden en tot diens beslissing heeft geleid, opnieuw bij de Nederlandse rechter worden behandeld en afgedaan. Een dergelijke procedure op de voet van artikel 431, lid 2 Rv mondt uit in een uitspraak van de Nederlandse rechter.
Indien op de voet van artikel 431 lid 2 Rv het geding opnieuw bij de Nederlandse rechter aanhangig wordt gemaakt, dient deze te beoordelen of en in hoeverre hij, gelet op de omstandigheden van het hem voorgelegde geval, aan een beslissing van de buitenlandse rechter gezag toekent.
In een geding op de voet van artikel 431 lid 2 Rv dient bij de beantwoording van de vraag of een buitenlandse beslissing voor erkenning vatbaar is, tot uitgangspunt dat een buitenlandse beslissing in Nederland in beginsel wordt erkend indien:
de bevoegdheid van de rechter die de beslissing heeft gegeven, berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is,
de buitenlandse beslissing tot stand is gekomen in een gerechtelijke procedure die voldoet aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging,
de erkenning van de buitenlandse beslissing niet in strijd is met de Nederlandse openbare orde, en
de buitenlandse beslissing niet onverenigbaar is met een tussen dezelfde partijen gegeven beslissing van de Nederlandse rechter, dan wel met een eerdere beslissing van een buitenlandse rechter die tussen dezelfde partijen is gegeven in een geschil dat hetzelfde onderwerp betreft en op dezelfde oorzaak berust, mits die eerdere beslissing voor erkenning in Nederland vatbaar is.
Als aan deze vier vereisten is voldaan, kan de buitenlandse beslissing worden erkend in Nederland op grond van artikel 431 lid 2 Rv en kan een behandeling van het verzoek tot benoeming van tante als voogd (verzoek onder I.) achterwege blijven.
Over de eerste voorwaarde – de bevoegdheidsgrond – overweegt de rechtbank als volgt. Verschillende internationale verdragen en regelingen hebben als uitgangspunt dat de autoriteiten van het land waar het kind zijn gewone verblijfplaats heeft primair over de belangen van dat kind oordelen. Niet beslissend is dus het eigen recht van – in dit geval – de Syrische rechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft tante verklaard dat zij ten tijde van de Syrische voogdijbeslissing al in Nederland was en dat de minderjarige toen bij een andere tante in Libanon woonde. Omdat tante en de minderjarige ten tijde van de Syrische voogdijbeslissing niet in Syrië verbleven en uit de Syrische voogdijbeslissing ook niet blijkt waaraan de Syrische rechter zijn bevoegdheid heeft ontleend, is aan de rechtbank niet of onvoldoende gebleken dat is voldaan aan de voorwaarde dat de bevoegdheid van de Syrische rechter berust op een bevoegdheidsgrond die naar internationale maatstaven algemeen aanvaardbaar is. Dat betekent dat al vanwege de eerste voorwaarde de Syrische voogdijbeslissing niet kan worden erkend in Nederland.
Wat de tweede voorwaarde betreft, staat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende vast dat de procedure in Syrië heeft voldaan aan de eisen van behoorlijke en met voldoende waarborgen omklede rechtspleging. Uit de Syrische beslissing blijkt dat alleen opa vaderszijde op de zitting is verschenen, maar niet dat de argumenten van andere belanghebbenden op enige manier zijn gehoord en gewogen of dat daartoe een poging is ondernomen. Het standpunt van tante dat moeder geen procespartij was, omdat zij enkel de gezagsvorm hadana heeft, vindt de rechtbank moeilijk te rijmen met het feit dat beide gezagsvormen, de wilaya en de hadana, in verband met elkaar staan en elkaar aanvullen. Daarnaast is niet gebleken dat, zoals tante stelt, het niet mogelijk was om moeder te bereiken vanwege het gewapende conflict in Syrië, omdat moeder elders in Syrië verbleef en geen contact onderhield met de minderjarige en familie vaderszijde. Naar het oordeel van de rechtbank had moeder in de Syrische procedure als belanghebbende moeten zijn aangemerkt en had kenbaar moeten zijn op welke manier is geprobeerd om hoor en wederhoor te garanderen, om de Syrische voogdijbeslissing in Nederland te kunnen erkennen. Daarvan is niet gebleken.
De andere voorwaarden lijken niet in de weg te staan aan erkenning van de Syrische voogdijbeslissing. Echter, omdat niet of onvoldoende is gebleken dat aan alle voorwaarden is voldaan, zal de rechtbank het verzoek van tante om de uitspraak van de rechtbank van Damascus, Syrië, van 16 november 2020 te erkennen (verzoek onder II.) afwijzen.
Omdat het verzoek tot erkenning wordt afgewezen, zal de rechtbank het verzoek van tante om te worden benoemd als voogd (verzoek onder I.) beoordelen.
Voogdijbenoeming
Op grond van artikel 1:295 BW benoemt de rechtbank een voogd over alle minderjarigen, die niet onder ouderlijk gezag staan en in wier voogdij niet op wettige wijze is voorzien.
Op grond van artikel 1:296 BW benoemt de rechtbank ook een voogd wanneer voorziening nodig is, omdat een voogd tijdelijk in de onmogelijkheid verkeert om het gezag uit te oefenen, het bestaan of de verblijfplaats van de voogd onbekend is of de voogd in gebreke blijft het gezag uit te oefenen. Artikel 1:299 BW bepaalt dat de rechtbank de voogd op verzoek van bloed- en aanverwanten van de minderjarige, de raad voor de kinderbescherming, schuldeisers, andere belanghebbenden of ambtshalve benoemt.
De rechtbank zal het verzoek van tante om te bepalen dat zij tot voogd wordt benoemd, toewijzen. Vaststaat dat de minderjarige in Nederland niet onder ouderlijk gezag staat en dat ook niet op wettige wijze in de voogdij is voorzien, omdat moeder mede door haar verblijf in Libanon niet in staat is om het gezag uit te oefenen en omdat de Syrische voogdijbeslissing in Nederland niet is noch wordt erkend. Uit het raadsonderzoek komt naar voren dat de minderjarige en tante een hechte band met elkaar hebben en dat tante bereid en in staat is om beslissingen voor de minderjarige te nemen. Gebleken is dat tante de dagelijkse voogdijtaken al uitvoert. Met school en de huisarts ondervindt tante geen problemen, omdat daar bekend is dat de minderjarige bij tante woont. Andere zaken zoals het aanvragen van reisdocumenten lukken nu echter niet. Door tante tot voogd te benoemen wordt de juridische situatie in overeenstemming gebracht met de feitelijke situatie – waarin de minderjarige door tante wordt verzorgd en opgevoed – en zal het uitvoeren van voogdijtaken voortaan niet meer worden bemoeilijkt. Een ander belangrijk aspect dat de raad in zijn advies heeft meegewogen en waar de rechtbank bij aansluit, is de omstandigheid dat tante in staat is om moeder op een natuurlijke manier te informeren over de minderjarige en om de mogelijkheid tot contactherstel naar de toekomst open te houden. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het in het belang van de minderjarige acht dat tante met de voogdij wordt belast.
Proceskosten
Gelet op de aard van de procedure zal de rechtbank bepalen dat elk van de partijen de eigen kosten draagt.
4. De beslissing
De rechtbank:
benoemt tante tot voogd over de minderjarige;
bepaalt dat van deze beslissing aantekening wordt gemaakt in het in artikel 1:244 BW genoemde openbare gezagsregister;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de proceskosten aldus dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. M.H.L. van Dijkman, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.C.A. van 't Zelfde, griffier, op 23 september 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Den Haag. Het hoger beroep kan slechts worden ingesteld door een advocaat.
Door verzoeker en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden moet het hoger beroep worden ingesteld binnen drie maanden na de dag van de beschikking. Voor andere belanghebbenden geldt voor het instellen van hoger beroep een termijn van drie maanden na de betekening van de beschikking of nadat de beschikking hun op andere manier bekend is geworden.