RECHTBANK Noord-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Groningen
Zaaknummer: C/18/250321 / HA ZA 25-264
Vonnis van 21 oktober 2026
in de zaak van
[eiser] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.B. Maliepaard,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [vestigingsplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaat: mr. S. Erkel.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 4 maart 2026;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 3 september 2026;
- de spreekaantekeningen van mr. Erkel.
[eiser] is, hoewel deugdelijk opgeroepen, niet op de mondelinge behandeling verschenen.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
[naam 1] (hierna: [naam 1] ) en zijn vrouw [naam 2] (hierna: [naam 2] ) hebben samen in 2024 [gedaagde] opgericht. [naam 1] kende (de persoon) [eiser] (hierna: [eiser] ) via een oud-collega.
Op 7 februari 2024 heeft er tussen [naam 2] en [eiser] een gesprek plaatsgevonden over het opzetten van [gedaagde] . Er is toen besproken dat [eiser] tegen een vergoeding een aantal werkzaamheden voor [gedaagde] zou gaan verrichten. Partijen spraken voor deze werkzaamheden een vergoeding af van € 80,00 per uur.
[eiser] heeft vervolgens via zijn holding ( [eiser] ) voor deze werkzaamheden een tweetal facturen gestuurd, namelijk één factuur ‘werkzaamheden februari 2024’ van 20 maart 204 ter hoogte van € 820,00 en één factuur ‘werkzaamheden april 2024’ van 16 mei 2024 ter hoogte van € 640,00.
[gedaagde] heeft beide facturen betaald.
[eiser] is daarna betrokken gebleven bij [gedaagde] en partijen hebben gesprekken gevoerd over het eventueel verkrijgen van 15% van de aandelen in [gedaagde] . Hierover hebben partijen uiteindelijk geen overeenstemming bereikt.
Op 29 november 2024 heeft [eiser] de volgende e-mail met in de bijlage meerdere facturen ter hoogte van in totaal € 44.486,12 naar [naam 2] gestuurd:
‘Beste [naam 2] ,
Tijdens ons laatste gesprek heb ik toegelicht waarom de eerder mondeling overeengekomen 15% van de aandelen naar mijn mening niet toereikend is. Ik gaf aan dat een aandeel van 1/3 beter recht doet aan mijn (toekomstige) bijdrage. Helaas bleek er geen ruimte voor verdere onderhandelingen, aangezien je direct aangaf volledig af te zien van het toekennen van aandelen. In je latere e-mail heb je bevestigd dat je bij dit standpunt blijft.
In de bijlage tref je mijn facturen voor de maanden mei tot en met november van dit jaar. Hierbij hanteer ik een aangepast tarief van €160 per uur. In factuur [factuurnummer 1] is tevens de wettelijk verplichte btw verrekend over de facturen [factuurnummer 2] en [factuurnummer 3] . De facturen hebben een betaaltermijn van 90 dagen.
Ik waardeer je bereidheid om mij in de toekomst eventueel in te huren als arts op ZZP-basis. Daar sta ik open voor, op basis van het bovengenoemde uurtarief.
Ik zie je reactie graag tegemoet.
Met vriendelijke groet,
[eiser] ’
[gedaagde] is niet tot betaling van de op 29 november 2024 verzonden facturen overgegaan.
3. Het geschil
[eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde] veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 44.486,12 althans
€ 23.141,72, te vermeerderen met de daarover verschuldigde wettelijke
handelsrente vanaf 28 februari 2025 tot de dag der algehele voldoening;
II. [gedaagde] veroordeelt om aan [eiser] een bedrag van € 1.219,86
althans € 1.006,42 aan buitengerechtelijke incassokosten, althans een in goede
justitie door uw rechtbank te bepalen bedrag, te vermeerderen met de wettelijke
rente hierover vanaf de dag der dagvaarding tot de dag van volledige betaling;
III. [gedaagde] veroordeelt tot betaling aan [eiser] van de proceskosten en nakosten van deze procedure, met inbegrip van salaris advocaat, één en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf veertien (14) dagen na het te dezen te wijzen vonnis.
[gedaagde] voert verweer en concludeert, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [eiser] in de kosten van dit geding, te vermeerderen met de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van het vonnis, en - voor het geval voldoening van de proceskosten en de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn van 14 dagen plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente daarover te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening tot aan de dag der algehele voldoening.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.
4. De beoordeling
[eiser] legt aan haar primaire vordering tot betaling van € 44.486,12 het volgende ten grondslag. De vordering bestaat uit twee delen. Enerzijds de per abuis vergeten BTW over de facturen van februari en april 2024 ter hoogte van € 306,60. Anderzijds betreft de vordering verschuldigd loon over de maanden mei 2024 tot en met november 2024, vermeerderd met BTW en reis- en benzinekosten. [eiser] stelt dat hij in deze periode actief heeft bijgedragen aan het opzetten van [gedaagde] . Ter onderbouwing van de werkzaamheden verwijst hij naar door hem als productie 13 in het geding gebrachte whatsappberichten. De werkzaamheden zien volgens [eiser] op advisering aan het bestuur van [gedaagde] klinische ondersteuning tijdens behandeldagen, het werven en begeleiden van personeel, het opzetten van de website, de aanschaf van materiaal en medicatie en het ophalen daarvan (soms in het buitenland), het onderhouden van contacten met leveranciers en payrollbedrijven en deelname aan organisatorisch overleg. [eiser] stelt dat hij zijn werkzaamheden om niet zou verlenen in ruil voor een belang van 15% in [gedaagde] . [eiser] stelt dat er geen afspraak is gemaakt over de hoogte van het loon in het geval niet aan de voorwaarde zou worden voldaan dat [eiser] een aandelenbelang van 15% in [gedaagde] zou verkrijgen. Daarom is [gedaagde] als opdrachtgever, ingevolge artikel 7:405 lid 2 BW het op de gebruikelijke wijze berekende loon aan [eiser] verschuldigd. € 160,00 per uur is volgens [eiser] een gebruikelijk uurtarief voor vergelijkbare interim- en consultancywerkzaamheden binnen de medische sector. De vordering van [eiser] is als volgt opgebouwd:
BTW over de facturen van februari en april: € 306,60
Gebruikelijk loon: € 35.280.00
BTW: € 7.408,80
Reis- en benzinekosten: € 1.490,72 +
Totaal: € 44.486,12
Subsidiair stelt [eiser] dat [gedaagde] voor de door hem verrichte werkzaamheden een redelijk loon verschuldigd is van € 80,00 (exclusief BTW) als bedoeld in artikel 7:405 lid 2 BW. De vordering bedraagt dan:
BTW over de facturen van februari en april: € 306,60
Gebruikelijk loon: € 17.640,00
BTW: € 3.704,40
Reis- en benzinekosten: € 1.490,72 +
Totaal: € 23.141,32
[gedaagde] betwist primair dat er een overeenkomst van opdracht aan de betrokkenheid van [eiser] bij [gedaagde] ten grondslag ligt op basis waarvan [eiser] recht zou hebben op loon. [eiser] bleef volgens [gedaagde] vriendschappelijk en op eigen initiatief betrokken zonder dat partijen hadden afgesproken dat hij daarvoor loon zou ontvangen. [gedaagde] betwist dat hij, naast de afgebakende opdracht in februari en april 2024, opdrachten heeft gegeven aan [eiser] . [gedaagde] heeft gemotiveerd betwist dat uit de door [eiser] in het geding gebrachte WhatsApp-berichten (productie 13) een opdracht tot de door hem gefactureerde werkzaamheden kan worden afgeleid. Daarnaast heeft [gedaagde] (subsidiair) gemotiveerd het aantal door [eiser] om rekening gebrachte uren en de hoogte van het loon betwist. Tot slot betwist [gedaagde] dat hij over de facturen van februari en april 2024 nog BTW verschuldigd is aan [eiser] , er was namelijk sprake van een ‘all-in ‘tarief van € 80,00.
[eiser] is niet verschenen op de mondelinge behandeling om de grondslag van zijn vordering nader te onderbouwen en de standpunten van [gedaagde] te betwisten. Zoals de rechtbank al in haar tussenvonnis heeft aangegeven in r.o. 2.2, kan de rechtbank uit een niet verschijnen van een partij ter comparitie de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - maken die zij geraden zal achten Het voorgaande is ook bepaald in artikel 88 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Nu [eiser] niet is verschenen op de zitting van 3 september 2026 terwijl zij op de voorgeschreven wijze is opgeroepen, verbindt de rechtbank daaraan de gevolgtrekking dat – gelet op de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] – niet is komen vast te staan dat er een overeenkomst van opdracht tussen partijen tot stand is gekomen als bedoeld in artikel 7:400 BW, dan wel dat [eiser] de door hem gestelde werkzaamheden (in opdracht van [gedaagde] ) heeft verricht. Nu niet is komen vast te staan dat er tussen partijen sprake was van een overeenkomst van opdracht kan in het midden blijven wat een gebruikelijk (primaire vordering) dan wel redelijk (subsidiaire vordering) loon is. Tot slot overweegt de rechtbank dat evenmin is komen vast te staan dat [gedaagde] over de reeds betaalde facturen van februari en april 2024 nog BTW moet voldoen, dan wel dat zij reis- en benzinekosten aan [eiser] verschuldigd is.
Gelet op het voorgaande zullen zowel de primaire als de subsidiaire vordering onder I worden afgewezen.
Omdat de vorderingen onder I worden afgewezen, zullen ook de door [eiser] gevorderde wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten worden afgewezen.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht
€
2.995,00
- salaris advocaat
€
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
5.764,00
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
5. De beslissing
De rechtbank
wijst de vorderingen van af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [eiser] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P. Molema en in het openbaar uitgesproken op 21 oktober 2026.
711/lw