RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351880 / JE RK 26-1585
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
Beschikking machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming & Jeugdreclassering,
de gecertificeerde instelling,
hierna te noemen: de GI,
gevestigd te Amsterdam,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2020 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2021 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
advocaat: mr. M. Mulderij-Anker,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter heeft op 29 september 2026 in deze zaak een beschikking gegeven, waarbij een spoedmachtiging is verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van twee weken tot 13 oktober 2026. De beslissing op het verzoek is voor het overige door de kinderrechter aangehouden.
De kinderrechter heeft vervolgens kennisgenomen van het plan van aanpak van de GI, ontvangen op 1 oktober 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vader,
- de moeder met haar advocaat,
- [naam 1] en [naam 2] namens de GI.
De kinderrechter heeft aan [naam 3], de begeleider van de vader vanuit Humanitas, bijzondere toegang verleend.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 december 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld van de GI tot 16 december 2026.
3. Het aangehouden verzoek
Er dient nog beslist te worden op het aangehouden deel van het verzoek van de GI tot het verlenen van een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van een jaar. De kinderrechter begrijpt het verzoek aldus dat de GI vraagt om de machtiging tot uithuisplaatsing te verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling. De GI handhaaft het verzoek.
4. De standpunten
De vader herkent zich niet in de zorgen van de GI. De vader heeft liever dat de kinderen bij hem thuis komen wonen en is het niet eens met de uithuisplaatsing. Hij kan de kinderen liefde en aandacht geven.
De moeder is het niet eens met de spoedmachtiging en de verzochte uithuisplaatsing van de kinderen. De moeder doet haar best en doet alles voor de kinderen. Zij doucht hen iedere dag, maakt ontbijt voor hen klaar en legt hun kleding klaar. Ook ruimt zij steeds de wagen op en maakt zij schoon. Dat wordt niet gezien. Wat de kinderen vertellen over het kijken naar horrorfilmpjes, de ruzies, pistolen, messen en dat zij geslagen worden klopt niet. Het klopt ook niet dat de wagen rommelig en onveilig is. Er ligt soms alleen wat speelgoed. De kinderen zitten niet onder de vlooienbeten. De moeder geeft de katten vlooientabletten. Zij herkent de zorgen die de GI heeft niet. Een uithuisplaatsing is heel ingrijpend. De moeder wil de kinderen graag bij haar terug hebben. Zij begrijpt dat zij daarvoor in goed contact moet zijn met de GI, maar daarvoor moet de GI wel bij haar niveau aansluiten en dat is nu niet het geval. Omdat de moeder het structureel niet eens is met de GI kan een andere GI helpend zijn. De moeder verzoekt de machtiging tot uithuisplaatsing daarom af te wijzen zodat de kinderen terug naar huis komen.
5. De verdere beoordeling
Op basis van de stukken en de zitting is de kinderrechter van oordeel dat de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] noodzakelijk is in het belang van de verzorging en opvoeding.
Omdat het opvoedklimaat van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onveilig en onhygiënisch was, er grote twijfels waren over de emotionele beschikbaarheid van de moeder en er sprake was van onrust en spanningen, heeft de kinderrechter een spoedmachtiging verleend tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van twee weken.
De zorgen zijn na de spoeduithuisplaatsing bevestigd. De kinderrechter heeft nog steeds grote en acute zorgen over het opgroeien van de kinderen bij de moeder. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een liefdevolle moeder die het beste voor hen wil, maar die het niet altijd lukt om voor hen te zorgen. De kinderen kunnen niet altijd op de emotionele en fysieke beschikbaarheid van hun moeder rekenen. Zij groeien op in een instabiele thuis- en opvoedsituatie die voor hen niet veilig is en die hen niet geeft wat zij nodig hebben. Er zijn zorgen over de hygiëne thuis en het gebrek aan basale zorg voor de kinderen. De kinderen zien er ongelukkig uit, hebben vaak honger en vragen veel om aandacht en eten bij anderen. Er wordt ook onvoldoende toezicht op ze gehouden door de moeder. De kinderen zien er ook onverzorgd uit, hebben heel vieze handjes, voetjes en tanden, ruiken niet fris, dragen vervuilde en te kleine kleding en zitten onder de vlooienbeten. De GI heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ook in deze toestand aangetroffen bij de spoeduithuisplaatsing. Ook is de wagen waarin de moeder samen met de kinderen woont erg vervuild. Het is niet schoon en het is erg rommelig en daardoor onveilig voor de kinderen. Daarbij doen zich escalaties en conflicten voor op het kamp die de thuissituatie van de kinderen voortdurend op scherp zet. Bij de politie zijn er verschillende meldingen binnengekomen. De kinderen zijn getuige geweest van huiselijk geweld. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben daarover ook zorgelijke uitspraken gedaan bij de GI en in het gezinshuis en voelen zich angstig. Zij vertellen dat iemand met een wapen op de deur geschoten had, waardoor de deur nu kapot is en dat de moeder veel ruzie maakt met haar huisvriend, met de stiefvader en met mensen uit haar netwerk. [minderjarige 1] heeft hierbij een mes en bloed gezien. Er zijn ook signalen dat de kinderen direct slachtoffer zijn van huiselijk geweld. Zij geven aan dat de moeder veel schreeuwt, hen slaat en dat zij hen aan de oren en haren trekt. [minderjarige 1] is ook gebeten in haar oor en vertelt dat de moeder dat gedaan heeft.
De opvoedondersteuning vanuit [instelling] heeft hier helaas in de afgelopen jaren geen verandering in kunnen brengen, omdat de hulp onvoldoende van de grond kwam. Hoewel de moeder en de stiefvader met behulp van Veilig Thuis kleine stappen gezet hadden door de woning op te knappen, zijn zij niet voldoende leerbaar en gemotiveerd gebleken om tot een wezenlijke verbetering van de situatie te komen. Zij lieten [instelling] niet voldoende toe en hebben de handvatten die zij kregen niet aangegrepen. De vader, de moeder en de stiefvader herkennen de zorgen ook niet. Het is zorgelijk dat zij de zorgen niet herkennen en deze bagatelliseren. Dit terwijl deze zorgen vanuit verschillende kanten worden geuit en worden bevestigd door neutrale en onafhankelijke instanties. De kinderrechter acht deze zorgen, ondanks de verklaring van de moeder, daarom voldoende aannemelijk. De moeder is het daarbij ook structureel niet eens met de GI. De kinderrechter gaat dan ook voorbij aan hetgeen door de advocaat van de moeder naar voren is gebracht, dat de huidige GI niet aansluit bij het niveau van de moeder. Er is geen garantie dat de moeder met een andere GI wel kan gaan samenwerken. Het is aan de moeder om, in het belang van de kinderen, open te staan voor de hulp en daarvan is nu niet gebleken. Zij zal zich anders moeten opstellen naar de GI en andere hulpverlening in plaats van alleen steeds de overduidelijke zorgen te ontkennen en tegen te spreken.
De kinderrechter is van oordeel dat de kinderen op dit moment niet bij de moeder kunnen wonen. Een plaatsing bij de vader is ook niet wenselijk, omdat de vader onvoldoende weerstand lijkt te kunnen bieden aan de moeder. Volgens de GI legt de vader zich er telkens bij neer dat de moeder de afspraken niet nakomt. Ook is er geen zicht op zijn opvoedvaardigheden. Om de zorgen over het veilig opgroeien van de kinderen weg te nemen, is het nodig dat zij kunnen opgroeien in een veilig, gestructureerd en stabiel opvoedklimaat. De huidige verblijfsplek kan hen dat wel bieden. De kinderrechter acht het daarom van belang dat dit verblijf voorlopig wordt voortgezet en wordt gewaarborgd met een machtiging van de kinderrechter.
De kinderrechter is gelet op het voorgaande van oordeel dat de beslissing in de beschikking van 29 september 2026 op goede gronden is genomen. De kinderrechter zal gezien het voorgaande ook de machtiging tot uithuisplaatsing verlenen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verleent een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling, zijnde tot 16 december 2026;
verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 door mr. M. van der Hoeven, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. S. Mahmoud als griffier, en op schrift gesteld op 22 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.