RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11497821 \ CV EXPL 25-349
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
[eiser]
wonende te [plaats]
eiser
hierna te noemen: de passagier
gemachtigde: mr. A.Y. Lai (Lawpoint Gerechtsdeurwaarders)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Emirates
gevestigd te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. M. Lustenhouwer (AKD N.V.)
De zaak in het kort
De passagier heeft compensatie van de vervoerder gevorderd voor een vertraagde vlucht. De vervoerder voert aan dat hij niet hoeft te compenseren omdat de passagier zijn eventuele vorderingsrecht heeft overgedragen aan een derde. De passagier heeft echter voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat deze derde het vorderingsrecht weer aan hem terug heeft overgedragen. De vordering van de passagier wordt toegewezen.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagier heeft een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hem op 3 en 4 december 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport, via Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, naar Bali, Indonesië, met vluchtcombinatie EK148 en EK368.
De vervoerder heeft vlucht EK148 van Amsterdam naar Dubai (hierna: de vlucht) vertraagd uitgevoerd. De passagier heeft de aansluitende vlucht gemist. De passagier is met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming aangekomen.
De passagier heeft daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagier vordert dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 600,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 27 november 2024 tot aan de dag der algehele voldoening;- € 108,90 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagier baseert zijn vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagier stelt dat de vervoerder hem vanwege de vertraging van de vlucht moet compenseren met een bedrag van € 600,-.
De vervoerder voert verweer. Hij voert aan dat de passagier zijn vorderingsrecht heeft overgedragen aan een derde en daarom geen aanspraak (meer) kan maken op compensatie.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
Vast staat dat de passagier op 14 augustus 2024 zijn eventuele vorderingsrecht tot compensatie heeft overgedragen aan Click2Refund Inc. (hierna: Click2Refund). De passagier stelt echter dat Click2Refund de vordering vervolgens weer terug aan hem heeft overgedragen. Ter onderbouwing heeft hij een document met de titel ‘declaration of reassignment’ overgelegd (hierna: het overdrachtsdocument).
De vervoerder betwist dit. Hij betwist dat degene die het overdrachtsdocument namens Click2Refund heeft getekend bevoegd is om vorderingen van Click2Refund over te dragen. Ook is er geen paspoort van deze persoon overgelegd.
Het verweer van de vervoerder slaagt niet. De passagier heeft bij repliek toegelicht dat het overdrachtsdocument is getekend door de heer [betrokkene], directeur van Click2Refund. Daarbij heeft de passagier een oprichtingsakte van Click2Refund overgelegd, waaruit blijkt dat de heer [betrokkene] de oprichter en directeur van Click2Refund is. Gelet daarop heeft de vervoerder onvoldoende gemotiveerd betwist dat hij niet bevoegd zou zijn om namens Click2Refund te tekenen voor de overdracht van de vordering. Al met al heeft de passagier voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat Click2Refund het eventuele vorderingsrecht tot compensatie weer terug heeft overgedragen aan de passagier.
Vast staat ook dat de passagier met een vertraging van meer dan drie uur op de eindbestemming is aangekomen, zodat de vervoerder in beginsel moet compenseren. Omdat de vervoerder geen ander verweer tegen de vordering tot compensatie heeft gevoerd, zal deze worden toegewezen.
De gevorderde wettelijke rente over de hoofdsom is als onvoldoende gemotiveerd weersproken toewijsbaar. Het betreft hier een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade, zodat deze schade gelet op artikel 6:83 sub b BW terstond opeisbaar is. Het verzuim treedt dus zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. Dat is de datum waarop de passagier op de eindbestemming had moeten aankomen. Omdat de passagier vanaf een latere datum wettelijke rente heeft gevorderd, wordt deze, zoals gevorderd, toegewezen vanaf 27 november 2024.
De passagier heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vervoerder betwist deze vordering. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagier heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten (en de daarover gevorderde rente) moet daarom worden afgewezen.
De vervoerder stelt dat de passagier moet worden veroordeeld in de proceskosten dan wel dat deze moeten worden gecompenseerd omdat de passagier de procedure onnodig aanhangig heeft gemaakt. De vervoerder heeft de passagier zelf gecontacteerd en compensatie aangeboden, waar de passagier niet op heeft gereageerd.
Dit betoog slaagt niet. De vervoerder heeft dit immers op geen enkele manier onderbouwd of geconcretiseerd. Daarnaast heeft de vervoerder in deze procedure inhoudelijk verweer tegen de vordering gevoerd en is niet gebleken dat hij de compensatie al betaald heeft. Daarmee is de procedure niet onnodig aanhangig gemaakt.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagier worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagier van € 600,00, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 27 november 2024 tot aan de dag van de voldoening van dit bedrag;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagier tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 226,00;salaris gemachtigde € 135,00;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagier daadwerkelijk nakosten zal maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter