ECLI:NL:RBROT:2026:14501

ECLI:NL:RBROT:2026:14501

Instantie Rechtbank Rotterdam
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer C/10/697293 HA ZA 25-295
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Geen sprake van bevrijdende verjaring met betrekking tot de percelen. Geen bezitsdaden, dus de verjaringstermijn van twintig jaar is niet aangevangen. Ontruiming op straffe van een dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK Rotterdam

Team handel en haven

Zaaknummer: C/10/697293 / HA ZA 25-295

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

GEMEENTE ROTTERDAM,

te Rotterdam,

eiseres in conventie, verweerster in reconventie,

hierna te noemen: de gemeente,

advocaat: mr. S.M. Conijnenberg,

tegen

[persoon A] ,

te [plaats] ,

gedaagde in conventie, eiser in reconventie,

hierna te noemen: [persoon A] ,

advocaat: mr. B.J. Meruma.

1. De zaak in het kort

Tussen partijen is in geschil of [persoon A] al dan niet door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van drie percelen. De rechtbank oordeelt dat de door [persoon A] gestelde bezitsdaden onvoldoende zijn om te kunnen spreken van bezit en moeten worden bezien tegen de achtergrond van de huurovereenkomsten die de gemeente met derden had. Aangezien van ondubbelzinnig bezit geen sprake is, is de verjaringstermijn van twintig jaar voor bevrijdende verjaring niet aangevangen. De gemeente is nog steeds eigenares van de percelen. [persoon A] moet de percelen binnen zes maanden ontruimen op straffe van een dwangsom. Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard. De rechtbank zal haar beslissingen hierna motiveren.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding van 27 maart 2025 met producties 1 tot en met 9; - de conclusie van antwoord, tevens houdende eis in reconventie met producties 1 tot en met 10;

- de brief van de rechtbank van 22 september 2025 met een oproep voor een mondelinge behandeling;

- productie 11 van [persoon A] ; - de conclusie van antwoord in reconventie met producties 10 tot en met 14;

- de mondelinge behandeling van 29 januari 2026;

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 januari 2026;

- de akte van de gemeente met producties 15 tot en met 24;

- de akte van [persoon A] met producties 12 tot en met 16;

- de akte van de gemeente met producties 25 en 26;

- de akte van [persoon A] met productie 17.

Ten slotte is vonnis bepaald.

3. De feiten

[persoon A] is eind jaren ’80 eigenaar geworden van zijn woning gevestigd aan de [adres] te Rotterdam. De grond waar deze woning op staat heeft hij in 2006 in eigendom verkregen.

De gemeente staat in het kadaster geregistreerd als eigenaar van het perceel gelegen aan de Bergse Linker Rottekade, kadastraal bekend als Hillegersberg, sectie I, nr. 1598, ter grootte van ongeveer 29.396 m2. Onderdeel van dit perceel is onder meer perceel 3, als hieronder weergegeven. Perceel 3 is op haar beurt weer opgesplitst in de volgende drie percelen (hierna: de percelen):

Perceel 3.1, in het verleden verhuurd door de gemeente aan de heer [persoon B] ( blauw gemarkeerd) onder contractnummer [contractnummer 1] ;

Perceel 3.2, in het verleden verhuurd door de gemeente aan de heer [persoon C] (groen gemarkeerd) onder contractnummer [contractnummer 2] ; en

Perceel 3.3, in het verleden verhuurd door de gemeente aan de heer [persoon B] onder contractnummer [contractnummer 3] .

Partijen gaan in de procedure uit van bovengenoemde contractnummers.

Afbeelding: Kaart met onder meer perceel 3, welke op haar beurt is opgesplitst in percelen 3.1, 3.2 en 3.3 (bijlage 3 bij productie 4 van de dagvaarding)

In 1991 heeft [persoon A] een metaalbewerkingsbedrijf overgenomen van de heer [persoon B] . Dit bedrijf is gevestigd op perceel 3.1. Ten tijde van de overname van het bedrijf heeft [persoon A] niet het perceel in eigendom overgenomen.

Bij brief van 23 november 2021 heeft de gemeente onder meer de percelen te koop aangeboden aan [persoon A] , maar dit aanbod heeft [persoon A] afgewezen, omdat dit financieel niet haalbaar was voor hem.

Bij brief van 23 december 2022 heeft [persoon A] zich onder meer op het standpunt gesteld dat hij sinds 1991 de percelen gebruikt en dat hij de eigendom daarvan heeft verkregen op basis van bevrijdende verjaring.

Op 19 juli 2024 heeft de gemeente bij brief deze verjaringsclaim afgewezen en [persoon A] gesommeerd de percelen uiterlijk 15 oktober 2024 te ontruimen. [persoon A] heeft geen gehoor gegeven hieraan.

De gemeente is voornemens de percelen te verkopen voor toekomstige (her)ontwikkeling en wenst daarom dit perceel ontruimd te zien.

4. Het geschil in conventie

De gemeente vordert - samengevat – dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair

1. Voor recht verklaart dat de gemeente eigenaar is van de percelen;

2. [persoon A] veroordeelt om binnen twee maanden na het in deze te wijzen vonnis de percelen te ontruimen en ter vrije beschikking aan de gemeente te stellen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hieraan geen uitvoering wordt gegeven.

Subsidiair

3. Voor zover de rechtbank tot het oordeel komt dat sprake is verjaring, [persoon A] veroordeelt om de percelen binnen twee maanden na het in deze te wijzen vonnis aan de gemeente terug te geven ex artikel 6:162 jo 6:103 BW en de percelen te ontruimen en ter vrije beschikking aan de gemeente te stellen, zulks op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag dat hieraan geen uitvoering wordt gegeven;

Primair en subsidiair

4. [persoon A] veroordeelt in de (na)kosten van deze procedure, waaronder begrepen het (na)salaris van de advocaat van eiseres, te verhogen met € 92,00 indien [persoon A] niet binnen de hiervoor gevorderde twee maanden aan het vonnis voldoet en betekening daarvan plaatsvindt.

[persoon A] voert verweer. [persoon A] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van de gemeente in haar vorderingen, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van de gemeente, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van de gemeente in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. Het geschil in reconventie

[persoon A] vordert - samengevat na wijziging en vermindering van eis – dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

Primair:

- Voor recht verklaart dat [persoon A] door bevrijdende verjaring eigenaar is geworden van de percelen;

- De gemeente veroordeelt om binnen 14 dagen na betekening van dit vonnis haar

volledige medewerking te verlenen aan het (doen) wijzigen van de kadastrale grenzen door het Kadaster, alsmede mee te werken aan het opmaken en inschrijven van een notariële akte van levering in de openbare registers van het Kadaster, op straffe van een dwangsom van € 5.000,00 per dag voor iedere dag of dagdeel dat de gemeente hiermee in gebreke blijft;

Subsidiair:

- Bepaalt dat dit vonnis op grond van artikel 3:300 BW in de plaats treedt van de noodzakelijke wilsverklaring(en), handtekening(en) en medewerking van de gemeente aan de vereiste notariële akte(n), althans dat het vonnis dezelfde kracht heeft als een in wettige vorm opgemaakte akte van de wederpartij.

6. De beoordeling in conventie en reconventie

De vorderingen van partijen betreffen dezelfde rechtsvraag, namelijk de vraag wie eigenaar is van de percelen 3.1 tot en met 3.3. Nu de vorderingen in conventie en reconventie elkaars spiegelbeeld vormen zal de rechtbank deze vorderingen gezamenlijk beoordelen.

Juridisch kader: bevrijdende verjaring ingevolge artikel 3:105 lid 1 BW jo. 3:306 BW

In artikel 3:105 lid 1 BW is bepaald dat degene die een goed bezit op het tijdstip waarop de verjaring van de rechtsvordering strekkende tot beëindiging van het bezit wordt voltooid, dat goed verkrijgt, ook als het bezit niet te goeder trouw was. Uit artikel 3:314 lid 2 in samenhang met artikel 3:306 BW volgt dat de verjaring van deze rechtsvordering begint te lopen op de dag na het verlies van het bezit door de rechthebbende en dat de verjaring is voltooid na een bezit gedurende twintig jaren.

In artikel 3:107 lid 1 BW is bepaald dat bezit het houden van een goed voor zichzelf is. Of iemand een goed voor zichzelf houdt moet naar verkeersopvatting worden beoordeeld met inachtneming van de regels die in de op artikel 3:108 BW volgende wetsartikelen worden gegeven en verder op grond van uiterlijke feiten. Het gaat om uiterlijke omstandigheden waaruit naar verkeersopvattingen een wilsuiting kan worden afgeleid om als rechthebbende op te treden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad wordt bezit pas verkregen wanneer de bezitter zich zodanig gedraagt dat de eigenaar tegen wie de verjaring loopt daaruit niet anders kan afleiden dan dat de bezitter pretendeert rechthebbende te zijn. Er moet dus sprake zijn van ondubbelzinnig bezit.

Omdat [persoon A] zich op bevrijdende verjaring beroept, is het aan hem om a) feiten en omstandigheden te stellen en te onderbouwen waaruit kan worden afgeleid dat aan de vereisten voor bevrijdende verjaring is voldaan en b) om deze feiten en omstandigheden, indien de gemeente die gemotiveerd betwist, te bewijzen.

Bezitsdaden en huurovereenkomsten

[persoon A] stelt dat hij de percelen 3.1 tot en met 3.3 minstens twintig jaar als bezitter heeft gebruikt en dat hij verschillende bezitsdaden heeft verricht. De gemeente betwist dat er sprake is van bezitsdaden en stelt dat verschillende huurovereenkomsten die zij had gesloten met derden bovendien in de weg staan aan de gestelde bezitsdaden. Deze gestelde bezitsdaden en huurovereenkomsten worden hierna per perceel besproken.

Perceel 3.1

De hekwerken rondom perceel 3.1 kwalificeren niet als bezitsdaden

Ter onderbouwing van zijn bezitsdaden met betrekking tot perceel 3.1 wijst [persoon A] op de aanwezigheid van verschillende hekwerken die door hem zouden zijn geplaatst. Hij stelt dat hij - kort nadat hij het bedrijf heeft overgenomen - de toegang tot zijn (bedrijfs-)perceel heeft afgesloten met een elektronisch hek en dat hij in 1994 het graslandje heeft afgeschermd door een hek te plaatsen.

Bij de beoordeling van deze gestelde bezitsdaad is onder meer van belang dat onderbouwd wordt dat deze hekken door [persoon A] zijn geplaatst, wanneer deze hekken zijn geplaatst en met welk doel dat is gebeurd. De door [persoon A] ingebrachte foto’s van de hekwerken zijn, zoals ook door de gemeente aangevoerd, niet van een datum voorzien. [persoon A] wijst er op dat zijn toen 3-jarige dochter bij het hekwerk van een van de foto’s te zien is en dat die foto dus zo’n 26 jaar oud is. Echter heeft [persoon A] niet nader onderbouwd dat hij de hekwerken zelf heeft geplaatst en wanneer dat exact zou zijn gebeurd. De rechtbank is van oordeel dat op basis van deze niet voldoende onderbouwde stelling niet kan worden vastgesteld dat [persoon A] deze hekwerken heeft aangebracht. Het lag op de weg van [persoon A] om bijvoorbeeld onderliggende stukken, zoals aankoopbewijzen, over te leggen en te onderbouwen wanneer hij de hekken heeft aangebracht.

Los van de vraag of en wanneer [persoon A] deze hekwerken heeft geplaatst, is ook relevant dat [persoon A] heeft verklaard dat hij deze hekwerken heeft geplaatst om te voorkomen dat onbevoegden zich op het bedrijfsterrein begeven. Hij heeft naar zijn eigen zeggen de hekken aangebracht omdat hij ongelukken – en mogelijk daaruit voortvloeiende aansprakelijkheid – bij zijn werkplaats wilde voorkomen, dit in verband met de aanwezigheid van zeer grote machines. Deze verklaring acht de rechtbank van belang voor de kwalificatie van de gestelde bezitsdaad. Het plaatsen van hekwerken met het oog op veiligheid en het voorkomen van aansprakelijkheid kan immers ook worden gedaan door iemand die perceel slechts houdt (voor een ander), zoals een huurder, en niet een bezitsdaad uitoefent.

Uit de door [persoon A] naar voren gebrachte feiten en omstandigheden ten aanzien van perceel 3.1 kan niet geconcludeerd worden dat hij daarmee naar buiten toe kenbaar wilde maken bezitter te zijn van het perceel.

De gemeente had een huurovereenkomst met [persoon B] tot en met eind 2006

De gemeente betwist dat er sprake is van bezit van [persoon A] en stelt dat zij ten aanzien van perceel 3.1 een huurovereenkomst had met [persoon B] onder contractnummer [contractnummer 1] . Volgens de gemeente liep deze huurovereenkomst tot het overlijden van [persoon B] eind 2006.

De gemeente onderbouwt haar stelling met productie 15. Deze productie bestaat uit een factuur van de gemeente ten name van [persoon B] onder vermelding van contractnummer [contractnummer 1] voor de periode mei 2007 en een creditnota voor de periode januari tot en met mei 2007. Omdat de huurovereenkomst reeds eind 2006 was geëindigd door het overlijden van [persoon B] heeft de gemeente de facturen over de periode januari 2007 tot en met mei 2007 gecorrigeerd middels deze creditnota. Het contractnummer dat zowel op de factuur als op de creditnota staat correspondeert met het contractnummer dat hoort bij perceel 3.1. In dat kader heeft de gemeente verder als productie 16 een uitdraai van haar oude digitale vastgoedsysteem Horizon ingebracht, waarin deze factuur en creditnota staan genoteerd. Dit zijn naar het oordeel van de rechtbank indicaties dat sprake was van een huurovereenkomst tot en met eind 2006.

[persoon A] betwist de authenticiteit van de overgelegde factuur. Volgens hem was de lay-out van de facturen destijds anders dan de lay-out van de factuur van productie 15 van de gemeente. Ter ondersteuning hiervan heeft [persoon A] zelf ook een factuur van de gemeente ingebracht van die tijd, waarop te zien is dat de lay-out anders is. De rechtbank acht deze betwisting gelet op hetgeen de gemeente concreet en onderbouwd daartegenover heeft aangevoerd onvoldoende.

De rechtbank heeft de gemeente na de mondelinge behandeling verzocht om haar stelling inzake de huurovereenkomsten nader te onderbouwen met stukken met betrekking tot de ontvangen huurbetalingen, maar dit is haar niet gelukt. De gemeente heeft daartoe verklaard dat de ontvangen betalingen die tot en met 2013 zijn verwerkt, zijn opgenomen in een losse module genaamd Decade. De betalingen uit Decade kunnen vanwege de overstap naar een ander systeem niet meer worden geraadpleegd, zodat bewijsstukken van de ontvangen betalingen niet kunnen worden overgelegd. Hoewel de gemeente niet is geslaagd de verzochte huurbetalingen over te leggen, komt er bij afweging van hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd naar het oordeel van de rechtbank meer gewicht toe aan de door de gemeente overgelegde administratieve gegevens en verklaring over de huurovereenkomst en betalingen dan aan de betwisting van [persoon A] . Die betwisting is dus niet voldoende.

Tussenconclusie inzake perceel 3.1: de hekwerken in samenhang bezien met de huurovereenkomst leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een bezitsdaad

De aanwezigheid van de hekwerken rondom perceel 3.1. is, in samenhang bezien met de huurovereenkomst tot en met 2006, onvoldoende om tot een bezitsdaad te concluderen. Het staat ten eerste niet vast dat, en wanneer, [persoon A] zelf de hekwerken heeft geplaatst. Bovendien kunnen deze hekwerken ook geplaatst zijn door een houder in plaats van een bezitter. Die mogelijkheid vindt feitelijk steun in de omstandigheid dat voldoende vaststaat dat de gemeente een huurovereenkomst had met [persoon B] tot en met eind 2006. Daarom bestaat onvoldoende grond om aan te nemen dat [persoon A] op enig moment perceel 3.1 voor zichzelf is gaan houden als bezitter.

