ECLI:NL:RBNNE:2026:4524

ECLI:NL:RBNNE:2026:4524

Instantie Rechtbank Noord-Nederland
Datum uitspraak 20-10-2026
Datum publicatie 21-10-2026
Zaaknummer 18-225969-25
Rechtsgebied Strafrecht; Materieel strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Leeuwarden

Samenvatting

De rechtbank in Leeuwardeen veroordeelt verdachte voor belaging voor de duur van 5 maanden en bedreiging. Verdachte is eerder veroordeeld voor belaging van hetzelfde slachtoffer. Aan verdachte wordt opgelegd een gevangenisstraf voor de duur van 6 maanden, een tbs met dwangverpleging en de GVM-maatregel.

Uitspraak

RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Afdeling Strafrecht

Locatie Leeuwarden

Parketnummer: 18-225969-25

Vonnis van de meervoudige kamer voor de behandeling van strafzaken d.d. 20 oktober 2026 in de zaak van het Openbaar Ministerie tegen de verdachte

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats] , wonende te [adres] ,

thans gedetineerd te [instelling] .

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting van 6 oktober 2026. Verdachte is verschenen, bijgestaan door mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht. Het Openbaar Ministerie is ter terechtzitting vertegenwoordigd door mr. S. Zoer.

Geldigheid van de dagvaarding

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard en heeft daartoe het volgende aangevoerd. In de tenlastelegging staat als belagingshandeling genoemd dat “verdachte bedreigende of beledigende mailberichten naar [slachtoffer 1] heeft gestuurd”. Het is volgens de verdediging onduidelijk op welke emailberichten wordt gedoeld. Dit onderdeel van de tenlastelegging is daarom onvoldoende concreet, waardoor het onduidelijk is tegen welk verwijt verdachte zich moet verweren.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de tekst van de tenlastelegging op dit onderdeel voldoende feitelijk en concreet is. Het versturen van mailberichten is een typische belagingshandeling die ziet op het oogmerk om te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen.1 Het is duidelijk op welke handelingen daarmee wordt gedoeld. Temeer nu zich in het dossier slechts een overzichtelijk aantal emailberichten bevinden die verdachte naar aangeefster [slachtoffer 1] zou hebben verstuurd. Deze emailberichten zijn bovendien verdachte tijdens het onderzoek ter terechtzitting voorgehouden. De rechtsopvatting dat de tekst van de tenlastelegging een verwijzing naar de specifieke emailberichten moet bevatten is naar het oordeel van de rechtbank onjuist. De rechtbank verwerpt het verweer dat de dagvaarding partieel nietig moet worden verklaard.

Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich preliminair op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie deels niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging en heeft daartoe het volgende aangevoerd. Het ten laste gelegde onder 1 betreft belaging. De tekst van de tenlastelegging is geredigeerd als belaging van [slachtoffer 2] , [slachtoffer 1] en de ouders van [slachtoffer 1] . Belaging is een klachtdelict. In het dossier bevindt zich uitsluitend een klacht van [slachtoffer 1] . Uit het dossier blijkt niet dat [slachtoffer 2] en de ouders van [slachtoffer 1] een klacht hebben ingediend. Het Openbaar Ministerie moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor zover de tenlastelegging ziet op de belaging van [slachtoffer 2] en de ouders van [slachtoffer 1] .

Het standpunt van het Openbaar Ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk is wat betreft de vervolging voor de belaging van [slachtoffer 2] . [slachtoffer 1] kan namelijk namens haar zoon [slachtoffer 2] aangifte doen. De aangifte van [slachtoffer 1] beslaat ook hetgeen verdachte richting zoon [slachtoffer 2] heeft gedaan. Zoon [slachtoffer 2] heeft immers bij moeder [slachtoffer 1] aangegeven dat hij lastig wordt gevallen door verdachte en de stukken ter onderbouwing van het lastigvallen verstrekt. De officier van justitie heeft zich aangesloten bij het standpunt van de raadsman dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is voor zover de vervolging ziet op de belaging van de ouders van [slachtoffer 1] .

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt voorop dat belaging een klachtdelict is. Vervolging van belaging kan slechts plaatsvinden als het slachtoffer daartoe een klacht heeft ingediend. De tekst van de tenlastelegging heeft

betrekking op de belaging van [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] en de ouders van [slachtoffer 1] . De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 2] in de pleegperiode reeds de leeftijd van 16 jaren had bereikt. Dit betekent dat [slachtoffer 2] zelfstandig een klacht had moeten indienen en dat niet kan worden volstaan met uitsluitend de klacht van [slachtoffer 1] .2 Nu [slachtoffer 2] en de ouders van [slachtoffer 1] geen klacht hebben ingediend met het verzoek om tot vervolging van belaging over te gaan, beslist de rechtbank dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging van belaging voor zover de tekst van de tenlastelegging ziet op de belaging van [slachtoffer 2] en de ouders van [slachtoffer 1] .

Tenlastelegging

Aan verdachte is, na wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:

1

hij in of omstreeks de periode van 17 maart 2025 tot en met 18 augustus 2025 te Drachten, in de gemeente Smallingerland, althans in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] door

2

hij in of omstreeks de periode 1 april 2025 tot en met 16 augustus 2025, in elk geval in het jaar 2025 te Opeinde, in de gemeente Smallingerland, althans in Nederland (meermalen) [slachtoffer 3] (via Whatsapp en/of Facebook) heeft bedreigd met enig misdrijf met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, door die [slachtoffer 3] een of meer Whatsappbericht(en) te sturen met (onder meer) de woorden: “ [bijnaam] je bent de lul" en/of “Ik ben geen goedaardige [slachtoffer 3] . Wacht maar af narsist. Wacht maar af” en/of "doe maar voorzichtig, ik wil toch al dood en neem jou mee", althans woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking.

Beoordeling van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft veroordeling gevorderd voor het ten laste gelegde onder 1 en 2. Ten aanzien van het ten laste gelegde onder 2 heeft de officier van justitie aangevoerd dat de bedreigingen betrekking hebben op de context van wat er speelde in de familie van verdachte en de belaging van [slachtoffer 1] . De profielfoto van de WhatsApp-gebruiker die het dreigende bericht heeft verstuurd (pagina 110 procesdossier) is bovendien dezelfde als die van de Facebook-gebruiker die een beledigende tekst onder een Facebook-post van [slachtoffer 1] heeft geplaatst (pagina 42 procesdossier). Bij het Openbaar

Ministerie bestaat om die reden geen twijfel dat verdachte de dreigende WhatsApp-berichten heeft verstuurd.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft integrale vrijspraak bepleit. Voor het ten laste gelegde onder 1 heeft de raadsman het volgende aangevoerd. Niet bewezen kan worden dat verdachte bedreigende en beledigende emailberichten heeft verstuurd naar [slachtoffer 1] . De desbetreffende e-mails zijn niet in het dossier opgenomen en kunnen daarnaast niet als beledigend of bedreigend worden opgevat. Het bellen naar [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] , het langs de woning rijden van [slachtoffer 1] , het sturen van WhatsApp-berichten naar [slachtoffer 2] en het sturen van emailberichten naar de ouders van [slachtoffer 1] kan worden bewezen. Deze gedragingen zijn daarentegen dermate fragmentarisch en op zichzelf staand dat deze geen stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zijn van [slachtoffer 1] . Het is afgemeten tegen de ten laste gelegde pleegperiode van vijf maanden te incidenteel om te kunnen spreken van “stelselmatig”. Daar komt bij dat de bewezen gedragingen niet dwingen tot de conclusie dat verdachte “opzettelijk” inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer. Verdachte wilde contact met zijn kinderen en het is in dat licht niet vreemd dat hij zijn kinderen opzocht. De raadsman heeft voor het ten laste gelegde onder 2 aangevoerd dat niet vastgesteld kan worden dat verdachte de WhatsApp-berichten heeft verstuurd. De aangifte vindt daarom onvoldoende steun in ander bewijsmateriaal.

Het oordeel van de rechtbank

Bewijsmiddelen

De rechtbank past de volgende bewijsmiddelen toe die de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden bevatten zoals hieronder zakelijk weergegeven. Ieder bewijsmiddel is ook in onderdelen slechts gebruikt voor het feit waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

1. De door verdachte ter pro forma zitting van 16 april 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

Ik heb met mijn domme kop berichtjes gestuurd, omdat de kinderen bij mij werden weggehouden. Ik heb naar de fles gegrepen en weet het niet meer.

2. De door verdachte ter zitting van 6 oktober 2026 afgelegde verklaring, voor zover inhoudend:

De verdenking van stalking is terecht. Het klopt dat ik uit boosheid berichten heb verstuurd. Ik wist tijdens het versturen van die berichten waar ik mee bezig was. Het klopt dat ik in de nacht van 21 en 22 april 2025 [slachtoffer 2] en [slachtoffer 1] gebeld. Het klopt dat ik op 21 april 2025 de ouders van [slachtoffer 1] heb gemaild. Ik stond op 1 mei 2025 voor de voordeur van [slachtoffer 1] . Het klopt dat ik op diezelfde dag naar [slachtoffer 2] het bericht heb verstuurd “Kankerlijer, ik kon nu naar je toe met een sleutel van het huis en ik vouw die kankerfiets om jouw nek.” Het klopt dat ik na juni 2025 meerdere keren bij de woning van [slachtoffer 1] ben geweest. Het klopt dat ik op 9 augustus 2025 [slachtoffer 1] heb gemaild. Dat wat ik heb geschreven is niet normaal. Het klopt dat ik mijn zus “ [bijnaam] ” noem. Mijn zus heeft enorm zitten stoken, op een gegeven moment is er wel boosheid tegenover mijn zus ontstaan.

3. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 2 mei 2025, opgenomen op pagina 12 e.v. van het dossier van Politie Noord-Nederland met zaakregistratienummer PL0100-2025114292 d.d. 23 augustus 2025, inhoudend als verklaring van [slachtoffer 1] :

Woonadres: [adres]

Ik heb dertig jaar een relatie gehad met [verdachte] . De relatie is eind november 2022 beëindigd. Samen hebben wij een zoon ( [slachtoffer 2] 16) en een dochter ( [naam 1] 12). Sinds het einde van onze relatie heeft [verdachte] mij nooit met rust gelaten omdat hij het niet kon accepteren. [verdachte] is hiervoor veroordeeld in 2023. Gedurende de periode van de scheiding tot de nacht van 7 op 8 maart 2025 is er

normaal omgang geweest tussen de kinderen en hun vader. In de betreffende nacht heeft er een escalerende ruzie tussen [verdachte] en [slachtoffer 2] plaatsgevonden. Na deze ruzie is [slachtoffer 2] uit angst bij mij gebleven. [slachtoffer 2] heeft aangeven in verband met deze situatie niet meer naar [verdachte] te willen. Op 17 maart 2025 heeft [verdachte] veelvuldig intimiderende WhatsApp berichten naar [slachtoffer 2] gestuurd waarin hij dreigde om langs te komen. In de nacht van 21 op 22 april 2025 heeft [verdachte] opnieuw intimiderende, kleinerende en bedreigende WhatsApp berichten naar [slachtoffer 2] gestuurd. In deze berichten gaf hij

mede aan; "Bel de politie maar want ik kom eraan!" In de nacht van 21 op 22 april 2025 heeft [verdachte] opnieuw intimiderende, kleinerende en bedreigende WhatsApp berichten naar [slachtoffer 2] gestuurd. In deze berichten gaf hij mede aan; "Bel de politie maar want ik kom eraan!". Tevens heeft [verdachte] die nacht tussen twaalf en vijf uur, ongeveer twaalf keer gebeld. [slachtoffer 2] is zeven keer gebeld en ik vijf keer. In de nacht van 30 april 2025 op 1 mei 2025 is [slachtoffer 2] wederom lastiggevallen met WhatsApp berichten afkomstig van [verdachte] . Op 1 mei 2025 om 12:49 uur belde [slachtoffer 2] mij om mij te waarschuwen dat [verdachte] had gedreigd om nu bij mij langs te komen. Toen ik op de camera van de Ring-deurbel keek zag ik dat [verdachte] bij de voordeur van mijn woning stond.

4. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 1 mei 2025, opgenomen op pagina 23 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant]:

Op 1 mei 2025 omstreeks 13:29 kregen wij het verzoek met spoed te gaan naar [adres]. Hier troffen wij de betrokkene nabij de woning gelegen aan [adres] aan. Hierop hielden wij hem staande en stelden wij zijn identiteit vast. Hij gaf ons op te zijn: [verdachte] . Eerder dezelfde dag hadden wij een melding ontvangen van de bewoner van [adres] (de rechtbank begrijpt: aangeefster). Zij meldde ons dat betrokkene [verdachte] afgelopen nacht de zoon van meldster middels WhatsApp zou hebben bedreigd. Zij vertelde ons telefonisch dat de betrokkene de volgende berichten naar zijn zoon zou hebben gestuurd: "kankerlaaier", "ik kom nu naar je toe met een sleutel van het huis" en "ik vouw die kankerfiets om je nek".

5. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 augustus 2025, opgenomen op pagina 25 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisanten [verbalisant] en [verbalisant] :

Op 4 juni 2025 hebben wij een stop-gesprek gevoerd met [verdachte] . Ik, [verbalisant] , heb [verdachte] duidelijk gemaakt dat het lastigvallen van zijn ex-vrouw (de rechtbank begrijpt: aangeefster), op welke wijze dan ook, dient te stoppen. Ik heb hem ook uitgelegd dat, wanneer hij terugvalt in dit gedrag, er al een aangifte van stalking ligt die dan zal worden doorgezet. Wij hoorden dat [verdachte] zei dat hij dit allemaal begreep en dat dit niet meer zou gebeuren.

6. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 19 augustus 2025, opgenomen op pagina 54 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 1] :

Ik heb in maart 2025 aangifte gedaan tegen mijn ex-partner [verdachte] van stalking. [verdachte] valt mij nog steeds structureel lastig. Op 8 augustus 2025 om 13.22 uur reed [verdachte] langs de woning. Om

uur reed hij opnieuw langs de woning. [slachtoffer 2] werd gebeld door zijn vader (de rechtbank begrijpt: verdachte). Om 15:52 uur liep hij naar de voordeur van de woning. Vervolgens heeft hij [slachtoffer 2] gebeld. Hierna hoorde [slachtoffer 2] hem schreeuwen achter in de steeg. Op 9 augustus om 23:07 uur heb ik een mail van [verdachte] ontvangen waarin hij schrijft: “[] Verder hoop ik dat je heel snel van de aardbodem verdwijnt. Want ik ben fucked up.” Op 9 augustus 2025 om 23.21 uur mailt hij: “[] Ik heb toch niet lang meer te leven. Dus...” Op 16 augustus 2025 zag ik dat [verdachte] ( [verdachte] ) op zijn facebook in de tijdlijn de tekst “smerige stille Gereformeerde kanker stinkende hoer” had geplaatst en daarbij mijn profielfoto in een vergrote versie. Op 16 augustus 2025 om 04.21 uur ontving ik een mail van [verdachte] . Op 16 augustus 2025 om 04.22 uur ontving ik een mail van [verdachte] . Op 18 augustus 2025 heeft [verdachte] mij gebeld om 03.15 uur, hij maakte akelige geluiden. Ook heeft hij [slachtoffer 2] die nacht gebeld.

7. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2025, opgenomen op pagina 62 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Tijdens de aangifte stelde aangeefster [slachtoffer 1] enkele mails ter beschikking aan de

politie die door de verdachte verstuurd zouden zijn aan de ouders van aangever [slachtoffer 1] .

Ik las in het document de volgende tekst:

Datum: 21-04-2025, 06:05 uur

Onderwerp: Vuile kanker nsb nazi gereformeerden

Bericht: “[] De valse aangifte heeft mijn leven verknoeid ,dus nu weer de beslissing door Jezus [slachtoffer 1] ,maar we komen eff met 15 man langs. eff praten want dit gaat veels te ver []”

Datum: 21-04-25, 06:22 uur Bericht:

“Taduuu taa duu taa duu ,we komen eff met 15 man langs, omdat jullie mijn kinderen bij mij weg houden.”

8. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 augustus 2025, opgenomen op pagina 103 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik heb onderzoek gedaan naar de veiliggestelde data van het telefoontoestel dat eigendom is van verdachte [verdachte] . In de telefoon van [verdachte] zag ik dat de telefoon van [verdachte] de nacht van 18 augustus 2025 10 maal heeft gebeld met het nummer waar de naam van [slachtoffer 2] aan staat gekoppeld. Ik zag dat de telefoon van [verdachte] in de nacht van 18 augustus 2025 1 maal heeft gebeld met het nummer waar de naam van [slachtoffer 1] aan staat gekoppeld.

9. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van aangifte d.d. 18 augustus 2025, opgenomen op pagina 31 e.v. van voornoemd dossier, inhoudend de verklaring van [slachtoffer 3] :

Hij schreef mij op mijn WhatsApp dat ik een hoer was en dat ik de lul was. Hij schreef "dont fuck with me, wacht maar af". Ook las ik: "doe maar voorzichtig, ik wil toch al dood en neem jou mee".

10. Een schriftelijk bescheid, te weten een bijlage behorende bij het proces-verbaal genoemd onder 9, opgenomen op pagina 40 en 41 van voornoemd dossier, inhoudend schermafbeeldingen aangeduid als “foto 6” en “foto 7” van WhatsApp-berichten afkomstig van de WhatsApp-gebruiker aangeduid als

“ [verdachte] ” met voor zover relevant de tekst:

23:52 uur: [] Ik ben geen goedaardige [slachtoffer 3] . Wacht maar af narsist (de rechtbank begrijpt: narcist).

23:59 uur: Doe maar verzichtig (de rechtbank begrijpt: voorzichtig), ik wil toch al doodt en neem jou mee, Don, t fuck whit me. Wacht maar af..

01:49: Ik moet mij. Kinderen nu elke dag missen dankzij jou. 01:50 uur: [bijnaam] je bent de lul.

11. Een naar wettelijk voorschrift opgemaakt proces-verbaal van bevindingen d.d. 25 augustus 2025, afzonderlijk opgenomen in het dossier, inhoudend het relaas van verbalisant [verbalisant] :

Ik had via de telefoon contact met [naam 2] . Ik vroeg aan [naam 2] : Foto 6 en Foto 7, wanneer had [verdachte] deze berichten naar jou gestuurd"? Ik hoorde dat [naam 2] tegen mij zei: “deze berichten had [verdachte] in de laatste week van april 2025 naar mijn WhatsApp gestuurd”.

Bewijsoverweging feit 1

Het juridische kader van belaging

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of verdachte met zijn gedragingen een zodanige inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangeefster dat dit belaging oplevert in de zin van artikel 285b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht. Bij de beantwoording van die vraag zijn van belang de aard, de duur, de frequentie en de intensiteit van de gedragingen van de verdachte, de omstandigheden waaronder deze hebben plaatsgevonden en de invloed daarvan op het persoonlijke leven en de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer.3 Ook de omstandigheid dat de verdachte zich vóór de in de tenlastelegging vermelde periode heeft schuldig gemaakt aan belaging van het slachtoffer, kan meegewogen worden in de beoordeling van verdachte diens gedrag en de impact daarvan op het slachtoffer.4 De gedragingen behoeven zich niet louter tot het slachtoffer uit te strekken, ook familieleden, de werkgever, collegas en kennissen kunnen door de belager worden geterroriseerd, hetgeen ook een inbreuk kan zijn op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer.5

De aanleiding

Verdachte en aangeefster hadden een langdurige relatie en zij hebben samen twee kinderen gekregen. Eind 2022 heeft aangeefster de relatie met verdachte beëindigd. Na de relatiebreuk is de verstandhouding tussen verdachte en aangeefster verslechterd. Volgens aangeefster kon verdachte de relatiebreuk niet accepteren en is verdachte aangeefster gaan lastigvallen. Verdachte is in 2023 onder meer veroordeeld voor belaging van aangeefster. Tot de nacht van 7 en 8 maart 2025 had verdachte nog normale omgang met zijn kinderen, aldus aangeefster. In die desbetreffende nacht heeft verdachte ruzie gekregen met zijn zoon [slachtoffer 2] . Na die ruzie is [slachtoffer 2] bij aangeefster gaan wonen en wilde [slachtoffer 2] niet meer naar verdachte. Sindsdien is een nieuwe verdenking van belaging tegen verdachte gerezen.

Niet ter discussie staat dat verdachte in de periode daarna van 17 maart tot en met 18 augustus 2025 meerdere WhatsApp-berichten naar [slachtoffer 2] en emailberichten naar de ouders van aangeefster heeft verstuurd, [slachtoffer 2] en aangeefster meermalen heeft gebeld, langs de woning van aangeefster is gereden en voor de deur van de woning van aangeefster heeft gestaan. Verdachte heeft toegegeven deze handelingen te hebben verricht. Hij heeft wel een andere uitleg gegeven aan de intenties achter deze gedragingen. Hij wilde namelijk graag zijn kinderen zien en de omgang met zijn kinderen herstellen.

Beoordeling van het gedrag

De rechtbank stelt ten aanzien van de gedragingen van verdachte het volgende vast. Verdachte heeft op 17 maart 2025 WhatsApp-berichten verstuurd naar zoon [slachtoffer 2] waarin hij onder meer dreigde om langs te komen bij de woning van aangeefster. In de nacht van 21 op 22 april 2025 heeft verdachte wederom WhatsApp-berichten naar [slachtoffer 2] gestuurd waarin hij onder meer dreigde om langs te komen bij aangeefster. Ook heeft hij die desbetreffende nacht [slachtoffer 2] en aangeefster meerdere keren gebeld. Daarnaast heeft hij de ouders van aangeefster een tweetal emailberichten gestuurd. Op 1 mei 2025 heeft verdachte naar [slachtoffer 2] een WhatsApp-bericht gestuurd waarin hij dreigde langs te komen. Verdachte stond op die datum daadwerkelijk voor de woning van aangeefster. De politie heeft verdachte toen aangehouden voor het uitzitten van een eerder opgelegde voorwaardelijke straf die aan hem was opgelegd onder meer vanwege de eerdere belaging van aangeefster. Op 4 juni 2025 is met verdachte een stopgesprek gevoerd waarin hem duidelijk is verteld dat hij moest stoppen met het lastigvallen van aangeefster. Verdachte is desondanks op 8 augustus 2025 meerdere keren langs de woning van aangeefster gereden en hij heeft voor de woning gestaan. Op 9 augustus en 16 augustus 2025 heeft verdachte een tweetal emailberichten naar aangeefster verstuurd. Op 16 augustus 2025 heeft verdachte ook een beledigende Facebook-post geplaatst over aangeefster. Op 18 augustus 2025 heeft verdachte meerdere keren gebeld naar aangeefster en [slachtoffer 2] .

De rechtbank is, in tegenstelling tot de raadsman, van oordeel dat deze verschillende feitelijke handelingen van verdachte niet op zichzelf staan, maar juist in onderlinge samenhang en binnen de achterliggende context van de jarenlange gespannen verhouding tussen verdachte en aangeefster moeten worden bezien. Het is de rechtbank ook ambtshalve bekend dat verdachte in 2023 is veroordeeld voor onder meer belaging van aangeefster. De rechtbank neemt deze omstandigheid mee in haar beoordeling van het gedrag van verdachte. De gedragingen van verdachte richting aangeefster hebben door deze eerdere veroordeling een extra verontrustend karakter en liggen wat de rechtbank betreft onder een vergrootglas, omdat tegen verdachte een nieuwe verdenking is gerezen van belaging van hetzelfde slachtoffer, ondanks eerder strafrechtelijk ingrijpen.

De rechtbank neemt voorts in overweging dat zoon [slachtoffer 2] een bij aangeefster inwonend minderjarig kind is en het gedrag van verdachte richting [slachtoffer 2] ook zijn weerslag heeft op aangeefster. Ook de emailberichten die verdachte naar de ouders van aangeefster heeft verstuurd, hebben impact gehad op aangeefster zelf, omdat tussen de ouders en aangeefster een directe familieband bestaat. Aangeefster wordt doordat haar directe naasten worden lastiggevallen, geconfronteerd met het gedrag van verdachte wat ook haar eigen gemoedstoestand en persoonlijke leven raakt. Dit zijn omstandigheden die ook voor verdachte duidelijk moeten zijn geweest. Het kan niet anders dan dat verdachte wist dat de nare berichten die hij aan [slachtoffer 2] en zijn schoonouders stuurde ook ter kennis zouden komen van aangeefster.

Conclusie

Als de rechtbank tegen die achtergrond de balans opmaakt van de gedragingen van verdachte richting aangeefster en de impact daarvan op de persoonlijke levenssfeer, dan komt de rechtbank tot het oordeel dat verdachte zich in de ten laste gelegde pleegperiode schuldig heeft gemaakt aan belaging. De rechtbank overweegt daartoe dat verdachte wist dat het contact zowel direct als indirect met aangeefster ongewenst was. Verdachte is eerder veroordeeld voor belaging van hetzelfde slachtoffer en op 4 juni 2025 heeft de politie in het stopgesprek in niet mis te verstane bewoordingen medegedeeld dat verdachte moest stoppen met het lastigvallen van aangeefster en hem gewaarschuwd dat als hij daarmee zou doorgaan, vervolging zal worden ingesteld. Ondanks dat verdachte hiervan op de hoogte was, heeft hij zijn gedrag voortgezet. Dit heeft hij op indringende wijze gedaan. De WhatsApp- en emailberichten die verdachte heeft verstuurd waren beledigend, dreigend en dwingend van toon. Ook is hij meerdere keren onverwachts langs de woning van aangeefster gegaan en heeft hij voor de voordeur van de woning van aangeefster gestaan. Hiermee heeft hij aangeefster feitelijk gedwongen te dulden dat veelvuldig en op onverwachte momenten contact met haar werd gezocht. Dat de contacten van verdachte volgens zijn eigen zeggen overwegend zagen op het contact met zijn kinderen, doet aan de wederrechtelijkheid van die gedragingen niets af. Voor verdachte stonden hiervoor andere en meer gepaste wegen ter beschikking, echter heeft hij daar geen of niet effectief gebruik van gemaakt. Bewijsoverweging feit 2

Het bewijsminimumvoorschrift

Artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering bevat het voorschrift dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, door de rechter niet uitsluitend kan worden aangenomen op basis van de verklaring van één getuige. Deze bepaling heeft betrekking op de tenlastelegging in haar geheel en niet op een onderdeel daarvan. Zij beoogt de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te waarborgen, in die zin dat deze bepaling de rechter verbiedt tot een bewezenverklaring te komen als de door één getuige naar voren gebrachte feiten en omstandigheden op zichzelf staan en onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal.6

Beoordeling van het bewijs

De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de aangifte van [slachtoffer 3] , met de aanvulling dat zij het bericht in de laatste week van april 2025 heeft ontvangen, en de door haar aangeleverde

schermafbeeldingen voldoende steun vinden in ander onafhankelijk bewijsmateriaal. Het antwoord op deze vraag luidt bevestigend. De aangifte vindt naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun in de eigen verklaring van verdachte. De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Verdachte heeft verklaard dat hij weleens onder invloed van alcohol boze berichten heeft verstuurd waarvan hij soms achteraf niet meer weet dat hij dit heeft gedaan. Hij heeft ook verklaard dat hij boos was, omdat zijn kinderen bij hem werden weggehouden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn zus “ [bijnaam] ” noemt en dat hij ook boos was op haar. Volgens verdachte heeft zijn zus (aangeefster) enorm zitten stoken. Als de rechtbank deze verklaring van verdachte in samenhang beschouwt met de in het geding zijnde WhatsApp-berichten, dan komt naar voren dat de verzender van deze berichten aangeefster noemt bij haar naam “ [bijnaam] ” en dat deze verzender “ [bijnaam] ” verantwoordelijk houdt voor het missen van zijn kinderen. De WhatsApp-berichten bevatten dus specifieke verwijzingen naar de conflictueuze familiesituatie en emotionele toestand waar verdachte zich in bevindt en waarover hij heeft verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze berichten logischerwijs enkel en alleen vanuit de denkbeelden van verdachte zijn geschreven. Verdachte heeft het scenario aangedragen dat zijn account mogelijk was gehackt. Hij heeft het schrijven en versturen van deze Whatsapp-berichten ontkend. De rechtbank vindt het onlogisch dat een onbekende derde enig belang heeft bij het schrijven van deze berichten. Bij een onbekende derde ontbreekt bovendien de emotie en achtergrondkennis om de WhatsApp-berichten op een dergelijke manier te verwoorden. Daarnaast heeft verdachte de stelling dat zijn account zou zijn gehackt op geen enkele manier onderbouwd en zijn daarvoor ook geen aanwijzingen in het dossier te vinden.

Bewezenverklaring

De rechtbank acht het ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat:

1

hij in de periode van 17 maart 2025 tot en met 18 augustus 2025 te Drachten, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op eens anders persoonlijke levenssfeer, te weten die van [slachtoffer 1] door

2

hij omstreeks de periode 21 tot en met 30 april 2025 in de gemeente Smallingerland

[slachtoffer 3] via WhatsApp heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door die

[slachtoffer 3] WhatsApp-berichten te sturen met onder meer de woorden: “ [bijnaam] je bent de lul" en “Ik ben geen goedaardige [slachtoffer 3] . Wacht maar af narcist. Wacht maar af” en "doe maar voorzichtig, ik wil toch al dood en neem jou mee"

Verdachte zal van het meer of anders ten laste gelegde worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet bewezen acht.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde levert op:

Deze feiten zijn strafbaar nu geen omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid uitsluiten.

Strafbaarheid van verdachte

De rechtbank acht verdachte strafbaar nu niet van enige strafuitsluitingsgrond is gebleken.

Strafmotivering

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de oplegging van de volgende straf en maatregelen gevorderd:

contact- en locatieverbod wordt opgelegd met aangeefster [slachtoffer 1] en haar kinderen voor de duur van 5 jaren met één week vervangende hechtenis per overtreding met een maximum van 6 maanden hechtenis en de dadelijke uitvoerbaarheid van deze maatregel;

- een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel zoals bedoeld in artikel 38z van het

Wetboek van Strafrecht.

Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft in het geval van veroordeling gepleit voor oplegging van een beduidend lagere gevangenisstraf dan de duur van het reeds ondergane voorarrest. Ook heeft de raadsman opheffing van de voorlopige hechtenis verzocht. Daarnaast heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat kan worden volstaan met een gevangenisstraf en een voorwaardelijk strafdeel met daaraan verbonden bijzondere voorwaarden. Verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan voorwaarden. De oplegging van een tbs met dwangverpleging is gelet op de ernst van de feiten disproportioneel. De raadsman heeft ter onderbouwing verwezen naar een drietal vonnissen.7 De raadsman heeft subsidiair heropening van het onderzoek verzocht om de mogelijkheden van een tbs met voorwaarden te verkennen als de rechtbank de oplegging van een tbs-maatregel overweegt. Voorts heeft de raadsman afwijzing bepleit van de oplegging van de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. De raadsman heeft zich niet verzet tegen de oplegging van de maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht.

Het oordeel van de rechtbank

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan, de persoon van verdachte zoals deze naar voren is gekomen uit het onderzoek ter terechtzitting, de pro justitia rapportages, het reclasseringsadvies, het uittreksel uit de justitiële documentatie van 14 september 2026, alsmede de vordering van de officier van justitie en het pleidooi van de verdediging. De rechtbank heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De ernst van de feiten

Verdachte heeft zich gedurende vijf maanden schuldig gemaakt aan belaging. Hij is op onverwachte momenten langs de woning van aangeefster gereden en heeft daar voor de voordeur gestaan. De berichten die verdachte heeft verstuurd waren dwingend, kwetsend en dreigend. Verdachte begreep dat aangeefster geen contact met hem wilde. Hij is, ondanks een eerdere veroordeling en stopgesprek, toch blijven doorgaan met het zoeken naar contact. Hij heeft in wat naar eigen zeggen een zoektocht was naar omgang en contact met zijn kinderen in verregaande mate de grenzen overschreden van wat redelijk en gepast is. Verdachte heeft vooral zijn eigen belangen nagestreefd en lijkt niet te beseffen wat voor impact zijn handelen heeft op aangeefster en haar omgeving. Blijkens de slachtofferverklaring heeft aangeefster door het gedrag van verdachte in voortdurende angst, onzekerheid en onvrijheid geleefd. Ook is de ontwikkeling van hun kinderen hierdoor onder druk komen te staan. Verdachte heeft, doordat hij zijn emoties niet in bedwang kon houden, een ingewikkelde en tegelijkertijd verdrietige gezinssituatie gecreëerd. Verdachte heeft zich daarnaast schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn zus door haar bedreigende berichten te sturen. Uit haar aangifte blijkt dat zij hierdoor erg angstig is geworden.

De persoon en de persoonlijke omstandigheden

Uit het strafblad van verdachte blijkt dat hij eerder is veroordeeld voor belaging ter zake van dezelfde aangeefster. Er is gelet daarop sprake van relevante recidive.

De rechtbank heeft kennisgenomen van de pro justitia rapportages van de psycholoog

N. van der Weegen van 2 april 2026 en 13 augustus 2026. De psycholoog heeft bij verdachte een autismespectrumstoornis, zwakbegaafdheid en een stoornis in het gebruik van middelen (alcohol en benzodiazepines) vastgesteld. Het ontbreekt verdachte volgens de psycholoog aan probleembesef, zelfinzicht en empathie. Hij voelt anderen niet aan en kan zich ook niet voorstellen hoe iemand anders op een gebeurtenis kan reageren. Verdachte externaliseert en bagatelliseert. Door zowel de autismespectrumstoornis als de zwakbegaafdheid heeft verdachte onvoldoende emotieregulatie- en probleemoplossende vaardigheden. Hij heeft niet de vaardigheden om onlustgevoelens te hanteren. De stoornissen van verdachte hebben hem belemmerd in het maken van andere keuzes. De psycholoog adviseert daarom het feit aan verdachte verminderd toe te rekenen. De rechtbank heeft ook acht geslagen op de pro justitia rapportage van de psychiater F. Harmanny-Wiersma van 13 augustus 2026. De psychiater komt wat betreft de diagnose en de toerekening tot dezelfde conclusies als de psycholoog.

De psycholoog beschrijft verder dat verdachte geneigd is om hulpverlening af te breken als deze niet voldoet aan zijn verwachting. Verdachte overschat zichzelf en kan niet kritisch naar zichzelf kijken. Hij ontkent zijn problematiek. Verdachte is van mening geen behandeling nodig te hebben. De psycholoog is van oordeel dat het recidiverisico, ook op gewelddadig gedrag, hoog is als verdachte niet leert omgaan met zijn autismespectrumstoornis en de daarmee samenhangende problemen, waaronder het omgaan met emoties en frustraties. Ook moet verdachte behandeld worden voor zijn middelengebruik. Het middelengebruik heeft een ontremmend effect op het gedrag van verdachte en verhoogt het recidiverisico. De psychiater ziet daarnaast in het middelengebruik een risico op escalatie richting fysiek geweld. Ook de psychiater schat het risico op gewelddadig gedrag als hoog in. De behandeling van verdachte dient volgens beide gedragsdeskundigen klinisch te beginnen en binnen een gedwongen kader plaats te vinden, omdat zij verwachten dat verdachte wegens zijn houding en gebrek aan probleembesef niet mee zal werken aan behandeling binnen een vrijwillig kader. Beide gedragsdeskundigen adviseren om die reden de oplegging van een tbs met dwangverpleging.

De rechtbank heeft ook het reclasseringsadvies van 8 januari 2026 gelezen. De reclassering ziet een verontrustend patroon van escalerend stalkinggedrag. De reclassering beschrijft dat verdachte vol overtuiging aangeeft nooit meer in dezelfde situatie terecht te zullen komen. De boosheid, het verdriet, de frustraties, de achterdocht en het externaliseren zijn echter nog altijd prominent aanwezig volgens de reclassering. De reclassering schat de risicos op recidive, letsel en het onttrekken aan voorwaarden in als hoog. Eerdere strafrechtelijke interventies hebben niet een blijvend effect gehad en de reclassering constateert problemen op alle leefgebieden.

De op te leggen maatregelen Tbs-maatregel

De rechtbank neemt het advies van de gedragsdeskundigen over voor zover dit ziet op de diagnose en toerekenbaarheid. Zij is met de gedragsdeskundigen van oordeel dat het bewezenverklaarde in verminderde mate aan verdachte moeten worden toegerekend.

Het staat naar het oordeel van de rechtbank buiten kijf dat het gedrag van verdachte werd gedreven door onbedwongen emoties. De gedragsdeskundigen hebben bij verdachte stoornissen vastgesteld die hem beperken in zijn emotieregulatie en het gebruik van middelen zorgt voor een verdere ontregeling van die emoties. Volgens de gedragsdeskundigen moet verdachte behandeling ondergaan zodat hij leert omgaan met zijn stoornissen zodat hij in de toekomst zijn onlustgevoelens kan hanteren en zijn middelengebruik wordt teruggedrongen. Dit alles om de risicos op recidive en escalatie richting geweld in het vervolg te beperken. De gedragsdeskundigen adviseren een behandeling binnen een gedwongen kader, omdat verdachte zich weigerachtig tegenover een behandeling heeft opgesteld. De vraag die de rechtbank moet beantwoorden is of het nodig is dat deze behandeling gedwongen plaatsvindt. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte ontkent tijdens de nabesprekingen van de concept pro justitia rapportages de gestelde diagnoses. Als verdachte ter terechtzitting wordt gevraagd of hij zich in de gestelde diagnoses herkent, dan kan hij daar moeilijk antwoord op geven. Bij de rechtbank is hierdoor de indruk ontstaan dat verdachte zich niet kan vinden in de gestelde diagnoses. Voorts is bij de rechtbank het beeld ontstaan dat verdachte erg weinig inzicht heeft in het effect dat zijn handelen heeft op anderen. Verdachte heeft ter terechtzitting vooral verklaard over hoe hij de gebeurtenissen zelf heeft ervaren en hoe anderen bij hem boosheid en frustratie hebben veroorzaakt. De rechtbank is er niet van overtuigd dat verdachte daadwerkelijk begrijpt dat zijn externaliserende gedrag nadelig kan zijn voor een ander. Als verdachte ter terechtzitting vervolgens wordt gevraagd naar zijn bereidheid om binnen een voorwaardelijk kader aan een behandeling mee te werken, dan antwoordt hij: ”Als het moet, dan moet het. Ik ben bereid mee te werken als het aan mij wordt opgelegd.” Tegelijkertijd zegt verdachte meermalen dat hij het allemaal wat overdreven vindt en dat hij gewoon naar huis wil. Verdachte heeft bij de rechtbank niet de indruk achtergelaten dat hij daadwerkelijk gemotiveerd is om aan een behandeling mee te werken.

De rechtbank ziet net als de gedragsdeskundigen sterke contra-indicaties voor een behandeling binnen een voorwaardelijk kader. Bij verdachte is ter terechtzitting geen andere opstelling te ontwaren dan tijdens de pro justitia onderzoeken. Belangrijke pijlers voor een kansrijke behandeling binnen een voorwaardelijk kader zijn ziekte-inzicht en intrinsieke motivatie om behandeling te ondergaan en daaraan mee te werken. Deze pijlers ontbreken bij verdachte, waardoor de rechtbank net als de gedragsdeskundigen grote twijfel heeft bij de haalbaarheid van een behandeling binnen een dergelijk kader. De bereidheid van verdachte om aan een voorwaardelijk kader mee te werken lijkt vooral te zijn ingegeven door proces-strategische overwegingen, waarbij hij genoegen probeert te nemen met een in zijn ogen minder slechte consequentie. De rechtbank zal dan ook het advies tot oplegging van een tbs met dwangverpleging volgen. Weliswaar geldt voor een tbs met voorwaarden dat bij het niet naleven van de voorwaarden een omzetting naar tbs met dwangverpleging dreigt, maar dit maakt het oordeel van de rechtbank niet anders. Daartoe overweegt de rechtbank dat bij verdachte geen enkele intrinsieke motivatie aanwezig is om mee te werken aan voorwaarden en dat een eerder reclasseringstoezicht is mislukt omdat hij zich ernstig belastend heeft gedragen tegen een reclasseringsmedewerker. Ook om die reden ziet de rechtbank geen aanleiding om het onderzoek ter terechtzitting te heropenen om alsnog een maatregelrapport op te laten maken.

De raadsman heeft betoogd dat de oplegging van een tbs met dwangverpleging niet in verhouding staat tot de ernst van het feit. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Het berust op een misvatting dat de oplegging van een terbeschikkingstelling zich moet verhouden tot de ernst van het indexdelict. De maatregel van terbeschikkingstelling kan worden opgelegd als de veiligheid van personen of goederen dit eist en niet met minder ingrijpende maatregelen kan worden volstaan. In dit geval is gebleken dat geen geschikte alternatieven voorhanden zijn en dat het onverantwoord is om verdachte onbehandeld terug te laten keren in de samenleving.

De rechtbank zal aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling opleggen. Blijkens de hiervoor genoemde psychiatrische en psychologische rapportage bestond bij verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling en/of ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens. Het door verdachte begane feit betreft het misdrijf omschreven in artikel 285b van het Wetboek van Strafrecht waar een maatregel van terbeschikkingstelling voor kan worden opgelegd. Verder eist de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de oplegging van deze maatregel.

De rechtbank zal, nu het bewezenverklaarde geen misdrijf betreft dat gericht was tegen en gevaar heeft veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een persoon, deze maatregel gemaximeerd opleggen. Dit betekent dat de maatregel maximaal 4 jaren kan duren.

Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM-maatregel)

De rechtbank zal ambtshalve overgaan tot oplegging van een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van deze maatregel noodzakelijk voor de bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen. De rechtbank leidt uit de stukken omtrent de persoon van verdachte af dat het risico op recidive en (gewelddadige) escalatie als hoog wordt ingeschat. Een eerdere veroordeling heeft verdachte er niet van weerhouden om aangeefster opnieuw te gaan belagen. Verdachte staat bovendien niet welwillend tegenover een behandeling en de op te leggen tbs-maatregel is gemaximeerd. Een aantal stoornissen (autismespectrumstoornis en zwakbegaafdheid) van verdachte zijn blijvend en omdat niet te voorspellen is of een tbs-behandeling effectief zal zijn, is langdurig toezicht, ook nadat verdachte een tbs-behandeling heeft ondergaan, vereist om het recidiverisico in te kunnen perken. Aan de wettelijke vereisten voor oplegging van een GVM-maatregel is voldaan.

38v-maatregel

De officier van justitie heeft een contact- en locatieverbod gevorderd met oplegging van de maatregel zoals bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank ziet geen meerwaarde in het opleggen van deze maatregel naast de maatregel van tbs met dwangverpleging. Het slachtoffer wordt met het opleggen van een tbs met dwangverpleging voldoende beschermd. Bovendien kan de tbs met dwangverpleging worden opgevolgd door een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als de tbs-behandeling niet (voldoende) effectief is gebleken.

De strafmaat

De rechtbank heeft bij het bepalen van de strafmodaliteit gekeken naar het strafblad van verdachte. Aan verdachte is eerder een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd met de waarschuwing dat hij niet opnieuw strafbare feiten moet gaan plegen. Deze voorwaardelijke gevangenisstraf heeft kennelijk geen afschrikwekkend effect gehad op verdachte. Naar het oordeel van de rechtbank resteert slechts het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Gelet op de ernst van de feiten, de verminderde toerekenbaarheid van verdachte, de eerdere veroordeling voor stalking van hetzelfde slachtoffer en de straffen die doorgaans voor belaging worden opgelegd, is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur

van 6 maanden passend en geboden is. Voor een hogere straf ziet de rechtbank geen ruimte, ondanks de omstandigheid dat de voorlopige hechtenis van verdachte substantieel langer heeft geduurd.

Toepassing van wetsartikelen

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 37a, 37b, 38z, 57, 285, 285b van het Wetboek van Strafrecht. Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak gelden.

Uitspraak

De rechtbank

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in de vervolging voor zover het ten laste gelegde onder 1 ziet op de belaging van de slachtoffers [slachtoffer 2] en de ouders van [slachtoffer 1] .

Verklaart het onder 1 en 2 ten laste gelegde bewezen, te kwalificeren en strafbaar zoals voormeld en verdachte daarvoor strafbaar.

Verklaart niet bewezen hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan het bewezen verklaarde en spreekt verdachte daarvan vrij.

Veroordeelt verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Beveelt dat de tijd die de veroordeelde voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf, geheel in mindering zal worden gebracht.

Gelast dat verdachte ter beschikking zal worden gesteld en beveelt dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.

Legt aan de verdachte op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.

Dit vonnis is gewezen door mr. W.S. Sikkema, voorzitter, mr. A. van den Oever en

mr. E.S. Van den Berg, rechters, bijgestaan door mr. J.K. Qiu, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 20 oktober 2026.

Mr. E.S. van den Berg is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. HR 14 september 2004, ECLI:NL:HR:2004:AP4226, NJ 2004/265.

2 Zie artikelen 64 en 65 van het Wetboek van Strafrecht.

3 HR 16 oktober 2018, ECLI:NL:HR:2018:1949, NJ 2018/427, r.o. 2.3.

4 HR 4 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3095, NJ 2015/48, r.o. 2.5.4.

5 Kamerstukken II, 1997/98, 25768, nr. 5, p. 2.

6 HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2034, r.o. 3.3.

7 Rb. Gelderland 19 februari 2026, ECLI:NL:RBGEL:2026:1768, Rb. Zeeland West-Brabant 22 juni 2021,

ECLI:NL:RBZWB:2021:3125 en Rb. Zeeland West-Brabant 13 april 2023, ECLI:NL:RBZWB:2023:2441.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. W.S. Sikkema
  • mr. A. van den Oever
  • mr. E.S. Van den Berg

Griffier

  • mr. J.K. Qiu

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand