RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 272675855
zaaknummer: 11900946 BU VERZ 25-2041
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak gedaan op de openbare zitting van 30 juni 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [plaats],
gemachtigde: mr. M. Lagas, Appjection B.V.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘lading die niet aan functie uitrustingsstuk is gerelateerd rust op verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk’, verricht op 15 maart 2025, om 16:50 uur, op de Odoornerweg in Emmen, met een land- of bosbouwtrekker, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 199,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 30 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: betrokkene en de vertegenwoordiger van de officier van justitie,mr. R. Huisjes.
Na afloop van de behandeling heeft de kantonrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep gegrond is en zal de boete matigen. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Gemachtigde heeft een verklaring van betrokkene bijgevoegd. Hierin verklaart betrokkene dat hij met twee trekkers van een klus in een tuintje terugkwam. In de kieper van de ene trekker zaten takken en struiken en in de voorlader van de andere trekker vervoerden zij een hark, schep, bladblazer, brandstoftankje, en een zak met overgebleven haagplantjes. Hierover had hij een kleed gelegd. Betrokkene geeft aan dat hij niet wist dat dit niet mocht en dat hij niet kan vinden wat volgens de wet wél vervoerd mag worden in een voorladerbak. Gemachtigde voegt hieraan toe dat de omstandigheden van het geval het opleggen van een boete niet rechtvaardigen. De verklaring van de verbalisant is vaag. Uit artikel 5.18.7a lid 1 sub d van de Regeling Voertuigen volgt dat de lading gerelateerd moet zijn aan de functie. In casu is het niet duidelijk wat er onder deze functie verstaan moet worden. Het stellen dat zand en modder er dergelijke zaken vervoerd mogen worden, sluit op zichzelf niet uit dat de goederen die betrokkene vervoerde hieronder vallen.
4. De vertegenwoordiger noemt dat uit informatie van fabrikanten blijkt dat de functie van een voorladerbak het vervoeren van materialen zoals grond is, niet het vervoeren van gereedschappen. De voorladerbak is hier niet geschikt voor. De vertegenwoordiger stelt zich op het standpunt dat de verkeersovertreding kan worden vastgesteld en verzoekt de kantonrechter het beroep ongegrond te verklaren.
Overwegingen
De verkeersovertreding
5. Gemachtigde betwist de verkeersovertreding, in die zin dat hij stelt dat de verklaring van de verbalisant niet voldoende duidelijk is. In zaken op grond van de Wahv is de verklaring van de verbalisant in het zaakoverzicht in beginsel voldoende voor het vaststellen van de verkeersovertreding, tenzij concrete omstandigheden worden aangevoerd die aanleiding geven tot twijfel.
De verklaring van de verbalisant, zoals opgenomen in het zaaksoverzicht, luidt als volgt: “Ik, verbalisant, zag betrokkene als bestuurder van een landbouwtrekker reed waar een verwisselbaar gedragen uitrustingsstuk was bevestigd. Ik, verbalisant, zag namelijk dat dit een voorlader was die voorzien was van een bak, bestemd om modder, zand e.d. te vervoeren. Bij staandehouding zag ik, verbalisant, dat in die bak een bladblazer, pionnen, jerrycan en tuingereedschap lag. Ik zag dat al deze goederen los in de bak lagen. Ik, verbalisant, zag dat deze lading niet gerelateerd was aan de functie van het verwisselbaar uitrustingsstuk. Door betrokkene werden de goederen overgeladen in een auto die even later ter plaatse kwam. Van de gedraging werden foto’s gemaakt die als bijlage zijn bijgevoegd.”
De kantonrechter is van oordeel dat op basis van de beschikbare gegevens kan worden vastgesteld dat de verkeersovertreding is verricht. Uit openbare bronnen volgt dat een voorladerbak bestemd is voor het vervoeren van los stortmateriaal zoals grond, zand, grind of aarde. Dit volgt ook uit de verklaring van de verbalisant. Aangezien betrokkene geen los stortmateriaal vervoerde, is de boete terecht opgelegd.
De kantonrechter ziet wel aanleiding om de boete uit coulance te matigen met de helft, tot een bedrag van € 104,00 (inclusief administratiekosten). Daartoe overweegt hij dat het voorstelbaar is dat betrokkene niet wist welke lading in de voorladerbak mocht worden vervoerd.
De proceskostenvergoeding
6. Omdat de boete wordt gematigd, zal de kantonrechter de officier van justitie veroordelen in de proceskosten van betrokkene. Aangezien geen sprake is van een aan de verbalisant te wijten onrechtmatigheid, komen de kosten gemaakt in administratief beroep niet voor vergoeding in aanmerking.
De kantonrechter zal één punt toekennen voor het indienen van het beroepschrift bij de kantonrechter met een waarde van € 934,00. Gelet op de aard van de zaak past de kantonrechter de wegingsfactor 0,5 (gewicht van de zaak = licht) toe. Omdat de beslissing van de officier van justitie na 31 december 2023 is bekendgemaakt, past de kantonrechter de extra wegingsfactor uit artikel 13a, tweede lid, onder a, Wahv toe op de kantonfase.
De berekening is als volgt: 1 (procespunt) x € 934,00 (tarief) x 0,5 (wegingsfactor, licht) x 0,25 (extra wegingsfactor herwaardering proceskostenvergoeding) = € 116,75. Hij zal de officier van justitie veroordelen in de kosten van € 116,75.
Artikel 13a, vijfde lid, van de Wahv regelt dat uitbetalingen op grond van een uitspraak op beroep op grond van deze wet uitsluitend plaatsvinden op een bankrekening die op naam staat van degene aan wie de boete is opgelegd. Gelet op de jurisprudentie is de kantonrechter niet bevoegd om over deze feitelijke uitvoering van zijn/haar beslissing een oordeel te geven.
Conclusie
De kantonrechter:
Waarvan proces-verbaal,
mr. R. Krikke, griffier mr. C.H. de Groot, kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.