ECLI:NL:RBOBR:2026:7425

ECLI:NL:RBOBR:2026:7425

Instantie Rechtbank Oost-Brabant
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 19-10-2026
Zaaknummer 26/476
Rechtsgebied Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Hersteloperatie toeslagenaffaire. Verzoek om overname van geldschulden. Het beroep is ongegrond: er zijn onvoldoende gegevens over de schulden.

Uitspraak

RECHTBANK OOST-BRABANT

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

de minister van Financiën, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 26/476

(gemachtigde: mr. K.J.C. van Bekkum),

en

(gemachtigde: mr. V.N. Giang).

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de minister van de aanvraag om drie gestelde geldschulden van eiser over te nemen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de aanvraag terecht heeft afgewezen. Het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. Met het besluit van 22 augustus 2025 heeft Sociale Banken Nederland (SBN) namens de minister de aanvraag van eiser om overname van geldschulden op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht) deels afgewezen.

Met het besluit van 14 januari 2026 heeft de minister het door eiser tegen het besluit van 22 augustus 2025 ingestelde bezwaar ongegrond verklaard. Daarmee is de minister bij de (gedeeltelijke) afwijzing van de aanvraag gebleven.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 14 januari 2026 (het bestreden besluit).

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 11 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Feiten en omstandigheden

2. Eiser is gedupeerde van de toeslagenaffaire. Hij heeft in mei 2025 een aanvraag ingediend om schuldovername. Via het portaal van SBN, die namens de minister de schuldovernameregeling uitvoert, heeft eiser vier schulden opgegeven. Een schuld van € 5.603,09 bij [naam] Zorgverzekeraar N.V. (hierna: [naam] ), een schuld van € 1.700,- bij [naam] (hierna: [naam] ), een schuld van € 3.500,00 bij [naam] (hierna: [naam] ) en een schuld van € 315,28 bij Van [naam] Gerechtsdeurwaarders en Incasso (hierna: Van [naam] ).

3. SBN heeft in juni 2025 naar de verschillende schuldeisers verzoeken verstuurd om nadere informatie te verkrijgen over de door eiser gestelde schulden.

4. Met het besluit van 22 augustus 2025 heeft SBN de aanvraag voor zover het betreft de schuld bij [naam] ingewilligd, en voor het overige afgewezen. Wat betreft de schulden bij [naam] , [naam] en Van [naam] heeft SBN respectievelijk de codes 11, 12 en 5 vermeld. Gelet op de bijlage bij het besluit betekent dit dat de schuld bij [naam] (nog) niet wordt afbetaald, omdat de schuldeiser nog niet of niet volledig heeft gereageerd, dat de schuld bij [naam] niet wordt afbetaald omdat het een onderhandse lening en/of een privé-schuld betreft en dat de schuld bij Van [naam] niet wordt afbetaald omdat de schuld op andermans naam staat.

Het bestreden besluit

5. Verkort weergegeven is dit besluit als volgt gemotiveerd. De Wht stelt enkele voorwaarden voor schulden om overgenomen te kunnen worden: de schuld moet zijn ontstaan na 31 december 2005, de schuld was voor 1 juni 2021 opeisbaar en de schuld staat nog open op het moment waarop de aanvraag wordt gedaan. Enkel de opeisbare betalingsachterstanden op geldschulden worden overgenomen, niet de toekomstige betalingstermijnen. Wat betreft de schuld aan [naam] stelt de minister zich op het standpunt dat de schuldeiser geen schriftelijke reactie heeft gegeven en dat – ondanks een toezegging van de schuldeiser naar aanleiding van telefonisch contact – ook nadien geen reactie meer is gekomen van hem. Ook in de fase van bezwaar is de gevraagde informatie niet binnenkomen. Daarom vindt de minister dat hij over onvoldoende informatie beschikt om de gestelde schuld te kunnen beoordelen. Met betrekking tot de schuld bij [naam] is van belang dat uit de aangeleverde informatie niet blijkt wanneer het geldbedrag is verstrekt, onder welke voorwaarden dit is verstrekt en of het bedrag terugbetaald moest worden. Daarnaast is enkel een eigen verklaring van eiser ingeleverd, die ongedateerd en ongetekend is. Verder is wat betreft deze schuld van belang dat deze niet is vastgelegd in een notariële akte, zodat deze niet voldoet aan de wettelijke voorwaarden. Ten aanzien van de schuld bij Van [naam] stelt de minister dat er een bewijsstuk is overgelegd waarop de naam van de ex-partner van eiser staat. Uit navraag bij Van [naam] is gebleken dat de betreffende schuld niet op naam van eiser staat en dat de geboortedatum en het burgerservicenummer (BSN) niet overeen komen. Aldus betreft het geen schuld van eiser. De minister vindt verder dat een ruimhartige toepassing en de menselijke maat niet betekenen dat de vereisten van het bestaan en de opeisbaarheid van een schuld niet meer gelden. Daarbij wijst de minister erop dat de regeling van schuldovername bedoeld is om een nieuwe start te maken; door de focus op opeisbaarheid wordt beoogd te voorkomen dat de gedupeerde ouder in de problemen komt door incassomaatregelen. Van dergelijke incassomaatregelen is bij eiser niet gebleken. Tenslotte stelt de minister zich op het standpunt dat hij bij de totstandkoming van het bestreden besluit niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel en het motiveringsbeginsel heeft gehandeld.

Standpunt eiser

6. Eiser vindt het onterecht dat de schulden bij [naam] , [naam] en Van [naam] niet zijn overgenomen. Hij stelt zich op het standpunt dat het feit dat de schuldeiser niet meewerkt niet betekent dat er geen schuld zou zijn. Wat betreft de schuld bij [naam] stelt eiser dat [naam] al kenbaar heeft gemaakt dat sprake is van een schuld; eiser heeft immers een schuldbekentenis van hem verstrekt. De omvang van de schuld en het reeds afgeloste bedrag zijn dan ook komen vast te staan. Eiser ziet dan ook niet in waarom de aanvraag is afgewezen en acht de afwijzing onzorgvuldig tot stand gekomen. Volgens eiser geldt hetzelfde voor de schuld bij [naam] . Met betrekking tot het vereiste van de notariële akte wijst eiser op het in bezwaar ingenomen standpunt, dat hij in beroep herhaalt. Ten aanzien van de schuld bij Van [naam] – tot slot – brengt eiser onder het kopje ‘schuld ex-partner’ naar voren dat alle schulden die vóór het eindigen van de huwelijksgoederengemeenschap tot die gemeenschap behoorden, in aanmerking zouden moeten komen voor schuldovername. Hij acht het besluit onzorgvuldig voorbereid doordat de minister geen onderzoek heeft gedaan naar de datum van het eindigen van de huwelijkse gemeenschap.

Beoordeling rechtbank

7. De rechtbank beoordeelt of het bestreden besluit in stand kan blijven. Zij doet dat op basis van de hierboven weergegeven beroepsgronden (de argumenten) die eiser heeft aangevoerd.

Juridisch kader

8. In de Wht zijn voorwaarden neergelegd voor het overnemen van private geldschulden. In artikel 4.1, tweede lid, van de Wht zijn de algemene vereisten voor een geldschuld opgenomen. Op grond van deze bepaling neemt de minister een geldschuld over als deze:

- is ontstaan na 31 december 2005;

- vóór 1 juni 2021 opeisbaar is geworden;

- niet is voldaan op het moment dat de aanvraag wordt gedaan.

9. In de wet is dus de voorwaarde neergelegd dat het om opeisbare geldschulden moet gaan, binnen de door de wetsbepaling genoemde referentieperiode. Vanzelfsprekend ligt in het vereiste van opeisbaarheid óók besloten dat het om daadwerkelijk bestaande schulden dient te gaan.

10. In artikel 4.1, derde lid, van de Wht zijn de soorten schulden opgesomd die kunnen worden overgenomen. Voor dit geschil is van belang dat in onderdeel b van die bepaling – verkort weergegeven – is bepaald dat een geldschuld die niet is ontstaan door een in de normale uitoefening van een beroep of bedrijf verrichte rechtshandeling van de schuldeiser wordt overgenomen indien deze is vastgelegd in een notariële akte of blijkt uit een rechterlijke uitspraak. Dit type geldschulden worden ook wel informele schulden genoemd, en betreft schulden die bijvoorbeeld zijn aangegaan bij vrienden en familie.

11. De rechtbank overweegt verder dat het in deze procedure om een aanvraag van een voor de betrokkene begunstigend besluit gaat. In die situatie ligt het in de eerste plaats op de weg van de betrokkene om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden is voldaan. Deze regel van bewijslastverdeling volgt ook uit artikel 4:2, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het ligt vervolgens op weg van de minister om voldoende zorgvuldig onderzoek te verrichten naar (de inwilligbaarheid van de) aanvraag en – afhankelijk van de omstandigheden van het geval – in dat kader zo nodig aanvullende gegevens op te vragen bij de aanvrager dan wel bij derden, en deze gegevens te onderzoeken.

Bespreking beroepsgronden

12. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de door eiser gestelde schulden bij [naam] , [naam] en Van [naam] niet voor schuldovername op grond van de Wht in aanmerking komen. De rechtbank licht dit hierna toe voor de verschillende schulden.

13. Ten aanzien van de gestelde schuld bij [naam] stelt de rechtbank evenals de minister vast dat eiser onvoldoende gegevens heeft overgelegd waaruit het bestaan, de omvang en de opeisbaarheid van de schuld blijken. Enkel is een eigen verklaring van eiser overgelegd, waarin staat dat er € 3.000,- geleend is, dat er € 300,- afgelost is, dat er nog € 1.700,- te betalen is en dat hij en zijn vrienden uit culturele beleefdheid nooit de schulden opschrijven. De minister heeft de schuldeiser tweemaal schriftelijk en vervolgens telefonisch benaderd. Ondanks de toezegging van de schuldeiser tijdens het telefonische contact, heeft hij geen verdere informatie over de schuld toegestuurd. Op basis hiervan stelt de minister zich terecht op het standpunt dat het bestaan van de schuld – laat staan de opeisbaarheid daarvan – onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Wat betreft deze schuld geldt verder ook dat niet wordt voldaan aan het onder 10 genoemde vereiste van vastlegging in een notariële akte of gerechtelijke uitspraak, zoals de minister in het verweerschrift heeft aangegeven. Er ontbreken bovendien andere objectieve bewijsstukken op basis waarvan de schuld zo nodig op grond van de hardheidsclausule kan worden overgenomen, zoals is bepaald in de rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 15 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2040, onder 26). Anders dan eiser (impliciet) stelt is er in dit geval geen sprake van een situatie dat redelijkerwijs niet aan het bestaan van de schuld kan worden getwijfeld.

14. Het voorgaande geldt óók voor de door eiser gestelde schuld bij [naam] . Ook in dat kader heeft eiser enkel een ongedateerde en niet ondertekende verklaring overgelegd, waarin staat dat een vriend hem in de loop der jaren geld heeft geleend om rond te kunnen komen. Op basis van wat is overgelegd stelt de minister zich terecht op het standpunt dat zowel het bestaan van de schuld als de opeisbaarheid daarvan niet aannemelijk zijn geworden. De minister stelt in zijn verweerschrift eveneens met juistheid dat ook in het kader van deze gestelde schuld geldt dat deze niet is opgenomen in een notariële akte of gerechtelijke uitspraak, zodat deze ook om deze reden op grond van de wet niet voor overname in aanmerking komt.

15. Wat betreft de schuld bij Van [naam] heeft de minister zich verder navolgbaar op het standpunt gesteld dat niet aannemelijk is gemaakt dat dit een schuld betreft van eiser zelf. Uit navraag bij deze schuldeiser door SBN is immers gebleken dat deze schuld niet op naam van eiser staat, en dat de geboortedatum en het BSN niet overeenkomen. Er is dan ook niet aannemelijk gemaakt dat Van [naam] tegenover eiser dwangmaatregelen kan nemen ten aanzien van deze schuld. De rechtbank overweegt in dit verband overigens nog dat als het inderdaad om een schuld gaat van een persoon die daadwerkelijk de (voormalig) partner van eiser was, de regeling van artikel 4.1, eerste lid, Wht erin voorziet dat die partner of ex-partner – voor zover deze persoon aan de wettelijke definitie voldoet – zélf de minister om schuldovername kan verzoeken. Het ligt dan op de weg van die (voormalig) partner om zo’n aanvraag in te dienen.

16. De rechtbank vindt tenslotte niet dat de minister zijn besluitvorming onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid. Zoals hiervoor al is overwogen heeft de minister schuldeisers aangeschreven en hen verzocht om nadere informatie te geven. Daarmee heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank een voldoende invulling gegeven aan zijn verplichting om het besluit zorgvuldig voor te bereiden. Vervolgens is een adequate reactie uitgebleven wat betreft de schulden bij [naam] en [naam] . Zo nodig had eiser zelf in de bezwaarfase of in de beroepsfase nadere informatie kunnen overleggen over de schulden, maar dat heeft hij niet gedaan. Ten aanzien van de schuld bij Van [naam] neemt de rechtbank evenmin een zorgvuldigheidsgebrek aan. Daarbij overweegt de rechtbank nog, gelet op de geldende bewijslastverdeling, dat het in de eerste plaats op eisers weg ligt om aannemelijk te maken dat ten tijde van belang wél sprake was van een eigen schuld dan wel dat hij persoonlijk met bijvoorbeeld incassomaatregelen wordt geconfronteerd in het kader van die schuld.

Conclusie en gevolgen

17. Het beroep is ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en het bestreden besluit in stand blijft. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Woestenburg, rechter, in aanwezigheid van mr. M.W. Venderbos, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. J. Woestenburg

Griffier

  • mr. M.W. Venderbos

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand