RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: 11942964 CV EXPL 25-4013
Vonnis van 25 maart 2026
in de zaak van
[verzoeker] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: E. Donkersloot,
tegen
1. de vennootschap onder firma vof [de VOF], tevens handelend onder de naam De Bloemist.nl,2. [vennoot van de VOF 1] ,vennoot van voormelde vennootschap onder firma;3. [vennoot van de VOF 2] ,vennoot van voormelde vennootschap onder firma,
allen gevestigd c.q. woonplaats hebbende te [woonplaats] ,
gedaagde partijen,
hierna gezamenlijk te noemen: De Bloemist c.s.,
gemachtigde: mr. J.W. Mouthaan.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding;- de conclusie van antwoord;- de conclusie van eis in het incident van [verzoeker] ;- de conclusie van antwoord in het incident van De Bloemist c.s..
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. Het geschil in de hoofdzaak
[verzoeker] vordert, kort gezegd, dat de kantonrechter:(i) verklaart voor recht dat De Bloemist c.s. handelt in strijd met de artikelen 12 en 15 van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG):(ii) De Bloemist c.s. op straffe van een dwangsom veroordeelt tot het verstrekken van volledige inzage in alle op [verzoeker] betrekking hebbende persoonsgegevens waarover De Bloemist c.s. beschikt;(iii) De Bloemist c.s. veroordeelt tot het betalen van een immateriële schadevergoeding;(iv) De Bloemist c.s. veroordeelt tot het vergoeden van buitengerechtelijke kosten en proceskosten.
De Bloemist c.s. voert verweer.
3. Het geschil in het incident
[verzoeker] vordert, kort weergegeven, dat de kantonrechter De Bloemist c.s. beveelt om in de hoofdzaak een e-mail te overleggen.
De Bloemist c.s. voert verweer.4. De beoordeling
in de hoofdzaak
Deze zaak gaat over de verwerking van persoonsgegevens als bedoeld in de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). [verzoeker] grondt zijn vorderingen op de stelling dat De Bloemist c.s. niet voldoet aan haar uit artikel 15 AVG voortvloeiende verplichting om [verzoeker] tijdig volledige inzage te geven in alle op [verzoeker] betrekking hebbende persoonsgegevens waarover De Bloemist c.s. beschikt.
Indien [verzoeker] meent dat De Bloemist c.s. deze verplichting niet is nagekomen, dient [verzoeker] zich door het indienen van een verzoekschrift te wenden tot (een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van) de rechtbank. De kantonrechter stelt vast dat [verzoeker] hieraan niet voldoet. In plaats van een verzoekschrift bij de rechtbank in te dienen, heeft [verzoeker] De Bloemist c.s. gedagvaard voor de kantonrechter.
De kantonrechter zal daarom op de voet van artikel 69 lid 2 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering deze zaak - in de stand waarin deze zich thans bevindt - verwijzen naar een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank om te worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
De verwijzing ziet op alle door [verzoeker] in deze procedure ingestelde vorderingen. De wet (o.a. de Uitvoeringswet AVG) verzet zich daar niet tegen en de verschillende vorderingen hangen zo nauw met elkaar samen dat deze uit oogpunt van proceseconomie gezamenlijke behandeling behoeven.
De kantonrechter wijst partijen erop dat zij zich in de verzoekschriftenprocedure niet hoeven te laten bijstaan door een advocaat.
De kantonrechter wijst [verzoeker] erop dat hij na verwijzing niet opnieuw griffierecht verschuldigd is.
De kantonrechter wijst De Bloemist c.s. erop dat zij griffierecht verschuldigd zal worden, indien zij ervoor kiest om in de verzoekschriftenprocedure een verweerschrift/ zienswijze in te dienen. De Bloemist c.s. is geen griffierecht verschuldigd als alleen mondeling verweer wordt gevoerd. De hoogte van dit griffierecht kan worden afgeleid uit de meest recente griffierechttabellen op www.rechtspraak.nl.
De Bloemist c.s. dient uiterlijk binnen twee weken na heden de rechtbank schriftelijk te berichten over de vraag of zij in de verzoekschriftenprocedure wenst te verschijnen en verweer wenst te voeren. Indien De Bloemist c.s. in de verzoekschriftenprocedure verschijnt en verweer wenst te voeren zal zij van het Landelijk Dienstencentrum voor de Rechtspraak (LDCR) een nota ontvangen met betaalinstructies. Als De Bloemist c.s. het griffierecht niet op tijd betaalt, kan de rechtbank beslissen het eventueel gevoerde verweer inhoudelijk niet in behandeling te nemen. Dit doet niet af aan de verschuldigdheid van het griffierecht.
Na verwijzing zal om proceseconomische redenen de dagvaarding als verzoekschrift worden aangemerkt. Na ontvangst van het in 4.8. genoemde bericht, zal [verzoeker] en, indien zij in de verzoekschriftenprocedure is verschenen, De Bloemist c.s. bericht ontvangen over het verdere verloop van de verzoekschriftprocedure.Partijen dienen er rekening mee te houden dat als een mondelinge behandeling moet plaatsvinden, de rechtbank daarvoor maandag 1 juni 2026 en maandag 8 juni 2026 heeft gereserveerd.
in het incident 4.10. De vordering in het incident wordt ook verwezen naar de verzoekschriftenprocedure van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar.
Na ontvangst van het in 4.8. genoemde bericht van De Bloemist c.s., zullen partijen worden ingelicht over de verdere voortgang van de zaak in het incident.
5. De beslissing
De kantonrechter
in de hoofdzaak en in het incident
verwijst de zaak, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de verzoekschriftenprocedure van een kamer voor andere zaken dan kantonzaken van deze rechtbank, zittingsplaats Alkmaar,
wijst partijen erop dat zij zich in de verzoekschriftenprocedure niet hoeven te laten bijstaan door een advocaat,
geeft De Bloemist c.s. de gelegenheid om uiterlijk binnen twee weken na heden de griffier van de rechtbank schriftelijk te berichten over de vraag of zij in de verzoekschriftenprocedure wenst te verschijnen en verweer wenst te voeren,
wijst De Bloemist c.s. erop dat zij na indienen van een verweerschrift/ zienswijze griffierecht is verschuldigd waarvoor De Bloemist c.s. in dat geval een nota met betaalinstructies ontvangt van het LDCR,
bepaalt dat de griffier van de rechtbank partijen na ontvangst van het 4.8. genoemde bericht partijen schriftelijk zal berichten over het verdere verloop van de verzoekschriftenprocedure.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op de hiervoor genoemde datum.