RECHTBANK OOST-BRABANT
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2026 in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats], eiser
Samenvatting
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch
Bestuursrecht
zaaknummer: SHE 26/1017
(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heeze en Leende, het college
(gemachtigde: mr. J. Peerboom).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor bijzondere bijstand vanwege hoge energiekosten. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college eisers aanvraag terecht heeft afgewezen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand op grond van de Participatiewet (Pw) voor de kosten van een hoge eindafrekening energie. Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit van 7 oktober 2025 afgewezen. Met het bestreden besluit van 26 februari 2026 op het bezwaar van eiser is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 12 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van eiser en van het college deelgenomen.
Standpunten van partijen
3. Eiser heeft op 29 september 2025 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand vanwege een jaarrekening energie ter hoogte van € 752,00.
Het college heeft deze aanvraag met het primaire besluit afgewezen, omdat de energiekosten geen uit bijzondere individuele omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan zijn als bedoeld in artikel 35, eerste lid, van de Pw. Met het besluit op bezwaar is het college bij de afwijzing gebleven. Het college heeft de wettelijke grondslag van de afwijzing echter gewijzigd naar artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw gelezen in samenhang met artikel 49 van de Pw. In beginsel bestaat er namelijk geen recht op bijstand indien de betrokkene bijstand vraagt ter aflossing van een schuldenlast terwijl hij beschikt(e) over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Alleen al daarom komt het college aan een beoordeling van de aanvraag op grond van artikel 35 van de Pw niet toe. Verder is niet gebleken dat sprake is van zeer dringende redenen op grond waarvan eiser desondanks in aanmerking komt voor bijzondere bijstand. Evenmin heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij de mogelijkheden om tot een saneringsregeling te komen uitputtend heeft onderzocht. Het college ziet dus geen mogelijkheid om met toepassing van de uitzonderingen genoemd in artikel 49 van de Pw af te wijken van de hoofdregel zoals neergelegd in artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw.
Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij stelt zich op het standpunt dat sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw op grond waarvan zijn aanvraag dient worden toegewezen. Volgens vaste rechtspraak doen zeer dringende redenen zich alleen voor als de behoeftige omstandigheden van een betrokkene op geen andere wijze zijn te verhelpen dan door bijstandverlening, zodat die bijstandverlening volstrekt onvermijdelijk is. Daarvan is bijvoorbeeld sprake bij een huisuitzetting of een dreiging van afsluiting van water, gas of elektriciteit. Daarvan is volgens eiser sprake, nu de energieleverancier de overeenkomst heeft ontbonden. Ter onderbouwing van dit standpunt overlegt eiser een brief van de energieleverancier van 24 november 2025. Verder wijst eiser erop dat hij te kampen heeft met verschillende medische klachten en dat hij maar een zeer beperkt sociaal netwerk heeft. Het verliezen van gas en elektriciteit heeft daarom vergaande gevolgen voor hem. Ook is van belang dat eiser reeds andere schulden heeft en dat het voor hem praktisch onmogelijk is om een acceptabele betalingsregeling te treffen.
Beoordeling door de rechtbank
4. Tussen partijen is niet in geschil dat artikel 13, eerste lid, aanhef en onder g, van de Pw op eiser van toepassing is. In geschil is of het college zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet voldoet aan artikel 49 van de Pw.
Ingevolge artikel 49, aanhef en onder a, van de Pw kan het college, in afwijking van artikel 13, aanhef en onder g, bijzondere bijstand verlenen in de vorm van een borgtocht, indien het verzoek van de belanghebbende tot verlening van een saneringskrediet is afgewezen vanwege diens beperkte mogelijkheden tot terugbetaling en de borgtocht noodzakelijk is om de krediettransactie alsnog doorgang te doen vinden door een:
1° gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet op het financieel toezicht;
2° financiële onderneming die ingevolge de Wet of het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen, indien de gemeente niet is aangesloten bij een gemeentelijke kredietbank dan wel daarmee geen relatie onderhoudt.
Ingevolge artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw kan het college, in afwijking van artikel 13, eerste lid, onderdeel g, bijzondere bijstand verlenen indien daartoe zeer dringende redenen bestaan en de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt.
Uit het hierboven geschetste juridisch kader volgt dat pas aan de uitzondering van artikel 49, aanhef en onder b, van de Pw wordt toegekomen indien de in onderdeel a genoemde mogelijkheid geen uitkomst biedt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij de mogelijkheden van een saneringskrediet heeft benut en dat de mogelijkheid genoemd in artikel 49, aanhef en onder a, van de Pw voor hem dus geen uitkomst biedt. In dit verband is van belang dat eiser is benaderd door Team Geldzaken van de gemeente in verband met zijn openstaande schulden. Destijds heeft eiser aangegeven dat hij zelf zijn schulden wil oplossen en geen gebruik wil maken van schuldhulpverlening. De rechtbank komt daarom al niet toe aan de vraag of sprake is van zeer dringende redenen als bedoeld in onderdeel b van dat artikel. Alleen al hierom kan het betoog van eiser niet leiden tot het door hem gewenste resultaat.
Gelet op het voorgaande heeft het college naar het oordeel van de rechtbank terecht de aanvraag voor bijzondere bijstand afgewezen.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. F.M.E. Schulmer, rechter, in aanwezigheid van mr. M.N.T. Tacken, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.