RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/351818 / JE RK 26-1574
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen de raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2012 in [geboorteplaats 1],
hierna te noemen [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2016 in [geboorteplaats 2],
hierna te noemen [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1],
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2],
en [minderjarige 1].
De kinderrechter merkt als informant aan:
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Overijssel, hierna te noemen de GI.
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 september 2026;
een e-mail van de vader, met bijlagen, van 5 oktober 2026.
De mondelinge behandeling met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
de moeder;
de vader;
[naam 1] namens de raad;
[naam 2] en [naam 3] namens de GI.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] naar hun mening gevraagd. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2].
[minderjarige 1] woont bij de vader.
[minderjarige 2] woont bij de moeder.
3. Het verzoek
De raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht te stellen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Voor de onderbouwing van zijn verzoek verwijst de raad naar de overgelegde stukken. Op de mondelinge behandeling heeft de raad verklaart dat het voor een positieve verandering in de situatie van de kinderen belangrijk is dat er wordt geluisterd en gehandeld naar de wensen van de kinderen.
4. De standpunten
De moeder denkt dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is. Hiermee kan beter worden bewaakt dat belangrijke hulp voor de kinderen doorgaat en dat de beslissingen in het belang van de kinderen worden genomen. De moeder benadrukt dat het proces waar de ouders in zitten al vijf jaar duurt en dat het niet lukt om binnen het vrijwillig kader hulpverlening te realiseren.
De vader stelt dat een ondertoezichtstelling alleen nuttig is als daar juiste doelen bij worden gesteld. Hij vindt het belangrijk dat de doelen die worden gesteld toetsbaar zijn en dat die zijn gebaseerd op een betrouwbare analyse van de werkelijke problemen. De vader vindt dat het niet mogelijk is om als ouders gezamenlijk keuzes te maken en te werken aan normale communicatie tussen beiden. Dat hebben de ouders al geprobeerd. Hij stelt dan ook dat de ouders niet moeten communiceren en dat zij een andere route moeten vinden. De vader wil niet voor de rest van zijn leven in een conflict zitten met de moeder. Hij wil dat er zo snel mogelijk contactherstel plaats vindt met [minderjarige 2].
[minderjarige 1] zou een jeugdbeschermer wel fijn vinden. Hij hoopt dat zijn ouders gaan leren om normaal met elkaar te praten.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] wordt ernstig bedreigd, omdat er strijd is tussen de ouders, [minderjarige 1] geen contact heeft met de moeder en [minderjarige 2] geen contact heeft met de vader, de kinderen last hebben van persoonlijke problematiek en de noodzakelijke hulpverlening nog niet is ingezet.
In de afgelopen periode is het de ouders niet gelukt om op een positieve manier contact te hebben over [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. De ouders hebben in het bijzijn van de kinderen ruzies gehad. Zij hebben beide zorgen over de opvoedsituatie bij de andere ouder. Hierdoor is er tussen hen sprake van strijd. Deze strijd heeft invloed op de kinderen. Zij merken dat de ouders zorgen hebben over de andere ouder. Dit terwijl de beide ouders belangrijk zijn voor de kinderen en de kinderen dus loyaal willen zijn aan de beide ouders. De strijd tussen de ouders zorgt voor een loyaliteitsconflict bij de kinderen. Zij hebben het gevoel dat ze moeten kiezen tussen de ouders. Dat is onder andere zichtbaar in het feit dat [minderjarige 1] geen, dan wel beperkt, contact heeft met de moeder en [minderjarige 2] geen contact heeft met de vader. Door het gebrek aan (regelmatig) contact met de andere ouder kunnen de kinderen geen hechte band opbouwen met deze ouder. Dat is lastig want de kinderen bestaan ook voor de helft uit deze ouder. Op dit moment is het voor de kinderen niet mogelijk om te ontdekken welke eigenschappen zij hebben van de andere ouder. Om de identiteitsontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] gezond te laten verlopen dient er dus weer (regelmatig) contact te zijn met de beide ouders. Dit contact moet wel passend en in het belang zijn van de kinderen. De GI zal hier de regie in nemen. Daarnaast is het noodzakelijk dat de ouders met hulpverlening gaan werken aan hun onderlinge verstandhouding en de strijd tussen beiden weghouden bij de kinderen.
Bij de beide kinderen is sprake van persoonlijke problematiek. De vader ziet kenmerken van Autisme Spectrum Stoornis bij [minderjarige 1]. Daarnaast heeft [minderjarige 1] in september 2025 gezegd dat hij dood wil en liet hij in 2024 gedragsproblemen zien. [minderjarige 1] heeft last van de stress in zijn omgeving. [minderjarige 2] heeft last van paniekaanvallen en woede-uitbarstingen. Daarnaast is zij suïcidaal en heeft zij zichzelf beschadigd. Om ervoor te zorgen dat de kinderen minder last hebben van hun problematiek is het noodzakelijk dat er hulpverlening in wordt gezet.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de vader wisselend is in het verlenen van toestemming voor de inzet van hulpverlening waardoor dit niet of nauwelijks tot stand komt. Daarnaast lukt het de ouders niet om samen in het belang van de kinderen te overleggen en tot gezamenlijke afspraken te komen.
In de aankomende periode zal binnen de ondertoezichtstelling worden gewerkt aan de volgende doelen:
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben onbelast en onbezorgd contact met hun beide ouders en met elkaar;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] worden niet belast met de zorgen en angsten van de volwassenen om hen heen;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ervaren rust, regelmaat en stabiliteit in beide opvoedingsomgevingen;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ouders die hun onderlinge strijd als ex-partners kunnen loslaten en zich richten op hun rol van ouder en opvoeder van [minderjarige 1] en [minderjarige 2];
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ouders die kunnen communiceren, overleggen en samen belangrijke beslissingen over hen nemen;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ouders die kunnen aansluiten bij hun ontwikkeling en waardoor zij zich gehoorde en gezien voelen;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een vader die zijn emoties kan reguleren en emotioneel beschikbaar voor hen is en hen niet met zijn emoties belast en hiervoor passende bij zijn persoonlijke problematiek hulpverlening aangaat;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben een moeder die balans ervaart in haar draagkracht/draaglast;
- [minderjarige 1] en [minderjarige 2] hebben ouders die meewerken aan hulpverlening gericht op hun opvoedingsvaardigheden.
De kinderrechter merkt op dat de jeugdbeschermer de regie zal nemen over de situatie rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2]. Echter is de medewerking van de ouders noodzakelijk om de hiervoor genoemde doelen te behalen. De kinderrechter is van oordeel dat deze doelen toetsbaar zijn en gebaseerd zijn op een betrouwbare analyse van de werkelijke problematiek. De kinderrechter verwacht dan ook dat de ouders de verantwoordelijkheid hiervoor zullen nemen. Daarbij is het belangrijk dat de ouders hun volle aandacht richten op de kinderen en hun tijd daarin besteden. De vader heeft meerdere malen zijn ontevredenheid geuit over het proces rondom de ondertoezichtstelling en het verleden. Voor het belang van de kinderen is het noodzakelijk dat hij zijn blik gaat richten op de toekomst en ervoor probeert te zorgen dat de kinderen zich weer goed gaan ontwikkelen.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming Overijssel met ingang van 7 oktober 2026 tot 7 oktober 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 door mr. H.T. Pos, kinderrechter, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier, en op schrift gesteld op 21 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.