RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/713990 / JE RK 26-162
Datum uitspraak: 22 september 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over een verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming west,
gevestigd te Dordrecht, hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2014 in [geboorteplaats 1] ( [geboorteland] ),
hierna te noemen [voornaam minderjarige 1] ,
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2017 in [geboorteplaats 2] ( [geboorteland] )
hierna te noemen [voornaam minderjarige 2] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam moeder] ,
hierna te noemen de moeder, wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. N. Aydogan-Kütük uit Rotterdam,
[naam vader] ,
hierna te noemen de vader, ten tijde van de zitting gedetineerd in [naam P.I.] ,
advocaat mr. N.S. van Es uit Amsterdam.
1. Het verdere verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
- de beschikking van deze rechtbank van 25 maart 2026 en de daaraan ten grondslag liggende stukken;
de briefrapportage van de GI met bijlagen van 24 augustus 2026, ingekomen op 25 augustus 2026;
de toets van de Raad voor de Kinderbescherming van 9 april 2026, ingekomen op 17 september 2026.
Op 22 september 2026 heeft de meervoudige kamer van de rechtbank de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
- de vader met zijn advocaat;
- de moeder met haar advocaat en bijgestaan door een tolk Arabisch-Syrisch, dhr. [persoon A] ;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon B] .
De rechtbank heeft [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] hebben geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] .
[voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verblijven in een gezinshuis.
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2026 de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd tot 7 april 2027.
De rechtbank heeft bij beschikking van 25 maart 2026 de machtiging verlengd [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] uit huis te plaatsen in een gezinsgerichte voorziening tot 7 oktober 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden.
3. Het (aangehouden) verzoek van de GI
De GI heeft verzocht de ondertoezichtstelling en de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] te verlengen met een jaar, maar de beslissing op de laatste zes maanden hiervan uit te stellen tot een later moment. De GI heeft verzocht de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Op 25 maart 2026 heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] verlengd met een jaar en de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden. De beslissing op het resterende deel van het verzoek is uitgesteld. Daarop moet nu nog worden beslist.
De GI heeft ter zitting het aangehouden deel van het verzoek gehandhaafd en als volgt toegelicht. Na de vorige zitting heeft de GI geprobeerd een gezinsopname in te zetten. Alles was hiervoor geregeld en iedereen stond in de startblokken, totdat de gemeente een week van tevoren aangaf dat er geen overeenstemming was over de externe partij die het personeel zou regelen. De gezinsopname heeft daardoor niet kunnen plaatsvinden. Een andere gezinsopname was niet mogelijk. In plaats daarvan is daarom op 24 augustus jl. ambulante begeleiding gestart in de thuissituatie, waarbij drie dagen per week met begeleiding van het Kind en Jeugdcentrum bekeken wordt of de moeder voldoende leerbaar is. De doelen van de ambulante begeleiding zijn hetzelfde als bij de gezinsopname. Ook duurt het even lang. Wel is het traject minder intensief dan een gezinsopname. Tot nu toe verloopt dit goed. De moeder komt doorgaans de afspraken na, volgt adviezen op en de kinderen genieten van de omgang met de moeder. In het begin reageerden de kinderen vrij heftig op de omgangsuitbreiding met de moeder, maar inmiddels gaat dat beter. Voor [voornaam minderjarige 2] is nu ook speltherapie ingezet. De kinderen blijven één nacht per twee weken bij de moeder slapen. Het traject loopt tot 17 november 2026. Daarna zal samen met de moeder en het Kind en Jeugdcentrum bekeken worden of een terugplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] bij de moeder mogelijk is en of de GI haar opvoedbesluit eventueel zal herzien, en zo ja, of daarbij nog compenserende hulpverlening ingezet moet worden. Als besloten wordt dat [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] teruggeplaatst worden bij de moeder, dan zal dit gefaseerd gebeuren. Daar is tijd voor nodig. Verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing met zes maanden is daarom hoe dan ook nodig. Ook zal bekeken worden hoe de vader daarin een rol kan spelen en welke voorwaarden daarvoor nodig zijn.
4. De standpunten van de moeder en de vader
Door en namens de moeder is verzocht om de machtiging tot uithuisplaatsing voor een kortere duur te verlengen dan verzocht. Het is jammer dat de gezinsopname niet is doorgegaan, maar het is wel fijn dat er een ambulant traject is gestart voor de duur van drie maanden. De moeder is blij met die kans en doet haar best om te laten zien dat zij in staat is om adviezen op te volgen en aan te sluiten bij de behoeften van de kinderen. Zij verleent haar volledige medewerking en heeft dan ook goede hoop dat de kinderen na afloop van dit traject bij haar teruggeplaatst kunnen worden. Zowel de moeder als de kinderen genieten van de omgang. De moeder heeft slechts één of twee keer de omgang afgezegd omdat zij ziek was. Omdat de GI voornemens is om in november een definitief besluit te nemen, verzoekt de moeder om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlengen tot uiterlijk december 2026. De moeder is voornemens om de juridische scheiding met de vader door te zetten. Zodra de vader vrij komt kunnen de ouders bezien hoe zij het gezamenlijk ouderschap kunnen oppakken, maar de prioriteit van de moeder ligt bij de kinderen.
Door en namens de vader is eveneens verzocht om de machtiging voor een kortere duur te verlengen dan verzocht. Het is fijn dat, ondanks dat de gezinsopname niet door heeft kunnen gaan, er snel een alternatief traject is ingezet. De vader ziet, op afstand, dat de kinderen opbloeien door de extra omgang met de moeder. De vader hoopt dat dit zo door blijft gaan en dat dit uiteindelijk leidt tot een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder. De omgangsmomenten van de kinderen met de vader verlopen ook goed. Volgende week vindt het hoger beroep in zijn strafzaak plaats. De vader zou, als hij in hoger beroep wordt vrijgesproken, medio oktober vrij kunnen komen. De ouders hebben al afspraken gemaakt over hoe zij hun ouderschap dan gezamenlijk vorm kunnen geven. De vader wil zelf ook graag zo goed mogelijk voor de kinderen zorgen en heeft hiervoor in detentie een cursus gevolgd. Omdat de beslissingen zorgvuldig genomen moeten worden en bij een thuisplaatsing van de kinderen een gefaseerde opbouw noodzakelijk is, acht de vader een verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing tot januari of februari 2027 het meest passend.
5. De beoordeling van het verzoek
Op basis van de stukken en de zitting is de rechtbank van oordeel dat verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van hun verzorging en opvoeding. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Voor een uiteenzetting van het verloop van de uithuisplaatsing en de zorgen over de kinderen, verwijst de rechtbank naar haar beoordeling in de beschikking van 25 maart 2026. De GI was toen voornemens een intensieve gezinsopname in te zetten om te onderzoeken of de moeder voldoende opvoedvaardigheden heeft en of een eventuele terugplaatsing van de kinderen bij de moeder mogelijk is. Omdat de gezinsopname niet door kon gaan, heeft de GI ambulante begeleiding van het Kind- en Jeugdcentrum ingezet, waarbij de moeder de kinderen drie dagen per week uit school haalt en mee naar huis neemt, waar zij tot en met het avondeten blijven. De moeder en de kinderen worden hierbij begeleid door een hulpverlener. Positief is dat de moeder hier het beste van probeert te maken. Omdat op dit moment nog niet duidelijk is of een terugplaatsing van de kinderen bij de moeder haalbaar is, is verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing nodig. De vader en de moeder verzetten zich daar ook niet tegen. Wel hebben zij gevraagd om de verlenging te beperken in duur. Voor een kortere verlenging dan verzocht, ziet de rechtbank echter geen aanleiding. Het is belangrijk dat een besluit over het opgroeiperspectief van de kinderen zorgvuldig wordt genomen. De rechtbank constateert dat de gezinsopname die eigenlijk zou worden ingezet en de ambulante begeleiding die nu wordt ingezet ongeveer even lang duren, terwijl de ambulante begeleiding aanzienlijk minder intensief is en ook de nodige beperkingen kent, zoals benoemd in het plan van aanpak van het Kind- en Jeugdcentrum. Dit terwijl de zorgen over het opvoedershandelen van de ouders zeer groot waren ten tijde van de uithuisplaatsing van de kinderen in 2023. Beide ouders zijn daarna veroordeeld voor (bedreiging met) kindermishandeling. In oktober 2025 heeft NIKA nog zorgen geuit over de opvoedcapaciteiten van de moeder en haar leerbaarheid, terwijl [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] , die in hun jonge leven ingrijpende gebeurtenissen hebben meegemaakt met trauma tot gevolg, een sterke behoefte hebben aan een opvoedomgeving die hen rust, stabiliteit en veiligheid biedt. Dit alles onderstreept de noodzaak van een zorgvuldig besluit. Dat kost tijd. Verder verblijft de vader op dit moment nog in detentie en is nog niet bekend tot wanneer dit zal duren en welke rol hij daarna in het leven van de kinderen kan spelen.
Als de GI haar eerder genomen perspectiefbesluit over [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] herziet en de kinderen bij de moeder worden teruggeplaatst, dan dient dit terugplaatsingsproces zorgvuldig plaats te vinden. Ook dat kost tijd. De rechtbank verlengt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing met de verzochte duur van zes maanden, dus tot 7 april 2027.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De rechtbank:
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige 1] en [voornaam minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening tot 7 april 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026 door mr. J.C.M. Persoon, voorzitters tevens kinderrechter, en mr. M.A. van der Laan-Kuijt en mr. H. Biemond, kinderrechters, in aanwezigheid van mr. M.C.J. Holierhoek als griffier, en op schrift gesteld op 6 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.