RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Handel, Kanton en Insolventie
locatie Haarlem
Zaaknr./rolnr.: 11033047 \ CV EXPL 24-2231
Uitspraakdatum: 28 januari 2026
Vonnis van de kantonrechter in de zaak van:
1. [eiser 1] 2. [eiser 2]beiden wonende te [plaats]
eisers
hierna gezamenlijk te noemen: de passagiers
gemachtigde: [gemachtigde] (Yource B.V.)
tegen
de vennootschap naar buitenlands recht
Royal Air Maroc
gevestigd te Schiphol
gedaagde
hierna te noemen: de vervoerder
gemachtigde: mr. T. Teke (Advocatenpraktijk Teke)
De zaak in het kort
De passagiers hebben compensatie van de vervoerder gevorderd vanwege een vertraagde vlucht. De hoofdsom is als onbetwist toewijsbaar. Er is geen sprake van rauwelijks dagvaarden.
1. Het procesverloop
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding:
- de conclusie van antwoord;
- de conclusie van repliek;
- de conclusie van dupliek
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De feiten
De passagiers hebben met de vervoerder een vervoersovereenkomst gesloten. Op grond daarvan moest de vervoerder hen op 8 juli 2022 vervoeren van Amsterdam-Schiphol Airport naar Oujda, Marokko, met vlucht AT1669 (hierna: de vlucht).
De vervoerder heeft de vlucht vertraagd uitgevoerd. De passagiers zijn met een vertraging van meer dan drie uur aangekomen op de eindbestemming.
De passagiers hebben daarom compensatie van de vervoerder gevorderd.
De vervoerder heeft niet uitbetaald.
3. Het geschil
De passagiers vorderen dat de vervoerder, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, veroordeeld zal worden tot betaling van:- € 800,00, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de dag van het incident tot aan de dag der algehele voldoening;- € 145,20 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente;- de proceskosten en de nakosten.
De passagiers baseren hun vordering op de Verordening (EG) nr. 261/2004 (hierna: de Verordening) en de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het Hof). De passagiers stellen dat de vervoerder hen vanwege de vertraging moet compenseren met een bedrag van € 400,- per persoon.
De vervoerder voert verweer. Op zijn verweer wordt ingegaan bij de beoordeling van het geschil.
4. De beoordeling
De kantonrechter stelt ambtshalve vast dat zij bevoegd is om van de vordering kennis te nemen.
De vervoerder betwist dat de passagiers Yource B.V. hebben gemachtigd om hen in deze procedure te vertegenwoordigen. Hij voert aan dat de handtekeningen op de overgelegde volmachten afwijken van de handtekeningen op de identiteitsbewijzen van de passagiers.
Dit betoog slaagt niet. De kantonrechter stelt vast dat de handtekeningen op de volmachten afwijken van de handtekeningen op de identiteitsbewijzen van de passagiers. Desondanks hebben zij (met het overleggen van een kopie van de paspoorten en de reisdocumenten) voldoende concreet gesteld en onderbouwd dat zij Yource B.V. hebben gemachtigd om namens hen in rechte op te treden.
De gevorderde hoofdsom is als onbetwist toewijsbaar.
De vordering tot compensatie is een vordering tot vergoeding van forfaitair berekende schade. Deze schade is direct opeisbaar. Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in op het moment dat de schade geacht wordt te zijn geleden. De werkwijze en de proceshouding van de passagiers – waar hierna op in zal worden gegaan – maken dit niet anders. De wettelijke rente over de hoofdsom zal worden toegewezen vanaf de vluchtdatum.
Resteert de vraag of de vervoerder rauwelijks is gedagvaard. De kantonrechter stelt voorop dat het indienen van een buitengerechtelijk verzoek tot compensatie in beginsel vormvrij is. De passagiers hebben bij conclusie van repliek meerdere e-mails en brieven van hun gemachtigde aan het hoofdkantoor van de vervoerder in het geding gebracht. Hoewel deze aanmaningen betrekking hebben op ruim 70 verschillende zaken/claims, heeft de gemachtigde van de passagiers (in ieder geval in de e-mail van 16 november 2023) een linkje opgenomen naar alle benodigde documenten van alle individuele reizigers. Deze aanmaning is daarmee in ieder geval voldoende geconcretiseerd. De passagiers hebben vervolgens (zowel vóór als na dagvaarding) meerdere reminders aan de vervoerder verstuurd. De kantonrechter is van oordeel dat de passagiers daarmee voldoende concreet hebben gesteld en onderbouwd dat zij de vervoerder de mogelijkheid hebben geboden om het geschil buiten rechte op te lossen. Van rauwelijks dagvaarden is dan ook geen sprake.
De passagiers hebben een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. De vordering heeft geen betrekking op één van de situaties waarin het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit) van toepassing is. Daarom moet de kantonrechter de vraag of buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd zijn, toetsen aan het rapport Voorwerk II. De passagiers hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat zij buitengerechtelijke werkzaamheden hebben laten verrichten en dat hiervoor kosten zijn gemaakt.
De omvang van de buitengerechtelijke incassokosten moet worden getoetst aan de tarieven uit het Besluit in plaats van aan de tarieven van het rapport Voorwerk II. De tarieven uit het Besluit worden redelijk geacht. Omdat het gevorderde bedrag niet hoger is dan het volgens het Besluit berekende tarief, zullen de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten worden toegewezen. De gevorderde rente over de buitengerechtelijke kosten is ook toewijsbaar vanaf de dag van de dagvaarding.
De vervoerder zal in het ongelijk worden gesteld. Daarom zal hij worden veroordeeld in de kosten van de procedure. Ook de nakosten worden toegewezen, voor zover deze kosten daadwerkelijk door de passagiers worden gemaakt.
5. De beslissing
De kantonrechter:
veroordeelt de vervoerder tot betaling aan de passagiers van € 945,20, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 800,00 vanaf 8 juli 2022, en over € 145,20 vanaf 15 maart 2024, tot aan de dag van voldoening van deze bedragen;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van de proceskosten die aan de kant van de passagiers tot en met vandaag worden begroot op de bedragen zoals deze hieronder zijn gespecificeerd:
dagvaarding € 135,97;griffierecht € 218,00;salaris gemachtigde € 270,00;
veroordeelt de vervoerder tot betaling van € 67,50 aan nakosten, voor zover de passagiers daadwerkelijk nakosten zullen maken;
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. S. Kleij, kantonrechter, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum in aanwezigheid van de griffier.
De griffier De kantonrechter