RECHTBANK OVERIJSSEL
locatie Almelo
team familie- en jeugdrecht
zaaknummer: C/08/351645 / ES RK 26-2967
beschikking van 19 oktober 2026
in de zaak van
[de vrouw] ,
verder te noemen: de vrouw,
wonende te [woonplaats 1],
advocaat: mr. I. Mercanoglu,
en
[de man] ,
verder te noemen: de man,
wonende te [woonplaats 2],
advocaat: mr. J.F.I. Sahebdien.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
- het verzoekschrift (met bijlagen), binnengekomen op 20 september 2026;
- het verweerschrift (met bijlagen) met een zelfstandig verzoek, binnengekomen op
8 oktober 2026;
- het verweerschrift met bijlagen op het zelfstandig verzoek, binnengekomen op
12 oktober 2026;
- de brief van mr. Sahebdien (met bijlagen), binnengekomen op 12 oktober 2026;
- de brief van mr. Mercanoglu (met bijlagen), binnengekomen op 12 oktober 2026.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling met gesloten
deuren op 13 oktober 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
- de man, bijgestaan door zijn advocaat;
- [naam], namens de Raad voor de Kinderbescherming, hierna te noemen: de raad.
2. De feiten
Partijen zijn op 06 juni 2023 te Winterswijk met elkaar gehuwd.
Partijen zijn ouders van het navolgende minderjarige kind:
[minderjarige] , geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2024.
3. Het verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank bij beschikking, als voorlopige voorziening:
kinderopvangkosten, te bepalen dat de man aan de vrouw een voorlopige bijdrage in
haar levensonderhoud van € 748,- bruto per maand zal voldoen;
h) te bepalen dat de bijdragen ingaan op de datum van indiening van dit verzoekschrift,
althans op de datum van de beschikking, dan wel op een door de rechtbank in goede
justitie te bepalen datum, en telkens bij vooruitbetaling dienen te worden voldaan;
i. i) althans zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als de rechtbank in het belang van [minderjarige] en met het oog op de omstandigheden van partijen juist acht.
4. Het verweer met een zelfstandig verzoek
De man verzoekt de rechtbank bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
Ten aanzien van de verzoeken van de vrouw:
1. het verzoek van de vrouw onder a) bepaling van toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw, toe te wijzen;
2. de overige verzoeken van de vrouw onder b) tot en met i) af te wijzen;
Zelfstandige verzoeken van de man:
3. te bepalen dat een voorlopige zorgregeling tussen [minderjarige] en de man wordt vastgesteld waarbij [minderjarige] iedere dinsdag na de peuterspeelzaal tot 18.00 uur bij de man verblijft alsmede iedere zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur;
4. te bepalen dat de man voor de duur van het geding bij uitsluiting gerechtigd is tot het gebruik van de echtelijke woning aan de [adres], met bevel aan de vrouw de woning niet meer te betreden;
5. voor het geval een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en/of in het levensonderhoud van de vrouw wordt vastgesteld, te bepalen dat deze ingaat op de datum van de te geven beschikking.
5. Het verweer op het zelfstandig verzoek
De vrouw verzoekt de rechtbank, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
a. a) de voorlopige toevertrouwing van [minderjarige] aan de vrouw vast te stellen, overeenkomstig het verzoek van de vrouw en de instemming van de man;
b) het zelfstandige verzoek van de man tot vaststelling van een vaste zorgregeling iedere dinsdag na de peuterspeelzaal tot 18.00 uur en iedere zondag van 10.00 tot 18.00 uur af te wijzen, althans een regeling vast te stellen overeenkomstig het voorstel van de vrouw;
c) het zelfstandige verzoek van de man tot uitsluitend gebruik van de echtelijke woning af te wijzen en te bepalen dat de vrouw voor de duur van het geding bij uitsluiting
gerechtigd is tot het gebruik van de woning met de tot het dagelijks gebruik behorende inboedel, en de man te bevelen de woning te verlaten en niet opnieuw te betreden;
d) de verzoeken van de vrouw over kinder- en partneralimentatie toe te wijzen
overeenkomstig het verzoekschrift, waarbij de gestelde inkomensvermindering per 1 oktober 2026 buiten beschouwing blijft;
e) het zelfstandige verzoek van de man om eventuele bijdragen pas vanaf de datum van de beschikking te laten ingaan, af te wijzen en de bijdragen te laten ingaan op de datum van indiening van het verzoekschrift van de vrouw, althans op een door de rechtbank in goede justitie te bepalen datum;
f) althans zodanige voorlopige voorzieningen te treffen als de rechtbank in het belang van [minderjarige] en met het oog op de omstandigheden van partijen juist acht.
6. De beoordeling
De voorlopige toevertrouwing
De rechtbank vertrouwt [minderjarige] toe aan de vrouw. Dat betekent dat zij de (dagelijkse) zorg over [minderjarige] krijgt. De rechtbank neemt deze beslissing omdat de ouders het hierover eens zijn en dit in het belang van [minderjarige] is.
De zorgregeling
Daarnaast stelt de rechtbank een zorgregeling vast tussen de man en [minderjarige], die inhoudt dat [minderjarige] op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur en op maandag na de peuterspeelzaal tot 18.00 uur bij haar vader verblijft. De ouders hebben hierover overeenstemming bereikt.
De echtelijke woning
De vrouw stelt dat zij belang heeft bij het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning. Op dit moment woont de vrouw met [minderjarige] bij haar moeder in [plaats 1] nadat zij de echtelijke woning door spanningen heeft moeten verlaten. De huidige situatie beheerst het dagelijkse leven van de vrouw zo dat zij nauwelijks aan herstel en haar opleiding toekomt. De vrouw ervaart ook dat [minderjarige] haar vertrouwde thuisomgeving mist en dit ook dagelijks kenbaar maakt. De huidige verblijfssituatie bij de moeder van de vrouw is slechts van tijdelijke aard en niet geschikt als leefsituatie voor [minderjarige]. [minderjarige] beschikt daar niet over haar eigen vertrouwde slaapplaats en slaapt noodgedwongen in een campingbedje. Daartegenover staat dat de man feitelijk nauwelijks gebruik maakt van de echtelijke woning. Het gezamenlijk gebruik van de woning zal de spanningen eerder vergroten dan verminderen. Volgens de vrouw heeft de man de mogelijkheid om bij zijn moeder of bij zijn broer of bij zijn vader te verblijven. Terugkeer naar de echtelijke woning zal de reistijd van de vrouw en [minderjarige] dagelijks verkorten. [minderjarige] is onrustig en ze eet slecht. Daarnaast heeft zij woedeaanvallen en ze wordt ’s nachts schreeuwend wakker. Bij het afscheid nemen van de vrouw raakt [minderjarige] in paniek. De vrouw krijgt in [plaats 2] ondersteuning van maatschappelijk werk en zij heeft vanwege [minderjarige]’s gedragsveranderingen aanvullende begeleiding aangevraagd. De vrouw maakt zich zorgen over [minderjarige]’s emotionele veiligheid en de gevolgen van de plotselinge verandering. De vrouw heeft geen contact met haar vader. De man heeft een goed contact met zijn schoonvader. De vrouw kan de woonlasten tijdens de procedure betalen. Ook zij overweegt serieus de woning over te nemen met een financiële ondersteuning van haar moeder. Mocht de vrouw uiteindelijk naar een andere woning verhuizen, dan kan [minderjarige] tot die tijd met haar moeder in haar vertrouwde woning blijven. Vanuit die situatie verhuizen zij vervolgens naar een passende nieuwe woning. Een mogelijke latere verhuizing rechtvaardigt daarom niet dat [minderjarige] in de tussentijd in de tijdelijke woonsituatie bij oma moet blijven. De vrouw stelt dat van de man verwacht mag worden dat hij concreet onderzoekt waar hij tijdelijk kan verblijven. Dat hij naar eigen zeggen niet bij familie terechtkan, betekent niet dat ook andere mogelijkheden, zoals tijdelijke kamerhuur, ontbreken.
De man stelt dat de vrouw uit eigen beweging de woning op 12 september 2026 met [minderjarige] heeft verlaten. Sindsdien verblijft de vrouw met [minderjarige] bij haar moeder en woont de man in de woning. Een voorlopige voorziening is een ordemaatregel en dient bij deze bestaande situatie aan te sluiten. De man heeft geen andere woonruimte terwijl de vrouw wel over alternatieve woonruimte beschikt. De man kan niet bij zijn moeder verblijven omdat zij kampt met gezondheidsproblemen. Ook zijn broer, met wie hij geen contact heeft, en vader hebben geen ruimte om hem voor de duur van de procedure op te vangen. Verder heeft de man naar andere woonruimte gezocht maar zonder resultaat. Als de man de woning moet verlaten, heeft hij geen onderdak. De man betwist dat hij nauwelijks gebruikmaakt van de woning. De vrouw is niet in staat om de lasten van de woning alleen te dragen. De man is niet in staat om de lasten van de echtelijke woning en alternatieve woonruimte te bekostigen. De man wenst de woning uiteindelijk over te nemen. De vrouw is daartoe niet in staat. Verder raakt de onzekerheid over zijn woonsituatie zijn belastbaarheid. Naar de inschatting van de werkgever zal het verlies van de woning, zonder dat de man over een vaste woonplek beschikt, zijn stabiliteit en daarmee zijn functioneren nadelig beïnvloeden. Het belang van [minderjarige] pleit volgens de man voor afwijzing van het verzoek van de vrouw. [minderjarige] is twee jaar oud. Op die leeftijd is voor een kind vooral de nabijheid van de vertrouwde verzorger bepalend, en veel minder de woning zelf. De man stemt in met de voorlopige toevertrouwing aan de vrouw, zodat die continuïteit is gewaarborgd. Bij toewijzing zou [minderjarige] eerst terugverhuizen en de woning na de verdeling opnieuw moeten verlaten. Het is in haar belang dat de vrouw vanuit haar huidige verblijfplaats naar definitieve woonruimte zoekt, zodat [minderjarige] nog slechts één keer hoeft te verhuizen. Dat [minderjarige] nu in een campingbedje slaapt is eenvoudig op te lossen: de man stelt haar bed, speelgoed en overige spullen op eerste verzoek aan de vrouw ter beschikking.
Volgens de raad dient er voor een kindje van twee jaar oud zoveel mogelijk sprake te zijn van rust, duidelijkheid en structuur. Voor [minderjarige] is het beste dat zij in de echtelijke woning verblijft, dicht bij de peuterspeelzaal. Voor [minderjarige] is het fijnst dat zij haar eigen slaapkamer en haar eigen speelgoed heeft. Voor [minderjarige] is de peuterspeelzaal belangrijk. Het is nog niet duidelijk of [minderjarige] over een jaar weer moet verhuizen. Hoe ouder een kindje is hoe meer een kindje aankan.
De rechtbank stelt vast dat beide partijen van mening zijn dat zij niet langer samen in de woning kunnen (blijven) wonen. De rechtbank weegt daarom de verschillende belangen van partijen bij het uitsluitend gebruik van de woning tegen elkaar af.
De rechtbank is van oordeel dat het belang van de vrouw om in de woning te blijven wonen zwaarder weegt dan het belang van de man. De rechtbank acht daarbij doorslaggevend dat [minderjarige] aan de vrouw wordt toevertrouwd en zij het grootste deel van de zorg van [minderjarige] voor haar rekening neemt. Het belang van [minderjarige] om in haar vertrouwde omgeving te blijven wonen dient te prevaleren boven het belang van de man. Als de vrouw met [minderjarige] in de echtelijke woning verblijft, is zij dicht bij de peuterspeelzaal en heeft zij aanzienlijk minder reistijd dan nu het geval is. De rechtbank is van oordeel dat van de vrouw niet verlangd kan worden dat [minderjarige] en zij bij haar vader in [plaats 3] gaan wonen, mede gelet op de reistijd en het feit dat zij geen contact meer heeft met haar vader. De rechtbank begrijpt dat het voor de man lastig is om vervangende woonruimte te vinden, mede gelet op het feit dat het naar zijn zeggen voor hem niet mogelijk is om tijdelijk bij zijn familie te verblijven. Dat deze situatie voor stress bij de man zorgt en mogelijk doorwerkt in zijn werk is voorstelbaar maar kan geen reden zijn om het uitsluitend gebruik aan de man toe te kennen. Ook het standpunt van de man dat hij in de bodemprocedure de echtelijke woning wenst over te nemen en daardoor nu belang heeft bij het uitsluitend gebruik, is geen reden om het verzoek van de man toe te wijzen. Het gaat hier om een voorlopige maatregel tot gebruik en bewoning van de echtelijke woning. Een dergelijke voorziening kan de rechtbank geven wanneer de situatie van partijen zodanig is dat zij niet langer samen in de woning kunnen verblijven. Dat [minderjarige] mogelijk nog een keer extra zal moeten verhuizen, kan ook niet doorslaggevend zijn. De verdeling van de woning zal pas in de bodemprocedure aan de orde komen en op deze onzekere uitkomst kan in deze voorlopig voorziening nog niet worden vooruitgelopen.
Op grond van het vorenstaande beslist de rechtbank dat alleen de vrouw de woning mag gebruiken. Dat betekent dat de man de woning moet verlaten en zonder toestemming van de vrouw niet meer mag binnenkomen. De rechtbank acht het redelijk om de man enige tijd te gunnen om zijn verblijf elders te regelen, mede gelet op de huidige woningmarkt. Daarom zal de rechtbank bepalen dat de vrouw vanaf 1 december 2026 het uitsluitend gebruik wordt toegekend. De vrouw heeft naar voren gebracht dat zij in staat is de lasten van de echtelijke woning te voldoen. De rechtbank gaat ervan uit dat de vrouw dit dan ook zal doen zodat de man de financiële ruimte heeft om andere woonruimte te huren.
Nu onder het uitsluitend gebruik van de echtelijke woning, gelet op vaste jurisprudentie, mede wordt verstaan het gebruik van de bij die woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken, acht de rechtbank het verzoek van de vrouw hieromtrent overbodig, zodat zij dit deel van het verzoek zal afwijzen.
De kinderalimentatie
De behoefte van [minderjarige]
Partijen zijn het er over eens dat de behoefte van [minderjarige] € 985,- per maand bedraagt. De vrouw stelt dat deze behoefte verhoogd dient te worden met de netto kinderopvangkosten van
€ 299,50 per maand. De vrouw stelt dat zij studeert en binnenkort haar werk zal hervatten. De kinderopvang is noodzakelijk om haar studie te kunnen volgen en haar werk te kunnen verrichten. Het Rapport Alimentatienormen biedt ruimte om netto-opvangkosten aanvullend mee te wegen als deze niet door lagere uitgaven op andere posten kunnen worden opgevangen.
De man verzet zich daartegen. Volgens het Rapport alimentatienormen leiden kosten
van kinderopvang in de regel niet tot hogere totale kosten van een kind, omdat ouders deze kosten plegen te compenseren door lagere uitgaven op andere posten. Voor een verhoging van de behoefte is alleen plaats indien de kosten zo hoog zijn dat compensatie niet mogelijk is. Dat is volgens de man hier niet het geval. De netto kosten van kinderopvang voor [minderjarige] bedragen € 299,50 per maand en zijn daarmee niet uitzonderlijk hoog. De vrouw heeft ook niet gesteld, laat staan onderbouwd, dat deze kosten niet uit het tabelbedrag kunnen worden voldaan.
De vrouw heeft tijdens de mondelinge behandeling aangegeven dat deze kosten betrekking hebben op de peuterspeelzaal van [minderjarige] en dat die gemaakt worden sinds [minderjarige] 2,5 jaar is. De rechtbank zal deze kosten niet meenemen nu de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd dat deze kosten uitzonderlijk hoog zijn dat deze niet gecompenseerd kunnen worden door lagere uitgaven op andere posten zoals in het Rapport Alimentatienormen is opgenomen. Dat de vrouw na de scheiding geconfronteerd wordt met deze opvangkosten zal de rechtbank verder beoordelen bij het bepalen van de draagkracht van de vrouw.
De draagkracht van de man
Voor het bepalen van de draagkracht kijkt de rechtbank allereerst naar het inkomen van de man. Partijen verschillen van mening over de hoogte van het inkomen van de man. De vrouw stelt dat van het hogere inkomen van de man uitgegaan dient te worden, zoals opgenomen op de werkgeversverklaring van september 2026. De vrouw stelt dat de man bewust zijn inkomen heeft verlaagd. Ook stelt de vrouw dat de man in een WhatsApp bericht heeft aangegeven dat hij meer zal gaan verdienen en dat er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies.
De man is van mening dat met zijn lagere inkomen vanaf oktober 2026 gerekend dient te worden. Hij stelt dat hij van mei 2026 tot en met september 2026 tijdelijk een waarnemingstoelage heeft ontvangen. Van het inkomen vanaf oktober 2026 heeft de man een werkgeversverklaring overgelegd alsmede een mail van zijn werkgever en een addendum bij zijn arbeidsovereenkomst.
Op grond van de overgelegde stukken gaat de rechtbank in het kader van deze procedure uit van de door de man overgelegde werkgeversverklaring met zijn inkomen vanaf
1 oktober 2026 nu een salarisstrook nog niet voorhanden is. In het kader van de bodemzaak kan aan de hand van de dan beschikbare salarisstroken beoordeeld worden wat het exacte inkomen van de man is. Deze procedure leent zich niet voor de beoordeling van de vraag of er sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. De man ontvangt een bruto-inkomen van
€ 5.430,- per maand, te vermeerderen met vakantietoeslag, eindejaarsuitkering en diverse toeslagen zoals blijkt uit de bijgevoegde berekening. Rekening houden met de pensioenpremie en de heffingskortingen heeft de man een netto-inkomen van € 4.276,- per maand.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van [minderjarige]. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. Dat komt hier neer op (30% van € 4.276 =) € 1.283,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met een minimumbedrag voor overige vaste lasten van € 1.365,- per maand. Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft dan een bedrag van (4.276 -/- 1.283 -/- 1.365=) € 1.628,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 1.140,- per maand.
De draagkracht van de vrouw
Ook bij de draagkracht van de vrouw kijkt de rechtbank allereerst naar haar inkomen. Voor dat inkomen gaat de rechtbank uit van de loonstrook van augustus 2026, waarin een inkomen van € 3.512,- bruto per maand staat genoemd. Partijen verschillen van mening over het Keuzebudget waar de vrouw recht op heeft. De rechtbank gaat er in het kader van deze voorlopige voorziening van uit dat het recht op Keuzebudget bij haar inkomen van € 3.512,- is inbegrepen. In de bodemzaak kan door de vrouw nadere informatie hierover in het geding worden gebracht. De rechtbank heeft berekend dat dit € 3.405,- netto per maand is, rekening houdend met de (pensioen)premies, de heffingskortingen en haar recht op kindgebonden budget en alleenstaande ouderkop.
De rechtbank begrijpt de stelling van de vrouw aldus dat zij verzoekt om de opvangkosten van [minderjarige] van € 299,50 per maand als extra last mee te nemen in de draagkrachtformule omdat zij genoodzaakt is deze kosten te voldoen. Omdat de vrouw het grootste deel van de zorg van [minderjarige] voor haar rekening neemt en rekening houdend met haar werk en studie, is de rechtbank van oordeel dat het redelijk is om deze kosten mee te nemen.
Op grond van de hiervoor vermelde ‘draagkrachtformule’ blijft dan een bedrag van (3.405 -/- 1.022 -/- 1.365 -/- 300=) € 718,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie. Dat komt neer op een bedrag van € 503,- per maand.
De verdeling van de kosten
Zoals hiervoor is berekend, heeft de man een draagkracht van € 1.140,- per maand en de vrouw een draagkracht van € 503,- per maand. Samen hebben ze dus een draagkracht van € 1.643,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, die namelijk € 985,- per maand zijn. Dit betekent dat de man een deel van (1.140/1.643 x 985 =) € 683,- per maand moet dragen. De vrouw moet een deel van (503/1.643 x 985 =) € 302,- per maand dragen.
Zorgkorting
Partijen zijn het er over eens om uit te gaan van een zorgkorting van 15% van de behoefte, zijnde € 148,- per maand. Dat betekent dat de man een bedrag van (683 -/- 148 =) € 535,- per maand moet betalen.
De partneralimentatie
De huwelijksgerelateerde behoefte
Voor de berekening van de huwelijksgerelateerde behoefte gaat de rechtbank uit van het inkomen van de man in 2025 van € 57.496,-, zoals blijkt uit de aangifte inkomstenbelasting. De rechtbank vindt het niet redelijk om uit te gaan van het tijdelijke hogere inkomen vanaf mei 2026 nu dit per oktober 2026 niet meer geldt. Van het inkomen vanaf januari 2026 tot mei 2026 is geen informatie bekend zodat de rechtbank aansluit bij het jaarinkomen van 2025. Het netto-inkomen van de man bedroeg in 2025 € 3.571,- per maand. Het netto-inkomen van de vrouw bedroeg € 3.154,- gebaseerd op een jaarinkomen in 2025 van € 41.901,-.
Van het gezinsinkomen van € 6.725,- (3.571 + 3.154) worden de kosten van [minderjarige] van € 985,- afgetrokken zodat een bedrag van € 5.740,- resteert. Van dat inkomen heeft de vrouw 60% nodig, zijnde € 3.444,- netto per maand.
De behoeftigheid
Vervolgens onderzoekt de rechtbank of de vrouw redelijkerwijs in staat is om zelf dat bedrag (€ 3.444 netto per maand) te verdienen. Bij het inkomen van de vrouw telt de rechtbank daarbij het kindgebonden budget niet mee, omdat dat budget is bedoeld voor [minderjarige] en niet voor de vrouw zelf. De rechtbank houdt daarnaast geen rekening met het aandeel van de vrouw in de kosten van [minderjarige], omdat het aandeel volledig kan worden betaald uit het kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop waarop zij aanspraak kan maken.
Als de vrouw niet in staat is om zelf het bedrag van de huwelijksgerelateerde behoefte te verdienen, dan is zij ‘behoeftig’. Alleen in dat geval kan de vrouw om partneralimentatie verzoeken. Het netto-inkomen van de vrouw na aftrek van het kindgebonden budget bedraagt
€ 2.957,-. Dat is minder dan haar huwelijksgerelateerde behoefte van € 3.444,-. De vrouw heeft behoefte aan een bijdrage van de man van € 487,- netto per maand, zijnde € 950,- bruto per maand.
De draagkracht van de man
Zoals de rechtbank hiervoor bij de kinderalimentatie heeft berekend, heeft de man een netto-inkomen van € 4.276,- per maand. Op grond van de draagkrachtformule blijft een draagkracht over van € 1.628,- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor partneralimentatie, zijnde € 977,- per maand. Hierop brengt de rechtbank de kosten van de man voor [minderjarige] van € 684,- in mindering zodat een bedrag van € 293,- netto per maand overblijft. Als de man partneralimentatie betaalt, dan mag hij de betaalde partneralimentatie als aftrekpost opvoeren in de belastingaangifte. Daardoor betaalt hij minder belasting. Door dat belastingvoordeel kan de man meer partneralimentatie betalen. De rechtbank telt daarom dat belastingvoordeel op bij de draagkracht. Daarmee komt de draagkracht van de man dan op een bedrag van € 469,- bruto per maand.
De ingangsdatum
Partijen verschillen van mening over de ingangsdatum. De vrouw verzoekt de bijdragen in te laten gaan op datum indiening verzoekschrift, 20 september 2026. De man verzoekt de bijdragen in te laten gaan op de datum van deze beschikking. Hij stelt sinds het vertrek van de vrouw uit de woning op 12 september 2026 alle lasten van de gezamenlijke woning te dragen. Bovendien heeft de vrouw bij haar moeder geen woonlasten.
De rechtbank is van oordeel dat het in deze zaak redelijk is om de ingangsdatum te bepalen op datum van deze beschikking mede gelet op de recente datum van indiening van het verzoek.
Conclusie
De rechtbank zal voorlopig bepalen dat de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] € 535,- per maand en € 469,- als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen.
7. De beslissing voor de duur van de echtscheidingsprocedure
De rechtbank:
vertrouwt [minderjarige] toe aan de vrouw;
bepaalt dat vrouw is gerechtigd tot het uitsluitend gebruik van de woning aan de [adres] in [plaats 2], met bevel dat de man die woning met ingang van
1 december 2026 moet verlaten en deze verder niet mag betreden;
stelt een zorgregeling vast tussen man en [minderjarige], die inhoudt dat [minderjarige] op zondag van 10.00 uur tot 18.00 uur en op maandag na de peuterspeelzaal tot 18.00 uur bij haar vader verblijft;
beslist dat de man vanaf vandaag voorlopig een bedrag van € 535,- (vijfhonderdenvijfendertig euro) per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige];
beslist dat de man vanaf vandaag voorlopig een bedrag van € 469,- (vierhonderdnegenzestig euro) bruto per maand moet betalen aan de vrouw, als bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud;
beslist dat de man vanaf vandaag deze kinder- en partneralimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;
wijst de verzoeken van partijen voor het overige af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.M.B. Elferink, (kinder)rechter, en in het openbaar uitgesproken op 19 oktober 2026 in tegenwoordigheid van mr. A.C.M. Heerdink, griffier.
De rechtbank stuurt een afschrift van deze beschikking naar de Raad voor de Kinderbescherming. De raad neemt de gegevens uit deze beschikking op in zijn registratie.
Partij
[de man]
Zaak
[de man] / [de vrouw]
Berekening
draagkracht kal en pal
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
15-10-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
65.160
44
Vakantietoeslag
€
5.271
46b
Inkomsten uit overwerk waarover vakantietoeslag wordt berekend in post 44
€
731
48
Belaste gratificaties, tantièmes, eindejaarsuitkering
€
5.841
49b
Overige bruto arbeidsinkomsten
€
3.718
Bruto inkomsten
€
80.721
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
€
6.156
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
74.565
59
Inkomsten
€
74.565
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
74.565
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
74.565
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.900
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
€
13.402
95
Inkomensheffing box 1
€
27.302
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
74.565
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
27.302
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
4.046
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
23.256
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
51.309
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
247
jaar
Arbeidskorting
€
3.799
jaar
120
Besteedbaar inkomen
€
51.309
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
51.309
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
4.276
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
51.309
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
4.276
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
4.276
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123a
Woonbudget
€
1.283
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
€
2.648
136a
Draagkrachtruimte
€
1.628
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
€
1.140
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
1.140
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
€
4.276
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123b
Woonbudget
€
1.283
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
2.648
136b
Draagkrachtruimte
€
1.628
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
1.628
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
€
977
140
Beschikbaar
€
977
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
684
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
684
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
293
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
293
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
469
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 3.516 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
€
74.565
jaar
In de schijf van 37,56% valt € 3.516, € 3.516 x ( 100 / (100 - 37,56)) =
€
5.631
jaar
In de schijf van 35,75% valt € 0, € 0 x ( 100 / (100 - 35,75)) =
€
0
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
€
5.631
jaar
Of per maand
€
469
maand
Partij
[de vrouw]
Zaak
[de man] / [de vrouw]
Berekening
draagkracht kal en pal
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
15-10-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon (41-50)
41
Bruto arbeidsinkomen uit dienstbetrekking
€
42.144
Bruto inkomsten
€
42.144
Premies (51-59)
Pensioenpremie
51
Ingehouden pensioenpremie
-
€
4.296
54
Loon voor de premies werknemersverzekeringen
€
37.848
59
Inkomsten
€
37.848
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
37.848
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
37.848
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.530
95
Inkomensheffing box 1
€
13.530
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
37.848
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
13.530
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
11.163
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
2.367
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
35.481
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
2.596
jaar
Arbeidskorting
€
5.535
jaar
Combinatiekorting
€
3.032
jaar
Bij: Kindgebonden budget
€
5.380
120
Besteedbaar inkomen
€
40.861
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
40.861
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
3.405
120b
Af: correctie kindgebonden budget
-
€
5.380
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per jaar)
€
35.481
120b
Netto besteedbaar inkomen t.b.v. partneralimentatie (per maand)
€
2.957
Draagkracht tbv kinderalimentatie
Draagkracht tbv kinderalimentatie
120a
Netto besteedbaar inkomen tbv kinderalimentatie
€
3.405
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122a
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123a
Woonbudget
€
1.022
134a
Extra lasten opnemen
€
300
135a
Draagkrachtloos inkomen tbv kinderalimentatie
€
2.687
136a
Draagkrachtruimte
€
718
137a
Draagkrachtpercentage
%
70
Beschikbaar
€
503
140a
Draagkracht tbv kinderalimentatie
€
503
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
Draagkrachtruimte tbv partneralimentatie
120b
Netto besteedbaar inkomen tbv partneralimentatie
€
2.957
Draagkracht wordt berekend op basis van
Formule
122b
Kosten van levensonderhoud
€
1.365
123b
Woonbudget
€
887
134b
Extra lasten opnemen
€
300
135b
Draagkrachtloos inkomen tbv partneralimentatie
€
2.552
136b
Draagkrachtruimte
€
405
Draagkracht tbv partneralimentatie
136b
Draagkrachtruimte
€
405
137b
Draagkrachtpercentage
%
60
Draagkracht tbv partneralimentatie
€
243
140
Beschikbaar
€
243
Partneralimentatie (141-144)
141
Bijdrage in de kosten van kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
301
Bijdrage in de kosten van kinderen uit andere relatie
-
€
0
Totale bijdrage in de kosten van de kinderen (inclusief zorgkorting)
-
€
301
142
Fiscaal voordeel aftrek buitengewone uitgaven kinderen
€
0
Berekende ruimte voor partneralimentatie
€
-58
143
Resteert voor partneralimentatie vóór berekening belastingvoordeel
€
0
144
Resultaat van brutering van 143 volgens de methode Buijs (bruto partneralimentatie)
€
0
Specificaties voor post: 144
Het beschikbare nettobedrag voor partneralimentatie van € 0 per jaar wordt gebruteerd in Box 1 bij een belastbaar inkomen van:
€
37.848
jaar
Het resultaat van de brutering is per jaar
€
0
jaar
Of per maand
€
0
maand
Bruto aanvullende behoefte
Netto Behoefte
Netto behoefte
€
3.444
#
Indexeren
nee
Berekening Bruto aanvullende Behoefte
Netto behoefte aan inkomen
€
3.444
Eigen netto inkomsten (+ aanv. verdiencapaciteit)
€
2.957
Post 141 Bijdrage in de kosten van de kinderen
€
301
Af: Post 119a kindgebonden budget
-
€
448
Restant:
€
-147
Partij
[de man]
Zaak
[de man] / [de vrouw]
Berekening
behoefte
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
15-10-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
€
57.496
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
€
57.496
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
57.496
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
57.496
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.900
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
€
6.991
95
Inkomensheffing box 1
€
20.891
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
57.496
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
20.891
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
6.250
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
14.641
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
42.855
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
1.339
jaar
Arbeidskorting
€
4.911
jaar
120
Besteedbaar inkomen
€
42.855
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
42.855
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
3.571
Partij
[de vrouw]
Zaak
[de man] / [de vrouw]
Berekening
behoefte
Tarieven
2026-2
Datum uitdraai
15-10-2026
Box 1 Inkomen uit werk en woning
Loon volgens jaaropgaaf
(60)
60
Loon volgens jaaropgaaf
€
41.901
Op het bruto loon ingehouden
59
Inkomsten (transport)
€
41.901
Belastbaar loon (61-64)
64
Belastbaar loon
€
41.901
Heffing box 1 (94-95)
94
Belastbaar inkomen uit werk en woning
€
41.901
- Schijf 1, 35,75% (17,85%) over € 0 t/m € 38.882 (€ 41.123)
€
13.900
- Schijf 2, 37,56% over € 38.883 (€ 41.124) t/m € 78.426
€
1.133
95
Inkomensheffing box 1
€
15.033
Besteedbaar inkomen (113-120)
113
Inkomen voor aftrek inkomensheffing
€
41.901
114
Inkomensheffing box 1, inkomstenbelasting box 2 en 3
€
15.033
115/116
Heffingskorting en standaard heffingskorting
-
€
10.983
117
Verschuldigde inkomensheffing
-
€
4.050
Inkomen na aftrek inkomensheffing
€
37.851
Specificaties voor post: 115/116
Algemene Heffingskorting
€
2.337
jaar
Arbeidskorting
€
5.614
jaar
Combinatiekorting
€
3.032
jaar
120
Besteedbaar inkomen
€
37.851
120a
Netto besteedbaar inkomen (per jaar)
€
37.851
120a
Netto besteedbaar inkomen (per maand)
€
3.154
NBGI voor scheiding
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
NBI voor scheiding [de man]
€
3.571
NBI voor scheiding [de vrouw]
€
3.154
Netto besteedbaar gezinsinkomen voor scheiding
€
6.725
Eigen aandeel kosten kinderen
Eigen aandeel kosten kinderen
Ouders hebben in gezinsverband geleefd
ja
NBGI voor scheiding
€
6.725
Tabel aantal kinderen
985
Eigen aandeel ouders in de kosten kinderen volgens tabel
€
1.998
#
Indexeren
nee
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
€
6.725
Af: kosten van de kinderen
-
€
985
Saldo
€
5.740
Netto behoefte obv 60%
€
3.444
Netto behoefte
€
3.444
#
Indexeren
nee
Behoefte obv 60% norm
Netto Behoefte
Netto gezinsinkomen
€
6.725
Af: kosten van de kinderen
-
€
985
Saldo
€
5.740
Netto behoefte obv 60%
€
3.444
Netto behoefte
€
3.444
#
Indexeren
nee
Kosten kinderen uit eigen inkomen
€
0
Zelf beschikbaar netto inkomen
-
€
2.957
Netto aanvullende behoefte
€
487
Bruto aanvullende behoefte
€
950