RECHTBANK ROTTERDAM
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam eiser] , uit [plaats 1] , eiser
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
Samenvatting
Bestuursrecht
zaaknummer: ROT 25/10330
(gemachtigde: mr. T. Altindag-Yazbahar),
en
(gemachtigde: mr. T.C. Tesselhof).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser tot afgifte van een Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG) voor een chauffeurskaart (voor het beroep van taxichauffeur) bij [bedrijf X] . in [plaats 2] . De staatssecretaris heeft de aanvraag van de VOG afgewezen. Eiser is het niet eens met deze afwijzing. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de staatssecretaris de VOG terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De staatssecretaris heeft eisers aanvraag met een besluit van 4 februari 2025 (het primaire besluit) afgewezen. Met een besluit van 20 augustus 2025 (het bestreden besluit) op het bezwaar van eiser is de staatssecretaris bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de staatssecretaris.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser heeft op 4 oktober 2024 een aanvraag gedaan voor een VOG voor de functie van taxichauffeur. De staatssecretaris heeft aan de afwijzing ten grondslag gelegd dat eiser een aantal registraties van misdrijven en overtredingen in het Justitieel Documentatiesysteem (JDS) heeft.
Eiser heeft op 18 maart 2025 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag. Met het bestreden besluit heeft de staatssecretaris het bezwaar ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Aan de afwijzing heeft de staatssecretaris het volgende ten grondslag gelegd. Voor het functieprofiel waarvoor de VOG is aangevraagd (taxichauffeur) geldt een terugkijktermijn van 5 jaar. De staatssecretaris heeft de volgende in het JDS geregistreerde justitiële gegevens bij eisers aanvraag betrokken:
Een snelheidsovertreding van 23 februari 2025. Deze zaak staat nog open.
Het negeren van een verkeersteken op 23 februari 2025. Deze zaak staat nog open.
Schuldverklaring op 11 juli 2024 van belediging van een ambtenaar in functie zonder oplegging van straf. Deze uitspraak is op 26 juli 2024 onherroepelijk geworden.
Een veroordeling van 19 maart 2024 voor het aanwezig hebben van drugs, het rijden terwijl het rijbewijs is ingevorderd en het aanwezig hebben van drugs. De proeftijd was van kracht tot 15 april 2026. De uitspraak is op 3 april 2024 onherroepelijk geworden.
Bij strafbeschikking van 31 januari 2024 is een geldboete van € 620,- opgelegd wegens overschrijden van de maximumsnelheid.
Veroordeling op 20 december 2023 wegens bedreiging en belediging van een ambtenaar in functie tot een taakstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen hechtenis. Daarnaast is een maatregel van schadevergoeding opgelegd van € 300,- subsidiair 6 dagen gijzeling. Deze uitspraak is op 3 januari 2024 onherroepelijk geworden.
Veroordeling op 14 september 2023 wegens het aanwezig hebben van drugs en beschadiging van goederen tot een taakstraf van 40 uren subsidiair 20 dagen hechtenis. Deze uitspraak is op 29 september 2023 onherroepelijk geworden. Daarnaast is gebleken dat de opgelegde werkstraf niet (volledig) is uitgevoerd en dat deze is omgezet in vervangende hechtenis.
Op 30 juni 2023 te Rotterdam met politie/justitie in aanraking gekomen wegens een snelheidsovertreding. Deze zaak staat nog open.
Bij strafbeschikking van 27 maart 2023 is een geldboete van € 190,- opgelegd wegens gevaarlijk rijgedrag.
Bij strafbeschikking van 29 maart 2023 is een geldboete van € 280,- opgelegd wegens het negeren van een stopteken.
Veroordeling op 6 juli 2022 wegens bedreiging, uitgeven van vals of vervalst geld en oplichting tot een voorwaardelijke werkstraf van 60 uren subsidiair 30 dagen jeugddetentie met een proeftijd van 2 jaren, met bijzondere voorwaarden. Deze proeftijd was van kracht tot 1 augustus 2024. Deze uitspraak is op 21 juli 2022 onherroepelijk geworden.
Bij strafbeschikking van 3 mei 2021 is een geldboete van € 180,- opgelegd wegens niet voldoen aan de rijbewijsplicht.
4. Volgens de staatssecretaris vormen de strafbare feiten, indien herhaald en gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering voor de uitoefening van de functie van taxichauffeur (het objectieve criterium). Daarnaast vindt de staatssecretaris de bescherming van de samenleving zwaarder wegen dan het persoonlijke belang van eiser (het subjectieve criterium).
Toetsingskader
5. Artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens (Wjsg) bepaalt dat een VOG wordt afgegeven als er na onderzoek niet is gebleken van bezwaren tegen de aanvrager. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met het risico voor de samenleving in verband met het doel waarvoor de VOG is aangevraagd. Ook worden de belangen van de aanvrager zelf meegewogen. De afgifte van een VOG wordt geweigerd als in de justitiële documentatie over de aanvrager een strafbaar feit is vermeld dat, indien het zou worden herhaald, een behoorlijke uitoefening van de taak of de bezigheden waarvoor de VOG wordt gevraagd in de weg zal staan. Dit vanwege het risico voor de samenleving en de overige omstandigheden van het geval. In het onderzoek kan kennis worden genomen van alle justitiële gegevens uit de justitiële documentatie van de aanvrager en van gegevens uit de politieregisters. Dat staat in de artikelen 35 en 36 van de Wjsg. In het Besluit justitiële en strafvorderlijke gegevens staat dat veroordelingen, transacties, openstaande strafzaken en sepots worden aangemerkt als justitiële gegevens.
Niet alle aantekeningen in het JDS zijn relevant voor een VOG-aanvraag. Of een gegeven relevant is voor een aanvraag hangt af van de terugkijktermijn en van het screeningsprofiel waarvoor de VOG wordt gevraagd. Gegevens die ten tijde van de beoordeling langer dan vijf jaar geleden zijn en gegevens die niet relevant zijn voor het screeningsprofiel worden niet meegenomen in de beoordeling. De terugkijktermijn wordt verlengd met de tijd waarin de betrokkene in de gevangenis zat of onder toezicht stond.
Het wettelijk systeem werkt als volgt: wanneer de aanvrager van een VOG in de justitiële documentatie voorkomt, wordt de aanvraag beoordeeld aan de hand van een objectief en een subjectief criterium.
Met het objectieve criterium wordt beoordeeld of de aangetroffen justitiële gegevens, indien herhaald, gelet op het risico voor de samenleving, een belemmering vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie, taak, dan wel bezigheid waarvoor de VOG is aangevraagd.
Bij het subjectieve criterium wordt beoordeeld of het belang van de aanvrager zwaarder weegt dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het eerder genoemde risico voor de samenleving. Als dat zo is, wordt de VOG afgegeven, hoewel wordt voldaan aan het objectieve criterium. Bij de toepassing van het subjectieve criterium worden (in ieder geval) als relevante omstandigheden betrokken de wijze waarop de strafzaak is afgedaan, het tijdsverloop en de hoeveelheid antecedenten.
Bij de beoordeling van de aanvraag voor een VOG dient de staatssecretaris: de aard van de functie te betrekken waarvoor de VOG is aangevraagd, een grondige en geïndividualiseerde beoordeling uit te voeren waarbij de persoonlijke omstandigheden van de betrokkene worden meegewogen en een reëel risico vast te stellen. Bij de beoordeling van de persoonlijke omstandigheden zijn de volgende gezichtspunten van belang: de aard, ernst en afdoening van het delict, de tijd die is verstreken sinds het delict, de leeftijd ten tijde van het delict, en het gedrag in de tussenliggende tijd ofwel het karakter van de betrokkene.
Is ten aanzien van eiser voldaan aan het objectieve criterium?
6. Eiser voert aan dat de staatssecretaris ten onrechte de aanvraag heeft afgewezen op de grond dat aan het objectieve criterium is voldaan. Eiser betoogt daartoe dat de staatssecretaris de persoonlijke omstandigheden van eiser had moeten meewegen bij de beoordeling van het objectieve criterium.
Gelet op het hiervoor (onder overweging 5. tot 5.3.) weergegeven toetsingskader, moet beoordeeld worden of de van eiser in het JDS geregistreerde gegevens, indien nog een keer gepleegd, in de weg staan aan een behoorlijke uitoefening van de functie taxichauffeur. Het voorgaande betekent dat het bij het objectieve criterium dus niet gaat om eiser zelf, en ook niet om de inschatting of juist hij de in het JDS opgenomen strafbare feiten nog eens zou plegen. Dit volgt ook uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). Ook op grond van de beleidsregels VOG-NP-RP 2025 zijn de persoonlijke omstandigheden van eiser niet relevant voor de beoordeling van het objectieve criterium. De omstandigheden die eiser heeft aangevoerd in het kader van het objectieve criterium betrekt de rechtbank daarom hierna bij de beoordeling van het subjectieve criterium.
Is ten aanzien van eiser voldaan aan het subjectieve criterium?
7. Eiser voert aan dat de staatssecretaris de aanvraag ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat aan het subjectieve criterium is voldaan. Hij betoogt hiertoe dat voor de strafbeschikkingen van 27 maart 2023, 29 maart 2023, 3 mei 2023 en van 31 januari 2024 het gedeeltelijk gaat om oude overtredingen. Ten tijde van het primaire besluit was, ten aanzien van de overtreding van 3 mei 2021, sprake van een tijdsverloop van ruim 42 maanden. Hij betoogt verder dat het gaat om lichte vergrijpen. De staatssecretaris heeft onvoldoende gewicht toegekend aan zijn persoonlijke omstandigheden zoals dat hij zich niet kon verdedigen, zijn jonge leeftijd (ook op het vlak van zijn persoonlijke ontwikkeling als jongvolwassene), dat hij nog thuis woont en dat hij destijds nog naar school ging. Eiser betoogt verder dat de staatssecretaris het subjectieve criterium verkeerd toetst. Het enkele feit dat binnen de terugkijktermijn een antecedent heeft plaatsgevonden betekent niet dat de aanvraag automatisch moet worden afgewezen. De terugkijktermijn is geen zelfstandige weigeringsgrond. De staatssecretaris heeft onvoldoende onderscheid gemaakt tussen de datum waarop het feit is gepleegd en de datum waarop de strafrechtelijke beslissing is genomen. Eiser betoogt verder dat dat de uitspraak van 11 juli 2024 weliswaar onherroepelijk is geworden, maar dat eiser zich niet kan vinden in de uitspraak. Hij was in de veronderstelling dat het ondernemen van verdere juridische stappen niet tot de mogelijkheden behoorde omdat er geen straf of maatregel werd opgelegd. Bij de beoordeling is onvoldoende gewicht toegekend aan de persoonlijke omstandigheden van eiser zoals zijn jonge leeftijd, dat hij nog thuis woont, hij destijds nog maar school ging en het niet om een ernstig delict ging. Ten aanzien van de uitspraak van 19 maart 2024 betoogt eiser dat de staatssecretaris onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat hij gedeeltelijk is vrijgesproken en gedeeltelijk is ontslagen van alle rechtsvervolging. Eiser verwijst hierbij naar de eerder genoemde persoonlijke omstandigheden. Dat hij in het verleden wegens een drugsdelict met justitie in aanraking is gekomen, maakt nog niet dat hij als taxichauffeur drugs aan klanten zal aanbieden, drugs zal vervoeren of klanten anderszins met drugscriminaliteit in aanraking zal brengen. Daarbij is van belang dat de delicten niet tijdens de uitoefening van de functie van taxichauffeur zijn gepleegd en niet zijn gepleegd jegens klanten.
De rechtbank oordeelt dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat is voldaan het subjectieve criterium. De staatssecretaris heeft kunnen meewegen dat het niet lang geleden is dat eiser in aanraking kwam met justitie. Hij heeft op 4 oktober 2024 een aanvraag gedaan voor de VOG en eiser is op 11 juli 2024 voor het laatst veroordeeld. Bovendien is eiser na zijn aanvraag nog twee keer met justitie in aanraking gekomen voor overtredingen die niet passen bij het beroep van taxichauffeur. Daarmee is de conclusie gerechtvaardigd dat er een reëel risico is dat eiser de overtredingen nogmaals zou begaan.
Het argument van eiser dat hij het niet eens is met de onherroepelijk geworden uitspraken en dat hierbij onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden slaagt niet. Bij de beoordeling van de staatssecretaris of er een VOG kan worden afgegeven, hoeft de staatssecretaris niet te treden in de omstandigheden die tot de strafrechtelijke veroordeling hebben geleid. Het is de strafrechter die alle omstandigheden van de strafzaak in zijn weging meeneemt. Het is slechts de uitkomst van die weging die een rol kan spelen in deze bestuursrechtelijke procedure. Anders gezegd: noch de staatssecretaris, noch de bestuursrechter kunnen de strafzaak nog eens overdoen. Dat eiser, zoals hij stelt, door zijn leeftijd niet wist dat hij rechtsmiddelen kon instellen tegen de uitspraken maakt het voorgaande niet anders. Het is aan eiser om zich desgewenst te laten vertegenwoordiger door een gemachtigde en/of rechtsbijstandverlener die hem op zijn rechten kan wijzen. Bovendien bevatten de uitspraken een rechtsmiddelenclausule waaruit blijkt wat eiser kan doen als hij het niet eens is met de uitspraak. Daarnaast kan niet worden gezegd dat eiser ten tijde van de delicten dusdanig jong was dat die omstandigheid in zijn voordeel moet meewegen. Eiser is immers na zijn aanvraag nog met justitie in aanraking gekomen.
Tussen partijen staat niet ter discussie dat eiser is veroordeeld voor twee overtredingen van de Opiumwet en een aantal verkeersovertredingen. Dat eiser de feiten niet heeft gepleegd terwijl hij als taxichauffeur werkte, maakt niet dat de staatssecretaris deze feiten niet mag meewegen in de beoordeling. Volgens die gedachtegang zou eiser de strafbare feiten meerdere keren kunnen plegen zolang hij de strafbare feiten niet als taxichauffeur pleegt. Dit is een onjuiste uitleg van het subjectieve criterium. De overtredingen waren ten tijde van het bestreden besluit ook niet lang genoeg geleden om ervan te kunnen spreken dat er geen risico meer is voor de samenleving.
De staatssecretaris heeft het voorgaande zwaarder kunnen laten wegen dan de persoonlijke omstandigheden van eiser.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de staatssecretaris de VOG terecht heeft geweigerd. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.R. Lautenbach, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Blokhuis, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 19 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.