RECHTBANK OVERIJSSEL
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Zwolle
Zaaknummer: C/08/350871 / JE RK 26-1375
Datum uitspraak: 7 oktober 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling en verlenging machtiging tot uithuisplaatsing
in de zaak van
de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Overijssel, gevestigd te Zwolle,
hierna te noemen de GI,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
[de vader] ,
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
en [minderjarige].
1. Het verloop van de procedure
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 20 augustus 2026;
een bericht van de GI, met bijlage, van 1 oktober 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 7 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
- [naam] namens de GI.
De vader en de moeder zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen op de mondelinge behandeling.
De zaak is gelijktijdig behandeld met de zaak met het zaaknummer C/08/350867 JE RK 26/1372.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] is niet verschenen op het geplande tijdstip.
2. De feiten
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] verblijft in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 16 oktober 2025 de ondertoezichtstelling van [minderjarige] verlengd tot 18 oktober 2026.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 7 april 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 oktober 2026.
3. Het verzoek
De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] te verlengen voor de duur van een jaar. Ook verzoekt de GI de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlengen voor de duur van de ondertoezichtstelling.
De GI verzoekt de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
Voor de onderbouwing van haar verzoek verwijst de GI naar de overgelegde stukken. Op de mondelinge behandeling heeft de GI toegelicht dat zij gaan kijken naar de mogelijkheid tot onbegeleid contact tussen [minderjarige] en zijn ouders. Daar lijkt op dit moment ruimte voor te zijn.
4. De standpunten
De moeder is niet verschenen op de mondelinge behandeling. Uit de stukken blijkt dat ze het niet eens is met de verzoeken.
De vader is niet verschenen op de mondelinge behandeling. De vader heeft zijn standpunt niet op een andere wijze naar voren gebracht. Uit de stukken blijkt dat de GI verwacht dat de vader geen bezwaar heeft tegen de verzoeken.
[minderjarige] is niet verschenen op het geplande tijdstip voor het gesprek met de kinderrechter. Uit de stukken blijkt dat hij het prima vindt als de verzoeken worden toegewezen. Hij begrijpt dat de GI het voor hem fijner vindt als hij bij [locatie] kan blijven wonen.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt nog steeds ernstig bedreigd, omdat [minderjarige] last heeft van persoonlijke problematiek en hij nog onvoldoende heeft geprofiteerd van de hulpverlening die daarvoor is ingezet. Daarnaast zijn de ouders pedagogisch onmachtig en onvoldoende leerbaar en is er nog onduidelijkheid voor [minderjarige] .
[minderjarige] sociaal-emotionele ontwikkeling loopt op dit moment achter. Hij laat hierdoor grensoverschrijdend gedrag zien en hij vindt het moeilijk om zijn emoties te delen en te uiten. [minderjarige] sluit zichzelf daarom op sommige momenten af. Door [minderjarige] achterstand op sociaal-emotioneel gebied is hij kwetsbaar en beïnvloedbaar. Daarin ligt een zorg voor de toekomst omdat er hierdoor een mogelijkheid is dat [minderjarige] door groepsdruk verkeerde dingen gaat doen. Er kan dan misbruik worden gemaakt van [minderjarige] . Het is dan ook goed dat [minderjarige] op dit moment PMT en psycho-educatie volgt vanuit Jeugd GGZ. Met deze behandelingen leert [minderjarige] meer over zichzelf en krijgt hij passende ondersteuning. Echter heeft [minderjarige] hier op dit moment nog onvoldoende van geprofiteerd. Het is dan ook noodzakelijk dat deze hulpverlening in de aankomende periode betrokken blijft.
Niet alleen bij [minderjarige] is sprake van persoonlijke problematiek, maar ook bij de ouders. De moeder heeft een pervasieve ontwikkelingsstoornis in de richting van autisme. Daarnaast laat zij trekken zien van een vermijdende en borderline persoonlijkheidsstoornis. De vader heeft kenmerken van een persoonlijkheidsstoornis ‘low level’ care met een zwakke agressieregulatie en impulscontrole. Bij hem is er een vermoeden van een aandachtstekort met hyperactiviteit. Door deze problematiek zijn de ouders minder in staat om [minderjarige] te ondersteunen in persoonlijke problematiek en op een passende wijze bij hem aan te sluiten.
[minderjarige] heeft op dit moment contact met zijn beide ouders. Bij de moeder zijn de omgangsmomenten op dit moment nog begeleid, maar er wordt onderzocht hoe deze begeleiding kan worden afgeschaald. Bij de vader is de begeleiding tijdens de omgangsmomenten met [minderjarige] afgeschaald, maar de omgangsmomenten zijn nog niet bij de vader thuis. In het contact tussen [minderjarige] en zijn ouders zijn dus nog stappen te zetten. De kinderrechter is van oordeel dat de regie van de jeugdbeschermer hierin noodzakelijk blijft. Dat geldt overigens niet alleen voor het contact tussen [minderjarige] en zijn ouders, maar ook voor de hulpverlening voor [minderjarige] problematiek en zijn perspectief.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening, omdat de ouders onvoldoende in staat zijn om emotioneel aan te sluiten bij de ontwikkelingsbehoefte van [minderjarige] . Daarnaast blijft de regie van de GI noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de onduidelijkheid bij [minderjarige] weg wordt genomen.
Ook is de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder voor de duur van de ondertoezichtstelling noodzakelijk in het belang van de verzorging en opvoeding.
Met de persoonlijke problematiek van [minderjarige] is het noodzakelijk dat hij te allen tijde de ondersteuning krijgt die hij nodig heeft. Zoals hiervoor overwogen zijn de ouders niet in staat om [minderjarige] dit te allen tijde te bieden. Een verblijf van [minderjarige] bij één van de ouders is daarom op dit moment niet in [minderjarige] belang. Op dit moment verblijft [minderjarige] bij de Zorgboerderij [locatie]. Hier krijgt hij de ondersteuning die voor hem noodzakelijk is. Het is belangrijk dat de GI in de aankomende periode onderzoeken gaat wat het perspectief van [minderjarige] moet zijn. Wanneer hier duidelijkheid over is, zal [minderjarige] minder onzekerheid ervaren. Hij komt dan meer toe aan zijn ontwikkeling.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] tot 18 oktober 2027;
verlengt de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 18 oktober 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 7 oktober 2026 door mr. H.T. Pos, kinderrechter, in aanwezigheid van M.E. Sijnstra als griffier, en op schrift gesteld op 21 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.