RECHTBANK ROTTERDAM
Team Jeugd
Zaaknummer: C/10/721095 / JE RK 26-1128
Datum uitspraak: 21 september 2026
Beschikking van de meervoudige kamer over (geschillen betreffende) de ondertoezichtstelling
in de zaak van
[naam moeder] ,
hierna te noemen: de moeder, wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr. R.F.P. Scheele, kantoorhoudende in Numansdorp,
over
[naam minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] , hierna te noemen: [voornaam minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[naam vader] ,
hierna te noemen: de vader, wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat: mr. P. de Boom, kantoorhoudende in Barendrecht,
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Rotterdam Rijnmond,
gevestigd in Rotterdam, hierna te noemen: de GI.
1. Het verloop van de procedure
De rechtbank neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met producties van de advocaat van de moeder, ontvangen op 8 juni 2026;
de brief van de vader met producties, ontvangen op 22 juli 2026;
de brief van de advocaat van de moeder van 27 augustus 2026, ontvangen op diezelfde datum;
de beschikking van het gerechtshof Den Haag (hierna: het Hof) van 12 augustus 2026, overgelegd door de advocaat van de moeder en ontvangen op 27 augustus 2026;
de pleitnota van de advocaat van de moeder, ter zitting voorgedragen en overgelegd.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader;
- de advocaat van de moeder;
- een vertegenwoordiger van de GI, [persoon A] .
De moeder is niet verschenen. De rechtbank stelt vast dat de moeder wel juist is opgeroepen. De advocaat van de moeder heeft ter zitting aangegeven dat de moeder ziek is.
De advocaat van de vader heeft voorafgaand aan de zitting aangegeven dat zij niet aanwezig zal zijn bij de zitting.
De rechtbank heeft [voornaam minderjarige] naar haar mening gevraagd. [voornaam minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [voornaam minderjarige] .
[voornaam minderjarige] woont bij de moeder.
Bij beschikking van 18 december 2025 heeft de kinderrechter [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld tot 18 december 2026.
3. Het verzoek
Primair verzoekt de moeder de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] op te heffen. Subsidiair verzoekt de moeder om over de volgende geschillen te oordelen, daar waar het kan deze te beslechten en anders duidelijke opdrachten aan de GI te geven omtrent:
“Er moet veel beter diagnostisch onderzoek komen naar [voornaam minderjarige] en haar angsten omtrent vader, voordat de GI de omgang met vader door pusht richting haar en moeder. Dit kan door beter specifiek onderzoek vanuit MC Kinderplein en totdat zij haar advies hebben gegeven, dient er géén omgang te zijn tussen [voornaam minderjarige] en vader.
Er moet veel beter diagnostisch onderzoek komen naar [voornaam minderjarige] en haar angsten omtrent onverwachte gebeurtenissen en onverwachte (onbekende) personen voordat de GI nog überhaupt 1x op school durft te komen zonder goede en terdege voorbereiding vanuit bijvoorbeeld het MC Kinderplein. En ook hier graag eerst het duidelijke advies van deze professionals wanneer en hoe dit zou kunnen gebeuren.
De GI moet worden aangesproken op haar vooringenomen houding richting moeder. Te gemakkelijk wordt hier vader de hand boven het hoofd gehouden en lijkt steeds meer dat deze GI in strijd met een proportionele meerpartijdigheid, de keuze maakt voor een disproportionele éenpartijdigheid.
De GI moet er alles aan doen dat er nu één gezinsvoogd nog op deze zaak is en blijft. Als deze garantie niet gegeven kan worden is de GI ook niet in staat om deze OTS te mogen en kunnen beheren. Dan willen we hier ook op zitting duidelijkheid over
De GI zal proberen een betere sfeer tussen school en moeder te crëeren en aangeven aan school dat er beter gekeken moet worden en meer begrip moet worden getoont inzake de problematieken van [voornaam minderjarige] en daarop volgend ook de problemen die moeder daarmee thuis heeft als die samenwerking er niet is en continu wordt gewezen naar leerplicht, waar je dit probleem niet mee oplost (symptoom bestrijding in plaats van betere specifieke hulp).
De GI mag best wel eens een compliment aan moeder maken. Zij doet het allemaal maar toch. Houdt ondanks de echtscheidingsproblematiek en de kindeigen problematiek, toch maar alle ballen in de lucht, accepteert hulp en maakt er het beste van voor al haar kinderen.”
4. De standpunten
Het standpunt van de moeder
Namens de moeder wordt ter onderbouwing van haar verzoek – samengevat – het volgende naar voren gebracht. Door een gebrek aan mankracht bij de GI heeft deze zaak bijna vijf maanden stilgelegen. In die periode is er geen regie gevoerd door de GI. Vervolgens kwam de GI ineens met een schriftelijke aanwijzing richting de moeder, die door de rechtbank is bekrachtigd. De moeder voelt zich daardoor enorm onder druk gezet. Zij ervaart dat haar klachten niet worden gehoord. [voornaam minderjarige] heeft autisme. Bekend is dat kinderen met autisme zich in belastende situaties staande kunnen houden, bijvoorbeeld door sociaal wenselijk gedrag te vertonen of te “bevriezen”, om er daarna alsnog spreekwoordelijk “aan onderdoor” te gaan. Volgens de moeder is dat exact wat er gebeurd is rondom de omgangsmomenten bij het Rotterdams Omgangshuis. [voornaam minderjarige] is daar geconfronteerd met begeleiders die zij niet kende en vervolgens gedwongen tot omgang met de vader, terwijl zij bang is voor de vader en absoluut geen omgang met hem wil. Niet voor niets zet MC Kinderplein muziektherapie in voor [voornaam minderjarige] . De moeder heeft haar zorgen hierover keer op keer gedeeld met de GI, de Raad voor de Kinderbescherming en de rechtbank, maar voor haar gevoel luistert niemand. De moeder heeft inmiddels zelf een plan bedacht voor de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader, zonder dwang en zonder onbekende mensen. Dit plan houdt in dat de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader wordt begeleid door Distinto, in plaats van MEE, en door de moeder zelf. Volgens de moeder gaat het hier bovendien om een omgangskwestie waarvoor een ondertoezichtstelling niet is bedoeld. Uit niets blijkt dat het ontbreken van contact met de vader een ontwikkelingsbedreiging voor [voornaam minderjarige] oplevert. Daarbij is er nu een plan voor de omgang. Wel wordt erkend dat het Hof op 12 augustus 2026 nog heeft overwogen dat “anders dan de moeder stelt, de ondertoezichtstelling niet alleen ziet op contactherstel tussen de vader en de minderjarige” en dat de ondertoezichtstelling ook dient om zicht te krijgen op de situatie bij de moeder thuis en de band tussen de moeder en de minderjarige. Die overweging is volgens de moeder echter onbegrijpelijk, aangezien er al wel degelijk zicht is op de situatie bij de moeder thuis. De GI heeft namelijk erkend dat de moeder na de bekrachtiging van de schriftelijke aanwijzing de afspraken met Distinto (gezinsbehandeling) is nagekomen, bereidheid heeft getoond om mee te werken aan hulpverlening en betrokken is bij de behandeling van [voornaam minderjarige] . Ook de vader geeft aan dat de moeder een goede moeder is. Waar de vader aanvankelijk de ondertoezichtstelling nog steunde, is ook hij inmiddels van mening dat een ondertoezichtstelling niet langer in het belang van [voornaam minderjarige] is. De ondertoezichtstelling is contraproductief.
In het geval de rechtbank de ondertoezichtstelling niet opheft, verzoekt de moeder haar klachten over de invulling van de ondertoezichtstelling aan te merken als geschillen in de zin van artikel 1:262b van het Burgerlijk Wetboek. Zij verzoekt de rechtbank om deze geschillen waar mogelijk te beslechten en anders duidelijke opdrachten aan de GI mee te geven. De moeder is bijvoorbeeld van mening dat eerst beter diagnostisch onderzoek naar [voornaam minderjarige] en haar angsten ten aanzien van de vader moet worden gedaan voordat de GI de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader voortzet. Daarnaast wil de moeder dat de GI niet meer zomaar naar de school van [voornaam minderjarige] komt omdat het belangrijk is dat [voornaam minderjarige] zich veilig voelt op school.
Het standpunt van de vader
De vader brengt ter zitting naar voren dat ook hij het liefst ziet dat de ondertoezichtstelling wordt opgeheven. Aanvankelijk stemde hij in met de ondertoezichtstelling, omdat hij zijn dochter wil zien en hoopte dat de GI daarin iets kon betekenen. Inmiddels is voor de vader duidelijk dat de GI het [voornaam minderjarige] juist erg moeilijk heeft gemaakt. De eerder betrokken jeugdbeschermer heeft meerdere keren gedreigd [voornaam minderjarige] uit huis te plaatsen. De vader staat niet achter een uithuisplaatsing van [voornaam minderjarige] . De moeder is volgens de vader een goede moeder, maar zij maakt het hem wel heel lastig. De moeder komt afspraken met het wijkteam en het Rotterdams Omgangshuis al lange tijd niet na. Ook de beslissing van de kinderrechter over de schriftelijke aanwijzing heeft daarin volgens hem niets veranderd. Volgens de moeder is [voornaam minderjarige] bang voor de vader, maar dat is volgens de vader absoluut niet waar. Bij het Rotterdams Omgangshuis werd juist gezien dat [voornaam minderjarige] en de vader veel plezier hadden met elkaar. Vader verwijst hierbij naar de brief van het Rotterdams Omgangshuis, waarin het verloop van het contactmoment gedetailleerd staat beschreven Dat de moeder enkele dagen voor de zitting met het voorstel komt om de omgang te laten plaatsvinden in haar bijzijn, vindt de vader een heel slecht plan. Bovendien heeft de vader er geen vertrouwen in dat de moeder daadwerkelijk aan dat plan zal meewerken.
Het standpunt van de GI
De GI brengt ter zitting het volgende naar voren. Het verzoek van de moeder is een klaagschrift over de uitvoering van de ondertoezichtstelling. Het is onjuist dat de GI niets doet. De GI is juist in deze zaak heel actief betrokken geweest Tot eind april 2026 was er een vaste jeugdbeschermer aan dit gezin gekoppeld die intensief betrokken was. Daarna heeft het beheerteam van de GI deze zaak actief opgepakt. Vanuit dat team is een vast contactpersoon beschikbaar voor de ouders. Volgens de GI is het juist de moeder die niet meewerkt en alles tegenhoudt. Er is niet voor niets een schriftelijke aanwijzing gegeven aan de moeder. Ter zitting is duidelijk geworden dat beide ouders willen dat de ondertoezichtstelling wordt opgeheven. Als dat gebeurt, is het aan de ouders zelf om samen tot een regeling komen voor het opnieuw opbouwen van het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Desgevraagd geeft de GI aan dat zij niet weet of Distinto bij de moeder thuis komt en of Distinto zicht heeft op de opvoedsituatie van [voornaam minderjarige] . De GI heeft geen zicht op de thuissituatie. De moeder staat niet toe dat de GI op huisbezoek komt. De ondertoezichtstelling moet worden voorgezet om aan de doelen te werken.
5. De beoordeling
De rechtbank kan de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] opheffen op verzoek van de GI. Alleen als de GI besluit dat niet te verzoeken, kan de moeder zo’n verzoek doen. Op 13 mei 2026 heeft de advocaat van de moeder de GI gevraagd de rechtbank te verzoeken de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] op te heffen. De GI heeft bij brief van 21 mei 2026 aan de advocaat van de moeder laten weten dat de GI van mening is dat de ondertoezichtstelling niet kan worden opgeheven. Ook ter zitting is niet gebleken dat de GI voornemens is een verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] te doen. De rechtbank verklaart de moeder daarom ontvankelijk in haar verzoek.
Vervolgens moet de rechtbank beoordelen of de gronden voor de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] nog steeds aanwezig zijn. De rechtbank is van oordeel dat de ontwikkeling van [voornaam minderjarige] nog altijd ernstig wordt bedreigd. Anders dan namens de moeder is gesteld, gaat die ontwikkelingsbedreiging verder dan alleen het ontbreken van contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader. [voornaam minderjarige] is een meisje van 9 jaar met autisme. Dat maakt haar kwetsbaar. De ouders zijn uit elkaar gegaan en er is sprake van echtscheidingsproblematiek. Het lukt de ouders niet om [voornaam minderjarige] buiten hun strijd te houden. Sinds de ouders uit elkaar zijn, is er nauwelijks tot geen contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Hoewel de moeder (eerder) heeft aangegeven een voorstander te zijn van contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] , is ondanks de begeleiding van het Rotterdams Omgangshuis én (bekrachtiging van) een schriftelijke aanwijzing richting de moeder om medewerking te verlenen aan dit contact geen structurele omgang tot stand gekomen. De moeder lijkt de vader actief op afstand te houden. Zij stelt dat [voornaam minderjarige] bang is voor de vader en geen omgang met hem wil. Uit de waarnemingen van het Rotterdams Omgangshuis blijkt dit echter niet. In tegendeel, er is juist waargenomen dat [voornaam minderjarige] heel positief op vader reageerde. Bovendien geeft vader aan dat hij juist tot aan de scheiding een nauwe band met [voornaam minderjarige] had. Er zijn daarom aanwijzingen dat [voornaam minderjarige] mogelijk wordt beïnvloed door de houding van de moeder tegenover (het contact met) de vader en daardoor last heeft van loyaliteitsproblematiek, wat schadelijk is voor haar ontwikkeling. Het is daarom van belang dat er meer zicht komt op de band en interactie tussen moeder en [voornaam minderjarige] en op haar gehele opvoedsituatie. De GI heeft desgevraagd aangegeven dat er op dit moment nog geen goed zicht is op de thuissituatie omdat de moeder huisbezoeken en kindgesprekken bewust afhoudt. De rechtbank is daarom van oordeel, net als het Hof in de beschikking van 12 augustus 2026, dat de ondertoezichtstelling op meer ziet dan alleen contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Daar komt bij dat gebleken is dat moeder niet meewerkt aan ingezette trajecten zoals het Rotterdams Omgangshuis en afspraken omtrent de omgang. Voorts houdt zij de GI buiten de deur. Hulpverlening in een vrijwillig kader is dan ook geen optie. De betrokkenheid van de GI in het kader van de ondertoezichtstelling is nog steeds noodzakelijk.
De stelling van de moeder dat de ondertoezichtstelling niet doelmatig is omdat er geen regie wordt gevoerd, wordt door de GI betwist. Op 18 december 2025 is [voornaam minderjarige] onder toezicht gesteld. Dat betekent dat op het moment waarop het verzoek van de moeder werd ingediend, nog geen zes maanden waren verstreken. Tot eind april 2026 was er een vaste jeugdbeschermer die intensief betrokken was. Na het vertrek van die jeugdbeschermer en vanwege een tekort aan jeugdbeschermers heeft het beheerteam van de GI zich vervolgens over deze zaak ontfermd. Binnen dat team is een vast contactpersoon aangewezen die zich actief met deze zaak heeft beziggehouden. In de afgelopen maanden heeft de GI zich ingezet voor contactherstel tussen [voornaam minderjarige] en de vader en meerdere keren geprobeerd een huisbezoek te plannen. Daarnaast wilde de GI graag met [voornaam minderjarige] in gesprek. Omdat moeder niet openstond voor huisbezoeken van de GI en niet meewerkte aan de afspraken met het Omganghuis en MC Kinderplein, heeft de GI haar in april 2026 een schriftelijke aanwijzing gegeven. Ook na bekrachtiging van die schriftelijke aanwijzing door de kinderrechter, is de moeder herhaaldelijk niet verschenen bij afspraken met het Omganghuis. De jeugdbeschermer heeft uiteindelijk op school met [voornaam minderjarige] gesproken. Dit alles maakt dat de rechtbank de moeder niet volgt in haar standpunt dat de ondertoezichtstelling niet doelmatig is. De moeder lijkt zelf de begeleiding en betrokkenheid van de GI tegen te houden.
Gelet op al het voorgaande wijst de rechtbank het verzoek tot opheffing van de ondertoezichtstelling van [voornaam minderjarige] af.
Daarmee komt de rechtbank toe aan de beoordeling van het subsidiaire verzoek van de moeder om de geschillen tussen haar en de GI over de uitvoering van de ondertoezichtstelling te beslechten. De moeder meent onder meer dat er eerst veel beter diagnostisch onderzoek naar [voornaam minderjarige] en haar angsten ten aanzien van de vader moet komen voordat omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader kan plaatsvinden. Desgevraagd heeft de advocaat van de moeder ter zitting aangegeven dat een eindverslag van de muziektherapie van [voornaam minderjarige] bij MC Kinderplein kan worden gelijkgesteld aan diagnostisch onderzoek. De zorgen van de moeder over de omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader worden echter niet concreet gemaakt en ook niet onderbouwd met stukken. Sterker nog, in de verslagen van het Rotterdams Omgangshuis van het gesprek op 10 maart 2026 tussen [voornaam minderjarige] en de vader, dat door de ouderschapsbemiddelaars werd begeleid, staat juist dat [voornaam minderjarige] en de vader samen plezier hebben en dat [voornaam minderjarige] haar vader in de armen springt en hem knuffelt wanneer het gesprek is afgelopen en zij afscheid van hem moet nemen. Verder valt in die verslagen op dat de moeder het contact tussen de vader en [voornaam minderjarige] verstoorde door meerdere keren op de deur te kloppen om het gesprek te onderbreken. Dat is zorgelijk, zeker gezien de eerder gerezen zorgen over mogelijke loyaliteitsproblematiek bij [voornaam minderjarige] . Van belang is ook dat het Rotterdams Omgangshuis geen belemmering ziet in (begeleid) contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader. Ook over het bezoek van de GI aan de school van [voornaam minderjarige] blijkt uit de stukken een ander beeld dan de moeder heeft geschetst. Tijdens een observatie van [voornaam minderjarige] op school door een psycholoog zijn geen signalen waargenomen die duiden op acute onveiligheid, angst, traumagerelateerde ontregeling of aanwijzingen voor schoolweigering. De rechtbank ziet, gelet op het voorgaande, dan ook geen aanleiding om te bepalen dat het contact tussen [voornaam minderjarige] en de vader, of tussen [voornaam minderjarige] en professionals die bij haar betrokken zijn, moet worden beperkt in afwachting van diagnostisch onderzoek. Dit betekent dat de moeder moet meewerken aan de afspraken (bijvoorbeeld bij het Rotterdams Omgangshuis) om (begeleide) omgang tussen [voornaam minderjarige] en de vader mogelijk te maken. Daarbij dient uiteraard het belang van [voornaam minderjarige] voorop te staan en rekening te worden gehouden met haar kwetsbaarheid. De jeugdbeschermer heeft de regie hierbij.
De overige geschilpunten, genoemd onder het derde tot en met het zesde gedachtestreepje in het verzoekschrift, gaan over de samenwerking tussen de moeder en de GI. De rechtbank kan niet treden in klachten over het handelen van jeugdbeschermers bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Daarvoor is de klachtenprocedure bedoeld. De rechtbank kan zich voorstellen dat het voor de moeder soms lastig is om samen te werken met de GI nu er geen vaste jeugdbeschermer betrokken is, maar roept haar op om in het belang van [voornaam minderjarige] mee te werken aan de hulpverlening en begeleiding die is ingezet.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijst het gehele verzoek van de moeder af.
Deze beschikking is gegeven door mr. J.S. van den Berge, voorzitter, tevens kinderrechter, en mr. M.A. van der Laan-Kuijt en mr. R. van der Wal, kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken op 21 september 2026, in aanwezigheid van mr. M.M.C. van der Knaap als griffier.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking met betrekking tot de ondertoezichtstelling is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking met betrekking tot de geschillenregeling staat geen hoger beroep open.