Perceel 3.2

De beschoeiing langs de oever van perceel 3.2 kwalificeert niet als bezitsdaad

Ter onderbouwing van zijn bezitsdaden met betrekking tot perceel 3.2 wijst [persoon A] op de beschoeiing die hij zou hebben aangebracht langs de volledige oever, en overlegt hij productie 12. In de eerste foto van deze productie is een afkalving van de oever te zien, die zich volgens [persoon A] gedurende vele jaren heeft ontwikkeld. De tweede foto toont volgens hem aan dat over een lengte van circa 52 meter beschoeiing is aangebracht, wat een bezitsdaad zou opleveren. De gemeente betwist deze bezitsdaad en voert aan dat de ingebrachte foto’s niet zijn voorzien van een datum en dat [persoon A] niet heeft toegelicht wanneer de beschoeiing is aangebracht of waaruit blijkt dat deze werkzaamheden daadwerkelijk door hem zijn uitgevoerd. De rechtbank is het daarmee eens. Reeds daarom kan niet worden vastgesteld dat met betrekking tot de beschoeiing sprake is van een bezitsdaad.

Daarbij is ook relevant dat uit productie 14 van de gemeente blijkt dat [persoon A] in 2021 de gemeente heeft gemaild over de slechte staat van de beschoeiing. Deze e-mail strookt niet met de stelling van [persoon A] dat hij eigenaar van perceel 3.2 is. Van iemand die pretendeert eigenaar te zijn, zou immers verwacht mogen worden dat hij zelf verantwoordelijkheid voor dergelijk onderhoud neemt en niet de gemeente daarop aanspreekt. Deze e-mail is een indicatie dat [persoon A] zichzelf niet als bezitter van perceel 3.2 zag, maar slechts als houder.

Er was een huurovereenkomst met [persoon C] tot en met eind 2006

Ten aanzien van perceel 3.2 stelt de gemeente dat zij het perceel had verhuurd aan de heer [persoon C] onder contractnummer [contractnummer 2] tot en met eind 2006. Ter onderbouwing van deze stelling heeft de gemeente producties 17 en 18 overgelegd. Productie 17 is een factuur ten name van [persoon C] voor de huur van januari tot en met 31 december 2007, welke factuur daarna is gecrediteerd omdat de huurovereenkomst was geëindigd per eind 2006. In zowel de factuur als de creditnota staat het bij perceel 3.2 horende contractnummer [contractnummer 2] vermeld. Verder heeft de gemeente bij productie 18 een uitdraai van haar oude digitale vastgoedsysteem Horizon ingebracht, waarin deze factuur en creditnota staan genoteerd.

[persoon A] betwist deze stelling en heeft een verklaring van mevrouw [persoon C] overgelegd als productie 16. Daarin verklaart zij dat de huurovereenkomst al in de jaren ’90 zou zijn opgezegd en dat daarna nooit meer huur aan de gemeente zou zijn betaald.

De rechtbank kent aan deze verklaring van mevrouw [persoon C] geen doorslaggevend gewicht toe. De gestelde opzegging is niet met onderliggende stukken onderbouwd, zoals een opzeggingsbrief van destijds of andere (administratieve) stukken. Bovendien is deze verklaring ook moeilijk te verenigen met (i) de door de gemeente ingebrachte factuur, creditnota en uitdraai van haar vastgoedsysteem en (ii) de omstandigheid dat [persoon A] bij brief van 15 februari 2001 zelf heeft verzocht om (onder meer) de huurovereenkomst die op perceel 3.2 ziet op zijn naam te zetten. Een dergelijk verzoek van [persoon A] ligt niet voor de hand indien de huurovereenkomst al in de jaren ’90 zou zijn beëindigd door [persoon C] . Verder heeft de gemeente er op gewezen dat de verklaring van [persoon C] niet strookt met de facturatie van de gemeente. Er is volgens de gemeente tot en met 2006 betaald en als dat niet het geval was geweest, had de gemeente de gebruikelijke incassomaatregelen genomen. Dergelijke maatregelen zijn uitgebleven.

Op grond van het voorgaande is naar het oordeel van de rechtbank de betwisting door [persoon A] niet voldoende gemotiveerd en onderbouwd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de gemeente perceel 3.2 aan [persoon C] heeft verhuurd tot eind 2006.

Tussenconclusie inzake perceel 3.2: de beschoeiing in samenhang bezien met de overeenkomst leidt tot de conclusie dat geen sprake is van een bezitsdaad

De beschoeiing als gestelde bezitsdaad en de huurovereenkomst met [persoon C] in onderling samenhang bezien, leiden tot de conclusie dat geen sprake is van een bezitsdaad door [persoon A] met betrekking tot perceel 3.2.

Perceel 3.3

Met betrekking tot perceel 3.3 heeft [persoon A] geen specifieke bezitsdaden aangevoerd

[persoon A] stelt geen bezitsdaden die specifiek zien op perceel 3.3. Wel voert [persoon A] in het algemeen nog aan dat hij grind op verschillende paden heeft aangelegd. De rechtbank kent echter aan deze stelling geen betekenis toe. [persoon A] heeft namelijk niet onderbouwd wanneer de grindpaden zouden zijn aangelegd en op welk perceel(deel). Reeds daarom kan niet worden vastgesteld dat deze grindpaden een bezitsdaad opleveren ten aanzien van één of meer van deze percelen, nog daargelaten de vraag of dit een handeling zou zijn die alleen past bij iemand die pretendeert eigenaar te zijn.

Er was een huurovereenkomst met [persoon B] tot en met medio 2021

Ten aanzien van perceel 3.3 stelt de gemeente dat zij een huurovereenkomst had met de heer [persoon B] onder contractnummer [contractnummer 3] tot en met medio 2021. Ter onderbouwing hiervan heeft de gemeente productie 25 ingediend, met onder meer een uitdraai van het betalingssysteem van de gemeente waaruit volgt dat zij daadwerkelijk betalingen van [persoon B] heeft ontvangen. Verder heeft zij verwezen naar productie 19, waarin namens mevrouw [persoon B] is gecorrespondeerd over de opzegging en beëindiging van deze huurovereenkomst in de periode van november 2020 tot en met juni 2021. Ook heeft de gemeente productie 20 overgelegd, waarin een overzicht te zien is uit haar administratie. Hieruit blijkt dat er onder de kolom ‘achterstallig bedrag’ steeds 0,00 te zien is, hetgeen de stelling van de gemeente ondersteunt dat de huurbetalingen door [persoon B] zijn voldaan en er geen sprake is van betalingsachterstanden.

Omdat de huurovereenkomst medio 2021 is beëindigd terwijl de huur voor het gehele jaar 2021 was gefactureerd, heeft de gemeente een creditnota voor de tweede helft van dat jaar verstrekt. De factuur en de creditnota zijn ingediend als productie 21 en vermelden ook het bij perceel 3.3. horende contractnummer [contractnummer 3] .

[persoon A] voert aan dat de e-mails van productie 19 van de gemeente geen betrekking hebben op perceel 3.3. In het licht van de onderbouwing door de gemeente van haar standpunt, is deze betwisting echter onvoldoende gemotiveerd. De rechtbank gaat er daarom van uit dat de gemeente perceel 3.2 aan [persoon C] heeft verhuurd tot eind 2006.

Tussenconclusie inzake perceel 3.3: er is geen sprake van een bezitsdaad en de gemeente heeft voldoende onderbouwd dat sprake was van een huurovereenkomst

Aangezien [persoon A] geen bezitsdaden ten aanzien van perceel 3.3 heeft gesteld en de rechtbank bovendien uitgaat van het bestaan van een huurovereenkomst met [persoon B] tot medio 2021, is niet vast komen te staan dat [persoon A] perceel 3.3 in bezit heeft genomen.

Conclusie: er is geen sprake van bezit en bovendien staat het interversieverbod eraan in de weg dat [persoon A] voor zichzelf houdt

De drie huurovereenkomsten die de gemeente met derden had tot en met eind 2006 en medio 2021 staan in de weg aan bezit door [persoon A] , indien en voor zover deze al concrete bezitsdaden zou hebben genoemd. Ten aanzien van perceel 3.1 en 3.2 kon geen sprake zijn van bezit door [persoon A] tot en met eind 2006 en ten aanzien van perceel 3.3 niet tot medio 2021. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat indien zou moeten worden aangenomen dat wel sprake is van bezitsdaden en dus de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen, dan ten aanzien van geen van de percelen de verjaringstermijn is voltooid. Er is geen verjaringsperiode van twintig jaar sinds 2006 of 2021 verstreken, mede in aanmerking genomen dat de gemeente in ieder geval een stuitingshandeling heeft verricht in 2021. Verder acht de rechtbank het volgende relevant.

Ter zitting heeft [persoon A] verklaard dat hij in 1991 het bedrijf van [persoon B] heeft gekocht en dat daar ook het terrein en de werkplaats bij zat. Echter heeft [persoon A] geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij eigenaar zou zijn van de percelen. Hij heeft verklaard dat hij destijds niet bij de notaris is geweest voor de levering van de percelen. Daarmee staat vast dat [persoon A] in 1991 niet door levering de eigendom van de percelen heeft verkregen. De omstandigheid dat [persoon A] nimmer huur heeft betaald voor deze percelen, zoals tussen partijen vast staat, maakt dat natuurlijk niet anders.

Verder acht de rechtbank van belang dat de gemeente zich op het standpunt stelt dat [persoon A] op enig moment zelf aan de gemeente had verzocht om de percelen 3.1 tot en met 3.3 op zijn naam te zetten. Ter zitting heeft [persoon A] verklaard zich niet te herinneren dat hij dit verzoek heeft gedaan. De gemeente heeft na de mondelinge behandeling nog een brief van [persoon A] ingebracht waarin dit verzoek is gedaan. De inhoud van deze brief vormt een belangrijke aanwijzing dat [persoon A] zichzelf niet als bezitter zag, maar slechts als houder, in dit geval blijkbaar op grond van instemming van de huurder(s). Door dit verzoek te doen, heeft hij bevestigd dat de gemeente als eigenaar optrad en dat het gebruik van de percelen was gebaseerd op huurovereenkomsten. Dat is niet verenigbaar met gebruik als bezitter.

Verder heeft de gemeente onbetwist gesteld dat partijen in 2021 contact hebben gehad over het overnemen van de eigendom van de percelen en dat er zelfs op 13 december 2023 nog telefonisch contact is geweest tussen partijen waarin [persoon A] aangaf de percelen nog steeds te willen kopen, alleen niet voor het bedrag dat de gemeente daarvoor vroeg. Ook deze omstandigheid strookt niet met de stelling van [persoon A] dat hij reeds eigenaar dan wel bezitter van de percelen was. Een afdoende verklaring heeft hij daarvoor niet gegeven.

Tot slot wordt gewezen op het zogenoemde interversieverbod van artikel 3:111 BW. Dit houdt in dat wanneer men op grond van een rechtsverhouding is begonnen voor een ander te houden, men daarmee onder dezelfde titel voortgaat zolang niet blijkt dat hierin verandering is gebracht, óf door een handeling van degene voor wie men houdt, óf door tegenspraak van diens recht. Als houder van de percelen kan [persoon A] dus niet zonder meer, eigenmachtig, bezitter worden.

De rechtbank concludeert dat [persoon A] , mede gezien de onderbouwde betwistingen van de gemeente, zijn stellingen onvoldoende heeft gemotiveerd en onderbouwd, zodat niet kan worden vastgesteld dat aan de vereisten voor bevrijdende verjaring is voldaan. De gemeente is dus nog steeds eigenares van deze percelen.

[persoon A] moet binnen zes maanden de percelen ontruimen op straffe van een dwangsom van € 250,00 per dag met een maximum van € 100.000,00

De gemeente vordert dat [persoon A] binnen twee maanden na dit vonnis de percelen moet ontruimen op straffe van een dwangsom van € 500,00 per dag. De rechtbank acht een termijn van twee maanden gelet op de omstandigheden van dit geval niet redelijk. Op de percelen bevindt zich onder meer de werkplaats van [persoon A] met zeer grote stalen machines en apparatuur. Het verplaatsen daarvan en het vinden van een geschikte andere locatie voor de werkplaats, al dan niet tijdelijk, zal de nodige tijd vergen. De rechtbank zal daarom een ontruimingstermijn van zes maanden opleggen. Deze termijn biedt naar het oordeel van de rechtbank [persoon A] voldoende gelegenheid om de percelen te ontruimen.

Mede gelet op de lange duur van het gebruik van de percelen en zijn evidente belang bij voortzetting van die situatie, dient [persoon A] een voldoende prikkel te krijgen om daadwerkelijk tot ontruiming over te gaan. De rechtbank ziet daarom aanleiding om een dwangsom te verbinden aan de ontruimingsveroordeling. De gevorderde dwangsom van € 500,00 per dag acht de rechtbank echter te hoog. De rechtbank zal de dwangsom bepalen op € 250,00 per dag dat aan de veroordeling geen uitvoering wordt gegeven na de verstreken termijn van zes maanden, met een maximum van € 100.000,00.

Het vonnis wordt niet uitvoerbaar bij voorraad verklaard

De gemeente heeft gevorderd dat de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaart. [persoon A] verzet zich daartegen en voert aan dat ontruiming grote gevolgen voor hem heeft, omdat de werkplaats met de zware machines niet eenvoudig kunnen worden verplaatst. Bovendien is dit bedrijf zijn enige inkomstenbron en pensioenvoorziening. De gemeente heeft daar tegenover gesteld dat [persoon A] al sinds 2001 bekend is met haar plannen om de percelen te verkopen en te herontwikkelen en dat gelet op de woningnood in Nederland, en ook specifiek in gemeente Rotterdam, spoedig met de herontwikkeling gestart moet worden.

De rechtbank oordeelt dat het belang van [persoon A] op dit punt zwaarder weegt. Een ontruiming en het verplaatsen van de zware stalen machines kan ingrijpende en onomkeerbare gevolgen hebben voor de bedrijfsvoering van [persoon A] . Dat rechtvaardigt in dit geval dat niet de schorsende werking van een mogelijk hoger beroep wordt doorbroken door de veroordeling tot ontruiming uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

Daarbij weegt voor de rechtbank mee dat de gemeente jarenlang geen ontruiming heeft verzocht en/of afgedwongen en de situatie door passiviteit heeft laten voortduren.

De planvorming aan de kant van de gemeente hoeft niet stil te staan. Denkbaar is dat de gemeente twee scenario’s laat uitwerken voor herontwikkeling: een scenario waarin de percelen 3.1 tot en met 3.3 wel bij de herontwikkeling worden betrokken en daarnaast een scenario waarin de ontwikkeling zonder deze percelen (of een deel daarvan) kan worden gerealiseerd. Niet is gebleken dat het niet uitvoerbaar bij voorraad verklaren van het vonnis de verdere planvorming van de herontwikkeling van de gemeente onmogelijk maakt.

[persoon A] moet de proceskosten van de gemeente betalen

[persoon A] is zowel in conventie als in reconventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van de gemeente voor de conventie en reconventie worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

144,47

- griffierecht

€

714,00

- salaris advocaat

€

2.285,50

(3,5 punten × € 653,00)

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

3.332,97

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

7. De beslissing

in conventie

De rechtbank

verklaart voor recht dat de gemeente eigenares is van de percelen,

veroordeelt [persoon A] om de percelen binnen zes maanden na betekening van dit vonnis volledig te ontruimen en ter vrije beschikking aan de gemeente te stellen,

veroordeelt [persoon A] tot betaling aan de gemeente van een dwangsom van € 250,00 voor iedere dag dat hij na het verstrijken van de in 7.2 genoemde termijn niet aan de veroordeling tot ontruiming voldoet, met een maximum van € 100.000,00,

wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

wijst de vorderingen van [persoon A] af,

in conventie en reconventie

veroordeelt [persoon A] tot betaling van de proceskosten van de gemeente van € 3.332,97, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [persoon A] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt [persoon A] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.A.M. Cooijmans en in het openbaar uitgesproken op

14 oktober 2026.

3893/1694

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand