RECHTBANK OVERIJSSEL
Familierecht
locatie Zwolle
zaaknummer: C/08/341784 / FA RK 25-3054
Beschikking van 23 oktober 2026
in de zaak van:
[de man],
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 1],
tegen
[de vrouw],
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat mr. R.A. Schütz.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoekschrift met bijlagen, binnengekomen op 1 december 2025;
een bericht van mr. Bruning (de voormalige advocaat van de man) van 29 december 2025;
een F9-formulier van mr. Bruning met bijlagen, binnengekomen op 29 december 2025;
een bericht van mr. Bruning van 9 januari 2026;
het verweerschrift met bijlagen met een zelfstandige verzoek, binnengekomen op 5 maart 2026;
een F9-formulier van mr. Schütz met bijlagen, binnengekomen op 4 juni 2026;
een brief van mr. Bruning, binnengekomen op 10 juni 2026;
een F9-formulier van mr. Schütz met als bijlage een door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst, binnengekomen op 14 augustus 2026;
een F9-formulier van mr. Schütz, binnengekomen op 2 september 2026;
een e-mail van de man van 10 september 2026.
De rechtbank heeft afgezien van een mondelinge behandeling.
2. De feiten
De man en de vrouw zijn geregistreerd partners geweest.
Zij hebben samen een kind:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2022
[minderjarige] verblijft bij de vrouw.
Bij beschikking van 3 december 2024 heeft de rechtbank de ontbinding van het geregistreerd partnerschap tussen partijen, op [datum] 2022 te Zwolle aangegaan, uitgesproken. Daarnaast heeft de rechtbank de inhoud van het door partijen ondertekende ouderschapsplan opgenomen in deze beschikking en partijen over en weer veroordeeld na te komen hetgeen zij daarin zijn overeengekomen. Uit het aangehechte ouderschapsplan van augustus 2024 blijkt dat de man geen maandelijkse onderhoudsbijdrage zal voldoen zolang hij in de schuldsanering zit en dat hij, zodra de schuldsanering is afgelopen weer financieel zal bijdragen in de kosten van [minderjarige]. Partijen zullen dan met elkaar hierover in overleg treden.
De ouders zijn na voornoemde beschikking overeengekomen dat de man een bedrag van € 503,- per maand zal bijdragen in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige]. Gecorrigeerd voor de inflatie (geïndexeerd) is dat nu € 560,-
3. Het geschil en de beoordeling
De kinderalimentatie
Partijen hebben overeenstemming bereikt over de wijziging van de kinderalimentatie voor [minderjarige] en over de ingangsdatum. De vrouw heeft haar verzoeken dienovereenkomstig gewijzigd en verzocht de vaststellingsovereenkomst, die door beide partijen is ondertekend, op te nemen in deze beschikking. Partijen zijn overeengekomen dat de man als bijdrage voor de kosten voor de verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 526,14 per maand zal betalen aan de vrouw. De wettelijke indexering hierover zal voor het eerst met ingang van 1 januari 2027 worden verschuldigd. In de vaststellingsovereenkomst ontbreekt een ingangsdatum. Mr. Schütz heeft bij afzonderlijk bericht aan de rechtbank medegedeeld dat partijen hebben afgesproken de overeengekomen alimentatie te laten ingaan per 1 januari 2026. De man heeft inmiddels geen advocaat meer maar heeft schriftelijk bevestigd dat deze afspraken zijn gemaakt. De rechtbank houdt het ervoor dat ook de man zijn verzoeken dienovereenkomstig heeft gewijzigd.
De rechtbank begrijpt de verzoeken van partijen zo dat de rechtbank een beschikking geeft waarin de vaststellingsovereenkomst wordt bekrachtigd. Nu de overeenstemming van partijen de rechtbank niet onredelijk voorkomt, zal de rechtbank de tussen partijen overeengekomen afspraken vastleggen zoals hierna vermeld.
De uitvoerbaarheid bij voorraad
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht.
4. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie voor [minderjarige], zoals die was vastgelegd in het ouderschapsplan dat is gehecht aan de beschikking van 3 december 2024 dan wel in onderling overleg was overeengekomen, en bepaalt dat deze kinderalimentatie vanaf 1 januari 2026 € 526,14 per maand bedraagt;
bepaalt dat de wettelijke indexering hierover voor het eerst met ingang van 1 januari 2027 zal worden verschuldigd;
neemt in deze beschikking op de inhoud van de door partijen ondertekende vaststellingsovereenkomst, waarvan een afschrift aan deze beschikking is gehecht;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst (voor zover nodig) de verzoeken van partijen voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. M. Vodegel, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 23 oktober 2026 in tegenwoordigheid van M.E. Sijnstra, griffier.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:
door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
[afbeelding]