RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 oktober 2026 in de zaak tussen
[naam uit woonplaats] , verzoekster
de directie van het Centraal Bureau Rijvaardigheidsbewijzen
Inleiding
Bestuursrecht
zaaknummer: LEE 26/3296
(gemachtigde: mr. P. Koops )
en
(gemachtigde: mr. M.M. Kleijbeuker)
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster tegen het besluit op bezwaar van 22 juni 2026. In dat besluit is het bezwaar ongegrond verklaard dat was gericht tegen de ongeldigverklaring van het rijbewijs van verzoekster van 24 maart 2026. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is. Onder kennelijk wordt verstaan dat redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is.
Procesverloop
2. Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen het besluit op bezwaar van 22 juni 2026. Dat beroep is ingeschreven onder zaaknummer LEE 26/2835. Zij heeft ook gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist.
Verzoekster heeft aangevoerd dat zij spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening, omdat zij forse schulden heeft die dagelijks verder oplopen. Een schuldenlijst is overgelegd als productie 1 bij het verzoekschrift van 2 oktober 2026.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is hierdoor niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van onverwijlde spoed in de zin van de Awb. Volgens vaste jurisprudentie vormt een financieel belang op zichzelf geen reden om een voorlopige voorziening te treffen. Verzoekster heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat zij, als gevolg van het besluit van 22 juni 2026, in een financiële noodsituatie verkeert of op korte termijn zal komen te verkeren.
Conclusie en gevolgen
4. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.G.D. Overmars, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. D.H. ter Beek, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: