RECHTBANK NOORD-NEDERLAND
Zittingsplaats Assen
Bestuursrecht
beschikkingsnummer: 269490787
zaaknummer: 11664464 BU VERZ 25-827
uitspraak van de kantonrechter van 14 juli 2026
in de zaak van
[betrokkene] (de betrokkene),
die woont in [plaats],
gemachtigde: mr. N.G.A. Voorbach, Verkeersboete.nl.
Inleiding
1. Aan betrokkene is een boete opgelegd op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften (Wahv). De verkeersovertreding waarvoor de boete is opgelegd is: ‘rijden op het trottoir, voetpad, fietspad, fiets-/bromfietspad of het ruiterpad (niet de rijbaan gebruiken)’, verricht op 19 september 2024, om 17:30 uur, op de Brink in Assen, met een personenauto, met kenteken [kenteken]. De opgelegde boete bedraagt € 189,00 (inclusief administratiekosten).
Betrokkene heeft tegen de boete beroep ingesteld bij de officier van justitie. Deze heeft het beroep ongegrond verklaard. Tegen die beslissing heeft betrokkene beroep ingesteld bij de kantonrechter.
De kantonrechter heeft het beroep op 30 juni 2026 op de zitting behandeld. Daarbij waren aanwezig: mr. O. van der Meer namens gemachtigde en de vertegenwoordiger van de officier van justitie, mr. R. Huisjes.
Beoordeling door de kantonrechter
Beslissing
2. De kantonrechter beoordeelt het beroep aan de hand van de beroepsgronden van betrokkene. Hij oordeelt dat het beroep ongegrond is. De kantonrechter zal hierna uitleggen waarom hij dat doet.
Standpunten
3. Gemachtigde voert, onder verwijzing naar bijlagen, aan dat de boete disproportioneel hoog is en hij verzoekt om de verhogingen van 10% per 1 maart 2024 terug te draaien. Deze verhoging bestaat voor 5,7% uit een vermeende inflatiecorrectie en voor 4,3% uit het dichten van een gat in de begroting. Verder wordt de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de geldigheid van de bewijsmiddelen betwist en wordt verzocht om matiging in verband met schending van de redelijke termijn. Gemachtigde verzoekt om vergoeding van de proceskosten. In aanvullende gronden stelt gemachtigde dat de verbalisant niet bevoegd was te handhaven. Door het CVOM is niet ingestemd met digitale handhaving. Dit is wel vereist op basis van de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar. Dit klemt temeer nu wel wordt vermeld dat bij het vervangen van de bebording overleg is gepleegd met de eenheidschef van de politie. Subsidiair stelt betrokkene dat niet blijkt dat is ingestemd met het nieuwe regime, aangezien de bebording is aangepast. Gemachtigde verwijst hierbij naar jurisprudentie. Op de zitting verwijst gemachtigde naar r.o. 7 van het aangehaalde arrest. Aangezien het verkeersbesluit is gewijzigd, moet de CVOM opnieuw instemmen met de digitale handhaving.
4. De vertegenwoordiger merkt allereerst op dat de bevoegdheid van de verbalisant het uitgangspunt is. Hij heeft op de zitting laten zien dat de CVOM instemming heeft verleend voor digitale handhaving in het voetgangersgebied in Assen. De aanwezigheid, kenbaarheid en eventuele wijzigingen van de bebording wordt inzichtelijk gemaakt door de schouwrapporten. Aangezien het gebied niet is gewijzigd, hoeft niet opnieuw instemming worden verleend. De wijziging van de bebording wordt wel gemeld, maar dit is geen wettelijke plicht, nu dit ook uit de schouwrapporten blijkt. Bovendien merkt de vertegenwoordiger op dat de wijziging in de bebording betrekking had op snorfietsers, niet op auto’s. Het regime voor auto’s is altijd hetzelfde geweest.
Overwegingen
De verkeersovertreding
5. De kantonrechter overweegt als volgt. Uit het zogeheten Beoordelingskader Parket CVOM voor digitale handhaving bij geslotenverklaringen en voetgangersgebieden en de Regeling domeinlijsten buitengewoon opsporingsambtenaar, volgt dat digitaal handhaven slechts mogelijk is na instemming van de CVOM.
Uit het systeem dat de vertegenwoordiger op de zitting heeft getoond, volgt dat de CVOM instemming heeft verleend voor digitale handhaving in het voetgangersgebied in Assen. Naar het oordeel van de kantonrechter is de instemming hiermee voldoende aangetoond. De vraag die dan voorligt is of opnieuw toestemming verleend moest worden na een wijziging van de bebording.
Uit het door gemachtigde aangehaalde arrest en andere jurisprudentie volgt dat nieuwe toestemming nodig is bij uitbreiding van de digitale handhaving. Uit het arrest blijkt niet dat ook in geval van wijziging van de bebording, instemming nodig is. De kantonrechter haalt dit ook niet uit de geldende regelgeving. Bovendien zag de wijziging van de bebording in dit geval niet op betrokkene. De wijziging had uitsluitend betrekking op snorfietsers, terwijl betrokkene met een personenauto reed. Het voor betrokkene geldende handhavingsregime is dus hoe dan ook ongewijzigd gebleven. Gelet op vorenstaande concludeert de kantonrechter dat de verbalisant bevoegd was om de boete op te leggen.
Verder overweegt de kantonrechter dat de enkele, niet-onderbouwde betwisting van de gedraging, de bevoegdheid van de verbalisant en de wettigheid van de gebruikte bewijsmiddelen, onvoldoende is om te leiden tot twijfel aan de gegevens in het zaakoverzicht. De verkeersovertreding staat daarom vast en de kantonrechter ziet geen reden om de boete te matigen.
De sanctietarieven
Wat betreft de sanctietarieven overweegt de kantonrechter als volgt. Uit een recent arrest van het hof blijkt dat de verhogingen van de sanctietarieven per 1 maart 2024 rechtmatig zijn en mogen worden toegepast. Daarnaast is de kantonrechter van oordeel dat het sanctiebedrag niet onevenredig is. Het bedrag staat in redelijke verhouding tot de aard en de ernst van de verkeersovertreding.
Conclusie
De kantonrechter verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.H. de Groot, kantonrechter, in aanwezigheid van mr. R. Krikke, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 14 juli 2026.
griffier kantonrechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Als u het met de beslissing op uw beroep niet eens bent, dan kunt u binnen zes weken na de hieronder vermelde datum van toezending van deze beslissing hoger beroep instellen bij het
gerechtshof Arnhem - Leeuwarden, maar alleen als:
a. de u opgelegde administratieve boete meer dan € 110,00 bedraagt, of
b. uw beroep niet-ontvankelijk is verklaard omdat u geen (of niet op tijd) zekerheid heeft gesteld.
Het (hoger) beroepschrift moet worden ingediend bij de rechtbank Noord-Nederland, Afdeling Bestuursrecht, locatie Groningen (Postbus 150, 9700 AD Groningen). U dient daarbij het zaaknummer te vermelden.
De wet gaat uit van een geheel schriftelijke procedure, tenzij door u bij het (hoger) beroepschrift uitdrukkelijk om een zitting is gevraagd.