ECLI:NL:RBOVE:2026:6311

ECLI:NL:RBOVE:2026:6311

Instantie Rechtbank Overijssel
Datum uitspraak 06-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer C/08/349437 / FA RK 26-1627
Rechtsgebied Civiel recht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Almelo

Samenvatting

Tijdelijk verbod tot contact afgewezen wegens niet voldoen aan ontzeggingsgronden. Vastlegging dat zorg- en contactregeling niet langer geldt.

Uitspraak

RECHTBANK OVERIJSSEL

locatie Almelo

team familie- en jeugdrecht

zaaknummer: C/08/349437 / FA RK 26-1627

beschikking van 6 oktober 2026

inzake

[de moeder] ,

verder te noemen: de moeder,

wonende te [woonplaats 1] ,

verzoekster,

advocaat: mr. L.L. van Dijk,

en

[de vader] ,

verder te noemen: de vader,

wonende te [woonplaats 2] ,

belanghebbende,

zonder advocaat.

1. Het procesverloop

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende stukken:

- het verzoekschrift, met bijlagen, binnengekomen op 3 juli 2026;

- de op 28 augustus 2026 ontvangen brief van [minderjarige], waarin zij haar mening over het verzoek kenbaar heeft gemaakt;

- een op 8 september 2026 ontvangen bericht van mr. Van Dijk.

De kinderrechter heeft op 14 september 2026 met [minderjarige] gesproken.

De mondelinge behandeling heeft op 15 september 2026 plaatsgevonden.

Verschenen zijn:- de moeder, bijgestaan door haar advocaat,

- de vader, - [medewerker Raad voor de Kinderbescherming], namens de Raad voor de Kinderbescherming, verder te noemen: de raad.

2. De feiten

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie met elkaar gehad, uit welke relatie is geboren het navolgende minderjarige kind:

[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2012, hierna te noemen [minderjarige].

[minderjarige] is door de vader erkend. De vader en de moeder oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] en zij heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Bij beschikking van 20 november 2015 heeft deze rechtbank inzake het recht

van de minderjarige op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders de navolgende regeling getroffen:

- [minderjarige] verblijft in de even weken op vrijdag van 8.30 uur tot 19.00 uur bij vader en in de oneven weken van vrijdag 8.30 uur tot zondag 19.00 uur;

- wanneer [minderjarige] naar school gaat vangt de omgang op vrijdag na schooltijd aan.

Bij beschikking van 18 augustus 2016 heeft het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, locatie Arnhem, de beschikking van deze rechtbank van 20 november 2015 vernietigd en het convenant/ouderschapsplan van 15 februari 2016 gewijzigd/aangepast, voor zover de beschikking en het convenant/ouderschapsplan betrekking hebben op verdeling van de zorg- en opvoedingstaken, en heeft deze taken tussen de moeder en de vader opnieuw verdeeld, in die zin dat [minderjarige] bij de vader verblijft:

- in de even weken van vrijdag uit school, of indien de vrijdag een vrije (studie) dag is van 8:30 uur tot 19:00 uur;

- in de oneven weken van vrijdag uit school, of indien de vrijdag een vrije (studie)dag is van 8:30 uur, tot maandag naar school, of indien de maandag een vrije (studie)dag is tot 8:30 uur;

- vanaf de zomervakantie 2017 zal [minderjarige] tweemaal een week bij de vader verblijven en alle andere vakanties zullen vanaf heden tussen partijen bij helfte worden verdeeld aansluitend aan de omgangsweekenden.

Bij beschikking van 15 juni 2018 heeft deze rechtbank voorts, voor zover thans van belang inzake het recht van de minderjarige op een gelijkwaardige verzorging en opvoeding door beide ouders, de navolgende regeling getroffen voor de zomervakanties:

- in dit jaar (2018) de tweede en derde week van de zomervakantie;

- in 2019 de vierde en vijfde week van de zomervakantie,

- in 2020 de tweede en derde week van de zomervakantie,

- in 2021 de vierde en vijfde week van de zomervakantie,

- in 2022 de tweede en derde week van de zomervakantie,

aldus ieder even jaar de tweede en derde week en ieder oneven jaar de vierde en vijfde week.

Daarnaast is in de beschikking opgenomen de inhoud van het schrijven van de moeder, waarvan een afschrift aan de beschikking is gehecht.

3. Het verzoek

De moeder verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en kosten rechtens:

I. te bepalen dat de in de bij beschikking van 18 augustus 2016 overeengekomen

zorg- en contactregeling wordt gewijzigd, in die zin dat aan de vader omgang

met de minderjarige [minderjarige] (voor onbepaalde tijd) wordt ontzegd, danwel een

beslissing te nemen die uw rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

II. te bepalen dat aan de man een tijdelijk verbod tot contact met de minderjarige

[minderjarige] wordt opgelegd, danwel een beslissing te nemen die uw rechtbank in

goede justitie vermeent te behoren;

III. te bepalen dat, indien uw rechtbank hetgeen onder I en II zal toewijzen, de

overeengekomen en bij beschikking d.d. 15 juni 2018 vastgelegde

vakantieverdeling wordt opgeschort, danwel een beslissing te nemen die uw

rechtbank in goede justitie vermeent te behoren.

De moeder legt aan haar verzoek het volgende ten grondslag. Sinds 15 maart 2026 is de situatie zodanig gewijzigd dat [minderjarige] niet meer bij haar vader wil verblijven en sinds dat moment daar ook niet meer verblijft. Er heeft zich op die dag een voorval voorgedaan, waarna [minderjarige] de moeder in de ochtend een bericht heeft gestuurd met het verzoek om haar op te halen bij de vader. De moeder maakt zich grote zorgen over de veiligheid en het welzijn van [minderjarige] bij de vader. Er zijn inmiddels ook meldingen bij de politie en Veilig Thuis Twente. De moeder is gelet op de gebeurtenissen van mening dat aan de vader een tijdelijk verbod dient te worden opgelegd om contact op te nemen met [minderjarige]. Moeder is verder van mening dat het recht op omgang van vader dient te worden ontzegd omdat omgang op dit moment ernstig nadeel oplevert voor de geestelijke ontwikkeling van [minderjarige]. Zij gaat ernstig gebukt onder de situatie en voelt zich onveilig bij de vader. Ook is zij telkens bang dat vader plotseling verschijnt bij de woning van de moeder en/of haar school, waardoor zij in haar dagelijkse activiteiten wordt beperkt. De moeder is van mening dat de vader (momenteel) kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang met [minderjarige] gelet op de enorme uitbarstingen die hebben plaatsgevonden waarbij hij zich uiterst agressief en dreigend heeft opgesteld jegens [minderjarige]. Ook heeft [minderjarige] zelf aangegeven dat zij ernstig bezwaar heeft tegen omgang met de vader. Tot slot acht de moeder omgang anderszins in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige]. In plaats van dat [minderjarige] kan genieten van haar jeugd door met vriendinnen af te spreken en leuke activiteiten te ondernemen, wordt zij dagelijks geconfronteerd met hevige angst omdat zij bang is dat zij de vader onverwachts tegen zal komen en/of omdat zij bang is dat hij haar zal opzoeken en/of contact zal opnemen en zich opnieuw dreigend en agressief jegens haar zal opstellen.

4. Het standpunt van de vader

Kort weergegeven zou de vader weer willen dat er contact is tussen hem en [minderjarige], maar hij weet niet hoe hij dit voor elkaar moet krijgen. Volgens de vader klopt het dat er een incident is geweest, maar hij is het er niet mee eens dat er nu helemaal geen contact is. Hij heeft de situatie met [minderjarige] willen oplossen, maar heeft hier voor zijn gevoel geen eerlijke kans meer voor gekregen. Hij kan zich dan ook niet vinden in de verzoeken van de moeder.

