RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/350867 / JE RK 26-1372
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2010 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
en [minderjarige].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2026;
een bericht van de GI van 29 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de GI.
De vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de mondelinge behandeling.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met het zaaknummer C/08/351871 JE RK 26/1375.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een gezinshuis.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 oktober 2026. De kinderrechter heeft bij deze beschikking ook een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte accommodatie verleend tot 18 oktober 2025.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
4. De standpunten
De moeder is niet verschenen op de mondelinge behandeling. Uit de stukken blijkt dat ze het eens is met de verzoeken. Dit brengt rust en zorgt ervoor dat eventuele lastige gesprekken met familieleden goed kunnen worden gevoerd.
De vader is niet verschenen op de mondelinge behandeling. Hij heeft zijn standpunt niet op een andere wijze naar voren gebracht.
[minderjarige] wil graag dat de verzoeken worden toegewezen. De betrokkenheid van de jeugdbeschermer geeft hem rust. De jeugdbeschermer kan hem helpen als hij niet weet hoe hij iets tegen zijn ouders wil zeggen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat hij nog last heeft van zijn persoonlijke problematiek, de ouders persoonlijke problematiek hebben en er nog gewerkt moet worden aan een plan voor [minderjarige] ’s meerderjarigheid.
[minderjarige] heeft Gilles de la Tourette. Wanneer de spanning oploopt laat hij dit zien via lichamelijke signalen. Hij heeft dan meer tics, nekklachten en problemen met zijn emotieregulatie. Daarnaast heeft [minderjarige] autisme en ADHD. [minderjarige] vindt het lastig om zijn eigen grenzen aan te geven en cijfert zichzelf structureel weg ten gunste van anderen. Zo ook in de relatie met zijn ouders. [minderjarige] voelt zich verantwoordelijk voor hun gevoelens. In de afgelopen periode is psycho-educatie en cognitieve gedragstherapie ingezet. Daarnaast is [minderjarige] ’s medicatie afgebouwd. Op dit moment is er nog hulpverlening betrokken vanuit Triade Vitree. Deze hulpverlening lijkt op dit moment nog steeds noodzakelijk om ervoor te zorgen dat [minderjarige] zich in de toekomst gezond gaat ontwikkelen.
Bij de ouders is ook sprake van persoonlijke problematiek. Zo heeft de moeder een pervasieve ontwikkelingsstoornis in de richting van autisme. Daarnaast laat zij trekken zien van een vermijdende en borderline persoonlijkheidsstoornis. De vader heeft kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis ‘low level’ care met een zwakke agressieregulatie, impulscontrole en een vermoeden van aandachtstekort met hyperactiviteit. Hierdoor zijn de ouders minder in staat om [minderjarige] te ondersteunen in persoonlijke problematiek en op een passende wijze bij hem aan te sluiten.
De hulpverlening die [minderjarige] op dit moment ontvangt lijkt niet alleen op dit moment noodzakelijk te zijn, maar ook wanneer hij meerderjarig is. Het is dan ook belangrijk dat [minderjarige] ook wanneer hij meerderjarig is passende hulpverlening ontvangt. De regie van de jeugdbeschermer zal wegvallen wanneer [minderjarige] meerderjarig is. Daarom is het goed dat de jeugdbeschermer er nu al voor probeert te zorgen dat [minderjarige] passende hulpverlening heeft wanneer hij meerderjarig is. Dan is er op dat moment voldoende stabiliteit en continuïteit. Door de persoonlijke problematiek van de ouders zijn zij niet altijd in staat om de noodzakelijke hulpverlening te realiseren. De regie van de jeugdbeschermer blijft nu dus noodzakelijk.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat vanuit de gemeente onvoldoende regie wordt gevoerd terwijl dat in de complexe samenwerking tussen alle betrokkenen wel nodig is. Ondanks de betrokkenheid van de ouders zijn zij onvoldoende in staat om zelfstandig aan te sluiten bij wat [minderjarige] nodig heeft.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
Door de persoonlijke problematiek van [minderjarige] heeft hij ondersteuning nodig. Zoals hiervoor overwogen zijn de ouders door hun eigen problematiek niet altijd in staat om deze hulpverlening te bieden. Wanneer [minderjarige] op dit moment weer gaat wonen bij één van de ouders zou [minderjarige] zich dus niet goed gaan ontwikkelen. De kinderrechter is van oordeel dat dat niet in het belang van [minderjarige] is. In het gezinshuis in [plaats] krijgt [minderjarige] de noodzakelijke rust, voorspelbaarheid en behandeling. De kinderrechter is daarom van oordeel dat het op dit moment in [minderjarige] ’s belang is dat hij blijft wonen in het gezinhuis.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 oktober 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gezinsgerichte voorziening tot 18 oktober 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 door mr. H.T. Pos, kinderrechter, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier, en op schrift gesteld op 21 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.