RECHTBANK OVERIJSSEL
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Enschede
Zaaknummer: 12258049 \ CV EXPL 26-1797
Vonnis van 15 september 2026
in de zaak van
de vennootschap onder firma
[eiseres] ,
te [vestigingsplaats],
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres],
gemachtigde: A. Postema,
tegen
[gedaagde] , handelend onder de naam [bedrijf],
te [woonplaats],
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde],
procederend in persoon.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding- de conclusie van antwoord- de conclusie van repliek.
[gedaagde] heeft hierna, hoewel daartoe wel behoorlijk in de gelegenheid gesteld, niet meer gereageerd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil
Wat vordert [eiseres]?
[eiseres] stelt dat binnen de verkoopruimte van [eiseres] een overeenkomst tussen partijen tot stand is gekomen tot het huren van een hoogwerker, inclusief brandstof en levering op de door [gedaagde] gewenste locatie. [eiseres] heeft hiervoor een factuur voor een bedrag van € 610,12 aan [gedaagde] gestuurd. [gedaagde] heeft deze factuur niet voldaan. Omdat de betaling van deze factuur ondanks aanmaningen uitbleef, is [eiseres] deze procedure gestart. [eiseres] vordert, naast betaling van de openstaande factuur ook betaling van de proceskosten.
Wat vindt [gedaagde]?
[gedaagde] voert verweer. Volgens [gedaagde] heeft hij de hoogwerker niet besteld, dat heeft de hoofdaannemer KBN Kozijnen gedaan. [gedaagde] heeft de hoogwerker alleen in ontvangst genomen en heeft toen op verzoek van de medewerker van [eiseres] zijn gegevens doorgegeven. Vervolgens heeft [gedaagde] ook de factuur ontvangen, die hij op zijn beurt heeft doorgestuurd naar KBN Kozijnen. KBN Kozijnen heeft [gedaagde] aangegeven dat zij de factuur wel willen betalen, maar dan moet de factuur wel op naam van KBN Kozijnen worden gezet. Ondanks diverse verzoeken van [gedaagde] heeft [eiseres] dit niet gedaan.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
3. De beoordeling
Het meest vergaande verweer van [gedaagde] is dat hij de hoogwerker niet heeft besteld. [gedaagde] stelt dus dat hij geen overeenkomst met [eiseres] is aangegaan, maar dat hij slechts ter plekke (op de bouwplaats), bij afwezigheid van de hoofdaannemer, de hoogwerker in ontvangst heeft genomen en toen op verzoek zijn contactgegevens heeft doorgegeven.
[eiseres] heeft ter weerlegging van dit verweer alleen gesteld dat omstreeks
9 april 2025 tussen partijen (volgens de dagvaarding binnen de verkoopruimte van [eiseres]) een overeenkomst tot stand is gekomen en dat [gedaagde], voorafgaand aan de overeenkomst, contact heeft opgenomen en zijn contact- en factuurgegevens aan [eiseres] heeft verstrekt. Tevens heeft [eiseres] gesteld dat zij aan [gedaagde] vooraf een duidelijke opgave heeft verstrekt van de verbonden kosten. Geen enkele van deze stellingen heeft [eiseres] onderbouwd met stukken.
[eiseres] heeft in randnummer 9 van de dagvaarding gesteld dat gedaagde partij de vordering op geen enkele wijze heeft bestreden. Uit productie 3 van de dagvaarding blijkt wat anders. Uit deze productie blijkt dat [gedaagde] al voor 23 oktober 2025 bezwaar tegen de onderhavige factuur heeft gemaakt. [eiseres] had dit bezwaar (op grond van artikel 111 lid 3 Rv) in de dagvaarding al onderbouwd moeten weerleggen.
[eiseres] heeft zowel bij dagvaarding als na het verweer van [gedaagde] geen afschrift van de (ondertekende) overeenkomst overgelegd of andere stukken in het geding gebracht waaruit blijkt dat er tussen partijen een geldige overeenkomst tot stand is gekomen. [eiseres] heeft slechts de factuur van 12 april 2025 overgelegd die door [gedaagde] al voor dagvaarding is betwist (productie 3 dagvaarding). De kantonrechter is daarom van oordeel dat [eiseres] haar vordering onvoldoende heeft onderbouwd. De vordering zal daarom worden afgewezen.
[eiseres] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De proceskosten voor [gedaagde] worden begroot op € 50,00 wegens reis- en verletkosten.
4. De beslissing
De kantonrechter
wijst de vordering af;
veroordeelt [eiseres] in de kosten van de procedure, tot op vandaag aan de kant van [gedaagde] begroot op € 50,00, te betalen binnen veertien dagen na dit vonnis, te vermeerderen met de kosten van betekening, indien [eiseres] niet binnen genoemde termijn betaalt en vervolgens betekening van het vonnis plaatsvindt.
verklaart dit vonnis ten aanzien van de proceskosten uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.M. Marsman en in het openbaar uitgesproken op 15 september 2026. (PHR)