5. Het advies van de raad

De raad kan zich voorstellen dat [minderjarige] kan schrikken van het (verbale) gedrag van de vader. De raad acht het in het belang van [minderjarige] dat zij zich veilig voelt bij de vader. De raad adviseert de ouders om hulp in te schakelen via de gemeente binnen het vrijwillig kader. Deze hulpverlening heeft echter alleen kans van slagen als de vader inzicht gaat geven in zijn hulpverleningsgeschiedenis en gaat werken aan zijn eigen problematiek. Gelet op eerdere raadsrapporten waar de raad over beschikt ten behoeve van de andere kinderen van de vader, betwijfelt de raad of er voldoende vertrouwen is. Aan de andere kant staat in het raadsrapport van destijds ook beschreven dat [minderjarige] en de moeder zich positief hebben uitgelaten over de vader. Het verbaast de raad dat de situatie daarna ineens zo is geëscaleerd. In ieder geval is het de vader die aan zet is. Als hij weer contact met [minderjarige] wil, zal hij wat de raad betreft mee moeten werken aan de nodige hulpverlening. In ieder geval moet het tempo van [minderjarige] gevolgd worden.

6. De beoordeling

Het wettelijk kader

De ouders hebben samen het gezag. Op grond van artikel 1:253a van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter op verzoek van de ouders of een van hen een regeling vaststellen inzake de uitoefening van het ouderlijk gezag. Deze regeling kan omvatten:

a. een toedeling aan ieder der ouders van de zorg- en opvoedingstaken, alsmede met overeenkomstige toepassing van artikel 1:377a, derde lid, een tijdelijk verbod aan een ouder om met het kind contact te hebben; (…)

Op grond van artikel 1:377a lid 3 BW wordt het recht op omgang slechts ontzegd

indien:

a. omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind, of

b. de ouder kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang, of

c. het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder heeft doen blijken, of

d. omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.

De inhoudelijke beoordeling

De rechtbank overweegt als volgt. Omdat de ouders beide het gezag hebben, spreekt

de wet niet van ontzeggen maar van een verbod tot het hebben van contact (zie art. 1:253a

lid 2 onder a BW). De ontzeggingsgronden van artikel 1:377a lid 3 BW gelden in dit geval

ook voor ouders met gezamenlijk gezag.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting is besproken is naar het oordeel van de

rechtbank niet gebleken van een situatie dat aan een van de ontzeggingsgronden is voldaan.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om vast te leggen dat er geen zorg- en contactregeling

tussen de vader en [minderjarige] zal gelden. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe deze beslissing

tot stand is gekomen.

Het opleggen van een (tijdelijk) verbod tot contact tussen een kind en een ouder is

een erg vergaande maatregel die enkel in uitzonderlijke situaties kan worden opgelegd. De

vader en [minderjarige] hebben meer dan 10 jaar een contactregeling met elkaar gehad. Daaruit leidt

de rechtbank af dat de vader lange tijd wel (redelijk) in staat geweest om de

contactmomenten tussen hem en [minderjarige] vorm te geven. Sinds maart 2026 is er geen contact

meer tussen de vader en [minderjarige]. Naar aanleiding van een incident heeft de moeder [minderjarige] bij de

vader opgehaald en zij is sindsdien niet meer naar de vader gegaan. De vader heeft ter zitting

benoemd dat hij [minderjarige] na het voorval nog geappt heeft omdat hij graag met haar wilde praten

over wat er gebeurd is. Daar stemde [minderjarige] eerst mee in, maar vervolgens is het niet meer tot

een contactmoment gekomen. Een maand later is de vader bij het huis van de moeder en

[minderjarige] geweest, waarbij er een voorval met de spullen van [minderjarige] is geweest. Daarop zijn de

politie en Veilig Thuis ook ingeschakeld en sindsdien zijn er veiligheidsafspraken gemaakt.

De moeder heeft ter zitting gesteld dat zij geen contact meer heeft gehad met de vader na de

incidenten, nu haar dit werd afgeraden.

[minderjarige] is in het gesprek met de kinderrechter heel duidelijk geweest in haar mening dat zij haar vader niet meer wil zien. Volgens haar is haar vader wel aardig en zijn er ook fijne momenten met haar vader, maar kan hij ook snel ontploffen als iets niet mee zit en wordt hij heel boos. Hij wil dan ook uit woede dingen kapot maken. [minderjarige] is daardoor ook banger geworden voor haar vader. De rechtbank stelt vast dat er, mede gelet op de leeftijd van [minderjarige], op dit moment geen basis is voor een contactregeling met haar vader.

De rechtbank moet bepalen welke juridische gevolgen deze vaststelling heeft.

Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van redenen die maken dat een van de ontzeggingsgronden aan de orde is, en dus een tijdelijk verbod op het contact tussen [minderjarige] en haar vader zou moeten worden opgelegd. Als er wel contact is, is dat niet in strijd met de zwaarwegende belangen van [minderjarige]. Ook is niet gebleken dat contact ernstig nadeel oplevert voor haar geestelijke of lichamelijke ontwikkeling of dat de vader ongeschikt is om contact te hebben. Een tijdelijk verbod zou betekenen dat de deur naar iedere vorm van (herstel van) contact dichtgaat en ook voor een langere tijd op slot wordt gedraaid. Dit doet geen recht aan het feit dat de vader lang in [minderjarige]’s leven betrokken is geweest en er ook lange tijd op redelijke wijze contact is geweest.

Hoewel er dus geen aanleiding wordt gezien om geen (tijdelijk) verbod tot contact op

te leggen nu aan de gronden hiervoor niet wordt voldaan, ziet de rechtbank ook geen ruimte

om te (blijven) bepalen dat er contact moet plaatsvinden tussen de vader en [minderjarige]. Als geen

tijdelijk verbod wordt opgelegd, blijft immers de oude contactregeling gelden, maar de

uitvoering van die regeling wordt niet in het belang van [minderjarige] geacht. Gelet op de

gebeurtenissen in het voorjaar, de forse reacties van de vader en de spanning die dit alles

heeft opgeroepen bij [minderjarige] is het voortduren van de huidige regeling bij deze stand van zaken

geen optie. De weerstand is nu te groot bij [minderjarige] en het afdwingen van contact zal eerder

averechts werken dan positief uitpakken. Door de vader is niet herkend en erkend dat hij de

grenzen van [minderjarige], die haar kennelijk teveel waren geweest, heeft overschreden.

Dat betekent dat de rechtbank, hoewel er geen verbod tot contact komt, wel zal

bepalen dat er geen zorg- en contactregeling zal gelden tussen de vader en [minderjarige] en dus de

eerdere beslissing van het Gerechtshof alsmede de beslissing van de rechtbank zal wijzigen.

Daarmee legt de rechtbank de nieuwe situatie vast zoals die feitelijk sinds maart 2026 is.

Dat de ruimte voor contact tussen de vader en [minderjarige] er op dit moment

weliswaar niet is, neemt niet weg dat contact in de nabije toekomst wel weer in het belang van [minderjarige] kan zijn. Voor een mogelijk contactherstel tussen de vader en [minderjarige] is een absoluut vereiste dat de vader eerst aan zijn eigen problematiek gaat werken. Daarbij kan de reclassering die binnenkort start de vader mogelijk ook helpen. Het is belangrijk dat de vader beseft dat hij zijn krediet bij [minderjarige] heeft verspeeld. Dat de vader niet doorheeft hoe zijn gedrag kan overkomen is juist een punt waar hij aan zal moeten gaan werken. Wellicht kan [minderjarige] dan op enig moment ook weer openstaan voor contact met haar vader. Het is aan de vader om [minderjarige] de ruimte te geven die zij nodig heeft, ook als dat voor hem moeilijk is.

De proceskosten

Omdat de vader en de moeder een relatie hebben gehad en de procedure de uit die relatie geboren minderjarige betreft, zal de rechtbank bepalen dat elk van de ouders de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De rechtbank:

wijzigt de beschikking van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van

18 augustus 2016 en de beschikking van deze rechtbank van 15 juni 2018 en stelt vast dat er geen zorg- en contactregeling tussen [minderjarige] en de vader geldt;

compenseert de kosten van deze procedure in die zin dat iedere ouder de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. J.L. Souman, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken op 6 oktober 2026 in tegenwoordigheid van mr. S. ten Thije - Blokvoort, griffier.

Een afschrift van deze beschikking wordt gezonden aan de raad voor de kinderbescherming en de in deze beschikking vermelde gegevens worden door de raad opgenomen in zijn registratie.

Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden:

door verzoeker en door degene(n) aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden: binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;

door andere belanghebbenden: binnen drie maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. S. ten Thije - Blokvoort

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand