RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12124876 \ CV EXPL 26-483
Vonnis van 6 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] ,
wonende te [woonplaats 1] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. G. Debije,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf] ,
wonende te [woonplaats 2] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding,- de conclusie van antwoord,- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de aanvullende akte van [gedaagde] ,
- de mondelinge behandeling van 7 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt en waarbij [eiseres] pleitaantekeningen heeft overgelegd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[gedaagde] runt een eenmanszaak genaamd [bedrijf] (hierna: [bedrijf] ). De vader van [gedaagde] is ook betrokken bij [bedrijf] .
[eiseres] is met ingang van 1 augustus 2025 in dienst getreden bij [bedrijf] op basis van een arbeidsovereenkomst. [eiseres] was werkzaam als schoonheidsspecialiste.
Voorafgaand aan de arbeidsovereenkomst hebben partijen contact gehad over de voorwaarden van de arbeidsovereenkomst. [eiseres] heeft op 31 juli 2025 het volgende bericht aan de vader van [gedaagde] getuurd:
‘Meneer sorry er moet klein iets aanpassen ik ga 40 uur werken i.p.v. 32’
Vervolgens heeft de vader [gedaagde] dezelfde dag als volg gereageerd:
‘Gaan we doen mevrouw’
In de maand augustus 2025 heeft [gedaagde] een bedrag van € 288,-- bruto ingehouden op het loon van [eiseres] met als vermelding: ‘Onbetaald verlof 2 vakantiedagen.’
[eiseres] heeft op 1 oktober 2025 een bericht gestuurd aan de vader van [gedaagde] :
‘Meneer ik wil je laten weten dat ik helaas niet verder zal werken in u beauty salon.
Het contact van 16 uur per week hoeft u niet te stellen en geld voor te betalen dat ga ik toch niet accepteren omdat ik niet rond kan komen eind elke maand dus heeft geen zin om tot februari te wachten en daarna nieuwe baan gaan zoeken om mijn financiële zaken te reden
Ik zal liever vanaf nu zoeken naar een passende baan. (…)’
[gedaagde] heeft op 1 oktober 2025 een bedrag van € 800,-- netto betaald aan [eiseres] als loon voor de maand september 2025.
Op 2 oktober 2025 heeft de vader van [gedaagde] het volgende bericht gestuurd aan [eiseres] :
‘Goedemorgen, ik waardeer je beslissing, maar je weet dat je vandaag behandeling hebt, volgens de regels moet je 1 maand opzegtermijn in acht nemen als je wil stoppen, dit is niet volgens de regels en is ook niet netjes….’
3. Het geschil
[eiseres] vordert - samengevat -, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst door [eiseres] rechtsgeldig is ontbonden,
een veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 6.119,52, bestaande uit achterstallig loon over de maanden augustus en september 2025 inclusief het vakantiegeld en de reiskostenvergoeding, vermeerderd met de wettelijke verhoging, de wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten,
een veroordeling van [gedaagde] in de proceskosten.
Ter zitting heeft [eiseres] haar vordering met een bedrag van € 432,--, dat zag op loon over de maand augustus 2025, verminderd.
[eiseres] legt aan de vordering het volgende ten grondslag. Volgens [eiseres] zijn partijen een arbeidsovereenkomst met een arbeidsomvang van 40 uur overeengekomen. Op basis daarvan heeft zij recht op betaling van loon over de maand september 2025 en uitbetaling van de opgebouwde vakantietoeslag tot het einde van de arbeidsovereenkomst. [eiseres] stelt dat zij de arbeidsovereenkomst op 1 oktober binnen de proeftijd heeft opgezegd en dat zij geen opzegtermijn in acht hoefde te nemen. Daarnaast zijn partijen volgens [eiseres] een reiskostenvergoeding van € 0,23 netto per kilometer overeengekomen. Ook daarop maakt [eiseres] aanspraak.
[gedaagde] voert verweer. [gedaagde] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiseres] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres] , met veroordeling van [eiseres] in de kosten van deze procedure.
[gedaagde] voert het volgende aan. [gedaagde] heeft erkend dat partijen in eerste instantie een arbeidsomvang van 40 uur per week zijn overeengekomen, maar volgens [gedaagde] hebben partijen in een later stadium een lagere arbeidsomvang afgesproken en bovendien heeft [eiseres] in september 2025 slechts 83 uur gewerkt. Verder stelt [gedaagde] dat [eiseres] een opzegtermijn van één maand in acht moet nemen, omdat haar opzegging buiten de proeftijd is gedaan. Tot slot heeft [gedaagde] in haar conclusie van antwoord en aanvullende akte gesteld dat [gedaagde] als gevolg van de opzegging door [eiseres] schade heeft geleden, maar zij heeft geen eis in reconventie ingesteld. Daarover zal de kantonrechter dus niet oordelen.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
Wat verdeelt partijen?
Partijen zijn het erover eens dat zij een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan per 1 augustus 2025. Wel twisten partijen over de vraag welke arbeidsomvang partijen hebben afgesproken. Daarnaast zijn partijen het niet eens over de vraag wanneer de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Om de loonvordering van [eiseres] te kunnen beoordelen zal de kantonrechter eerst de arbeidsomvang en de einddatum van de arbeidsovereenkomst bespreken.
Arbeidsomvang
[eiseres] vordert betaling van achterstallig loon gebaseerd op een arbeidsduur van 40 uur per week. Volgens [gedaagde] hebben partijen later een afwijkende afspraak gemaakt en een lagere arbeidsduur afgesproken. [eiseres] heeft een schriftelijke arbeidsovereenkomst overgelegd waarin een arbeidsduur van 40 uur per week is opgenomen. [gedaagde] heeft twee verschillende arbeidsovereenkomsten overgelegd met respectievelijk een arbeidsduur van 32 en 16 uur per week. Geen van deze arbeidsovereenkomsten is door partijen ondertekend. Gelet op de volgende omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat partijen bij aanvang van de arbeidsovereenkomst een arbeidsomvang van 40 uur zijn overeengekomen en dat niet is gebleken dat partijen later een lagere arbeidsomvang hebben afgesproken.
Allereerst blijkt uit de WhatsApp-correspondentie dat de vader van [gedaagde] op 31 juli 2025 akkoord is gegaan met het voorstel van [eiseres] om de arbeidsomvang te wijzigen van 32 uur naar 40 uur per week. Bovendien staat op de loonstrook van augustus 2025 vermeld dat er die periode 20 loondagen waren en 160 loonuren. Dat komt neer op 40 uur per week. Dat betekent dat de kantonrechter als uitgangspunt neemt dat partijen een arbeidsomvang van 40 uur per week zijn overeengekomen. Dat [eiseres] in de maand september minder uren heeft gewerkt is niet komen vast te staan. [gedaagde] heeft geen overzicht overgelegd waaruit de gewerkte uren in de maand september blijken. [gedaagde] heeft dus onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld om vast te stellen dat [eiseres] daarom geen recht heeft op loon voor 40 uur per week.
De arbeidsovereenkomst is geëindigd op 1 oktober 2025
Partijen twisten over de vraag of [eiseres] de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig binnen de proeftijd heeft opgezegd. Partijen zijn het erover eens dat zij een proeftijdbeding met duur van twee maanden zijn overeengekomen. Volgens [eiseres] heeft zij de arbeidsovereenkomst binnen de proeftijd opgezegd en hoeft zij geen opzegtermijn in acht te nemen. Volgens [gedaagde] was de proeftijd op 1 oktober 2025 verstreken en had zij een opzegtermijn in acht moeten nemen van één maand. Volgens [eiseres] is de arbeidsovereenkomst feitelijk pas op 5augustus 2025 aangevangen, want dat was haar eerste werkdag. Op die dag is de proeftijd dus pas aangevangen en daarom heeft [eiseres] binnen de proeftijd opgezegd, aldus [eiseres] .
De kantonrechter oordeelt hierover als volgt. De stelling dat 5 augustus 2025 haar eerste werkdag was heeft [gedaagde] onvoldoende gemotiveerd weersproken. Daarmee is de stelling van [eiseres] dat haar eerste werkdag 5 augustus 2025 was komen vast te staan. Volgens vaste rechtspraak vangt de proeftijd aan op de eerste werkdag en dat betekent dat de opzegging van [eiseres] binnen de proeftijd is gedaan en dat de arbeidsovereenkomst op 1 oktober 2025 rechtsgeldig is geëindigd.
[gedaagde] moet de reiskostenvergoeding betalen
In de zowel door [gedaagde] als [eiseres] overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomsten is een bepaling opgenomen dat [eiseres] een kilometervergoeding zou ontvangen van € 0,23 per kilometer voor woon-werkverkeer. De stelling van [gedaagde] dat partijen zijn overeengekomen dat slechts een enkele reis zou worden vergoed, volgt niet uit die stukken. Dat betekent dat [eiseres] zowel voor de heen- als de terugreis recht heeft op een reiskostenvergoeding van € 0,23 per kilometer. [gedaagde] heeft de totaal door [eiseres] gestelde gereden kilometers van 4.096 totaal niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 632,08 netto zal dus worden toegewezen.
[gedaagde] moet de wettelijke verhoging betalen
[gedaagde] is te laat met het betalen van het loon over de maand september en de vakantietoeslag. Dat betekent dat zij eveneens de maximale wettelijke verhoging van 50% verschuldigd is. De kantonrechter ziet geen aanleiding om de wettelijke verhoging te matigen. Ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat zij een gedeelte van het loon nog moet betalen aan [eiseres] , maar uit de stukken blijkt dat [gedaagde] de betaling afhankelijk heeft gesteld van het ondertekenen van [eiseres] van een nieuwe schriftelijke arbeidsovereenkomst. Dat is in strijd met goed werkgeverschap. Hierna zal per post beoordeeld worden welke wettelijke verhoging toewijsbaar is. De gevorderde wettelijke verhoging over de reiskosten wordt afgewezen, omdat de reiskostenvergoeding niet kwalificeert als loon.
Toewijsbare hoofdsom
Het voorgaande betekent dat [eiseres] over de periode van 1 augustus 2025 tot 1 oktober 2025 recht heeft op loon op basis van 40 uur per week te vermeerderen met 8% vakantietoeslag. In de door [eiseres] in de dagvaarding opgestelde opsomming van haar vordering worden bruto en nettobedragen bij elkaar opgeteld. De kantonrechter begrijpt de opsomming van [eiseres] zo dat zij uitgaat van een bruto maandloon van € 2.880,-- nu zij in haar opsomming in randnummer 31 van de dagvaardingaansluiting aansluiting zoekt bij het nettoloon dat op de loonstrook van augustus 2025 staat. Het brutoloon van € 2.880,-- is door [gedaagde] niet betwist. Van het netto-equivalent van € 2.880,-- moet het betaalde voorschot van € 800,-- netto worden afgetrokken. Het resterende bedrag is toewijsbaar. Nu het nog te betalen loon over de maand september 2025 te laat betaald is, is eveneens de wettelijke verhoging verschuldigd. De wettelijke verhoging is verschuldigd over het brutoloon en de kantonrechter heeft onvoldoende informatie om vast te kunnen stellen welk brutobedrag [gedaagde] nog moet betalen aan [eiseres] . De wettelijke verhoging zal dan ook worden toegewezen zoals in het dictum is bepaald. Uitgaande van een salaris van € 2.880,- bruto per maand bedraagt de vakantietoeslag over de maanden augustus en september 2025 € 460,80 bruto. Ook daarover is de wettelijke verhoging van 50% verschuldigd, nu deze niet binnen een maand na het einde van de arbeidsovereenkomst is betaald.
De ingehouden € 288,-- bruto is eveneens toewijsbaar, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%. Volgens [eiseres] heeft zij zich in augustus twee dagen ziekgemeld en [gedaagde] heeft onvoldoende gemotiveerd onderbouwd waarom zij een bedrag van € 288,-- bruto mocht inhouden op het loon van [eiseres] .
De reiskostenvergoeding van € 632,08 netto is hiervoor al toegewezen. De wettelijke verhoging daarover wordt afgewezen, omdat deze vergoeding niet kwalificeert als loon.
Buitengerechtelijke incassokosten
[eiseres] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [eiseres] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [eiseres] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. Daarom zal een bedrag van € 318,58 worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke incassokosten zal worden toegewezen.
De gevorderde verklaring voor recht wordt afgewezen
[eiseres] vordert een verklaring voor recht dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig door haar is ontbonden. Deze verklaring is niet toewijsbaar, omdat geen sprake is van ontbinding maar van opzegging.
[gedaagde] moet de proceskosten betalen
[gedaagde] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
157,50
- griffierecht
€
265,00
- salaris gemachtigde
€
576,00
(2 punten × € 288,00)
- nakosten
€
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
1.142,50
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5 De beslissing
De kantonrechter
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen het netto-equivalent van € 2.880,-- bruto voor loon over de maand september 2025, te verminderen met het al betaalde bedrag van € 800,-- netto,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van 50% wettelijke verhoging over het onder 5.1. genoemde nog te betalen bedrag,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de reiskostenvergoeding van € 632,08 netto,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de vakantietoeslag van € 460,80 bruto en een bedrag van € 288,-- bruto, beide bedragen te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50%,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de onder 5.1., 5.3., 5.4. toegewezen bedragen, vanaf de datum van verzuim tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 318,58 aan buitengerechtelijke kosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW, vanaf de dag van dagvaarding, tot de dag van volledige betaling,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.142,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026.