RECHTBANK NOORD-HOLLAND
Familie- en Jeugdrecht
Locatie Alkmaar
voogdij, meerderjarigverklaring
Zaak-/rekestnr.: C/15/381514 / FA RK 26-4696
Datum uitspraak: 2 oktober 2026
Beschikking van de rechtbank over de voogdij
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming in Haarlem,
hierna te noemen: de Raad,
over
[de minderjarige] , geboren op [geboortedatum] in [plaats] ,
hierna te noemen: [de minderjarige] .
De rechtbank merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [plaats] ,
advocaat mr. S. van Beers uit Zeist,
[de oma moederszijde] ,
hierna te noemen: de oma moederszijde (mz),
wonende in [plaats] ,
[de biologische vader] ,
hierna te noemen: de (biologische) vader,
hierna samen met de moeder ook te noemen: de ouders,
wonende in [plaats] ,
de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam in Amsterdam,
hierna te noemen: de GI.
De rechtbank merkt als informant aan:
[de opa vaderszijde] ,
hierna te noemen: de opa vaderszijde (vz),
wonende in [plaats] .
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoek, met bijlagen, van de Raad, ontvangen op 25 augustus 2026;
het verweer, met zelfstandig verzoek, van de moeder, ontvangen op 17 september 2026.
De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 18 september 2026, op twee verschillende tijdstippen. Daarbij waren aanwezig:
op het eerst tijdstip: de moeder (met [de minderjarige] ), de advocaat van de moeder en de oma (mz);
op het tweede tijdstip: de advocaat van de moeder, de (biologische) vader en de opa (vz);
op beide tijdstippen: de Raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] en de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] .
2. De feiten
De moeder is minderjarig. Zij is op [geboortedatum] bevallen van [de minderjarige] .
De (biologische) vader heeft [de minderjarige] niet erkend.
[de minderjarige] woont bij de moeder en de oma (mz).
3. Het verzoek
De Raad verzoekt een voogd te benoemen over [de minderjarige] en verzoekt de beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De moeder is minderjarig en daarom onbevoegd tot het uitoefenen van het gezag. De Raad stelt voor de GI tot voogd te benoemen over [de minderjarige] .
De Raad onderbouwt het verzoek als volgt. Er is een gezagsvacuüm, waarin moet worden voorzien. De moeder wil dat de oma (mz) wordt belast met de voogdij over [de minderjarige] , maar de Raad vindt dat niet in [de minderjarige] ’s belang. De moeder en de oma (mz) laten de (biologische) vader namelijk alleen onder voorwaarden toe in [de minderjarige] ’s leven en stellen voorwaarden aan de erkenning van [de minderjarige] door de (biologische) vader. Hierdoor is het contact tussen [de minderjarige] en de (biologische) vader kwetsbaar en is er een risico op beperkt/geen contact tussen hen in de toekomst. Ook heeft de Raad zorgen over [de minderjarige] ’s thuissituatie bij de moeder en de oma (mz), omdat bij Veilig Thuis meldingen zijn gedaan over ruzies en schreeuwen in deze thuissituatie. De oma (mz) ontkent de zorgen en wil geen contact met de hulpverlening. De Raad heeft zorgen dat de oma (mz) hulpverleningsadviezen rond [de minderjarige] niet, moeizaam of niet op tijd zal opvolgen, waardoor belangrijke beslissingen over [de minderjarige] niet of niet tijdig worden genomen. Het is volgens de Raad in [de minderjarige] ’s belang dat de GI wordt belast met de voogdij. Een neutrale instantie kan het best rekening houden met [de minderjarige] ’s belangen en de belangen van beide ouders.
De Raad heeft hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat zij de oudere en nieuwe Veilig Thuis meldingen niet kan negeren. Zij vindt het belangrijk dat er zicht komt op [de minderjarige] ’s thuis- en opvoedsituatie. [de minderjarige] heeft het recht te worden erkend door zijn (biologische) vader. Ook heeft [de minderjarige] er belang bij dat de (biologische) vader bij hem wordt betrokken en dat hij een band kan opbouwen met de familie (vz). Een neutraal en professioneel persoon moet opkomen voor [de minderjarige] ’s belangen en kan de ouders ondersteunen bij het invullen van hun ouderrol. Het is belangrijk dat de ouders een gelijkwaardige ouderrol krijgen en het is goed als zij begeleid worden bij het maken van afspraken over [de minderjarige] , zoals over een zorgregeling. De Raad heeft het zelfstandig verzoek van de moeder vanwege de late indiening onvoldoende kunnen lezen en niet intern kunnen bespreken. Zij kan niet anders dan zich refereren aan het oordeel van de rechtbank daarover. Als de rechtbank vindt dat zij voldoende is voorgelicht, kan worden beslist op het zelfstandig verzoek zonder nadere reactie daarop van de Raad. Als de duur van de voogdij zou worden beperkt tot het moment waarop de moeder meerderjarig wordt, denkt de Raad dat de GI voldoende tijd heeft de ouders te begeleiden, de (biologische) vader [de minderjarige] te laten erkennen en uit te zoeken wat verder geregeld kan worden. De Raad heeft beide jonge ouders complimenten gemaakt voor de wijze waarop zij hun verantwoordelijkheid als ouder invullen.
4. De standpunten
De moeder
De moeder voert verweer en verzoekt de rechtbank het verzoek van de Raad af te wijzen. Als zelfstandig verzoek verzoekt de moeder primair haar meerderjarig te verklaren en subsidiair de oma (mz) tot voogd te benoemen.
De moeder onderbouwt haar verweer en zelfstandig verzoek als volgt. De moeder kan de zorg voor [de minderjarige] zelf dragen, wat zij ook dagelijks doet. Zij heeft een stabiele woonsituatie en heeft laten zien verantwoordelijkheid te kunnen nemen voor [de minderjarige] . Als het nodig is, ontvangt de moeder ondersteuning van de oma (mz) en haar netwerk. Ook is zij bereid hulp en begeleiding te accepteren. Het consultatiebureau heeft geen zorgen over [de minderjarige] ’s ontwikkeling en uit het raadsrapport blijkt niet dat [de minderjarige] ’s ontwikkeling wordt bedreigd. [de minderjarige] heeft wekelijks/dagelijks contact met de (biologische) vader. De ouders zijn in staat om in gezamenlijk overleg belangrijke beslissingen te nemen over [de minderjarige] . Het is ook in [de minderjarige] ’s belang dat zij dat samen kunnen doen, zonder dat de GI hiervoor moet worden benaderd. [de minderjarige] moet beschermd worden tegen mogelijke risico’s en moet zijn stabiele en veilige relatie met de moeder behouden en versterken. Het is zowel in het belang van de moeder als in het belang van [de minderjarige] dat de moeder meerderjarig wordt verklaard. De moeder voldoet aan alle wettelijke vereisten daarvoor.
De moeder en haar advocaat hebben hier tijdens de zitting aan toegevoegd dat als het zelfstandig verzoek niet kan worden behandeld of de Raad daarop niet kan reageren, de moeder verzoekt de beslissing op het zelfstandig verzoek aan te houden. Als de rechtbank het zelfstandig verzoek afwijst en het verzoek van de Raad toewijst, verzoekt de moeder de duur van de voogdij te beperken tot het moment dat zij meerderjarig wordt. De moeder vindt nu dat zij zelf de verantwoordelijkheid over [de minderjarige] volledig kan dragen. Zij gaat naar school en gaat een gedeeltelijk betaalde stage doen. Op die momenten kan de oma (mz) voor [de minderjarige] zorgen. De (biologische) vader wordt nauw betrokken bij [de minderjarige] . De moeder heeft nog niet meegewerkt aan de erkenning van [de minderjarige] door de (biologische) vader, omdat hij al meerderjarig is en hij bij erkenning dan de enige gezaghebbende ouder zou worden. Dat vindt de moeder een onwenselijke situatie. Als de moeder meerderjarig wordt verklaard, wil zij het gezag met de (biologische) vader regelen. De moeder betwist de ernst van de Veilig Thuis-meldingen. Sinds de moeder en de oma (mz) een nieuwe buurvrouw hebben, worden er plotseling meldingen gedaan. Bovendien gingen de meldingen over situaties waarbij [de minderjarige] niet betrokken was. De Raad heeft tijdens het raadsonderzoek gezien dat het huis netjes was, dat de moeder liefdevol op [de minderjarige] reageert en geconstateerd dat [de minderjarige] het rijksvaccinatieprogramma volgt. Verder is er nauw contact met het consultatiebureau. Er zijn dan ook geen zorgen.
De oma (mz)
De oma (mz) heeft tijdens de zitting gezegd dat de (biologische) vader vaak bij haar thuis is en dat [de minderjarige] afgelopen weekend ook bij de grootouders (vz) is geweest. De moeder heeft met de (biologische) vader afgesproken dat zij gezamenlijk het gezag kunnen uitoefenen over [de minderjarige] , zodra de moeder meerderjarig is. De oma (mz) betwist de zorgen en vindt het jammer dat de Raad geen inhoudelijk onderzoek heeft gedaan naar de Veilig Thuis-meldingen. De gemelde ruzies waren normale ruzies over (bijvoorbeeld) een haarborstel.
De (biologische) vader
De (biologische) vader heeft tijdens de zitting gezegd dat hij het eens is met het primaire zelfstandig verzoek van de moeder (meerderjarigverklaring van de moeder), omdat de moeder hem beloofd heeft dat hij [de minderjarige] dan kan erkennen en gezamenlijk met de moeder het gezag over [de minderjarige] kan uitoefenen. Hij is het ook eens met het verzoek van de Raad. De (biologische) vader is het niet eens met het subsidiaire zelfstandig verzoek van de moeder, omdat hij vreest dat de oma (mz) dan alles over [de minderjarige] zal bepalen en hij niet met de oma (mz) wil moeten discussiëren. De (biologische) vader vindt dat de moeder goed voor [de minderjarige] zorgt. Wel denkt hij dat zij erg wordt beïnvloed door de oma (mz). Hij heeft de moeder al vaker gevraagd of [de minderjarige] bij hem en zijn familie kan verblijven, maar daarvoor neemt de moeder weinig initiatief. De (biologische) vader wil zijn volledige verantwoordelijkheid nemen voor [de minderjarige] . Hij wil [de minderjarige] graag erkennen, wil samen met de moeder kunnen beslissen over [de minderjarige] en wil dat er een zorgregeling wordt afgesproken.
De GI
De GI heeft tijdens de zitting gezegd bereid te zijn de voogdij over [de minderjarige] te aanvaarden. Vanaf volgende week is een vaste gezinsmanager beschikbaar. Als de voogdij zou worden beperkt tot het moment dat de moeder meerderjarig wordt, denkt de GI dat er voldoende tijd is om met alle betrokkenen in gesprek te gaan en om te proberen afspraken te maken. Zoals de Raad heeft gezegd, hebben de ouders goede intenties. Daarom denkt de GI dat er goede afspraken zijn te maken over [de minderjarige] .
5. De informant
De opa (vz)
De opa (vz) heeft tijdens de zitting aangegeven dat hij trots is op de (biologische) vader. De (biologische) vader voelt veel weerstand bij de oma (mz). Ondanks alles wat er is gebeurd, gaat hij naar het huis van de moeder en de oma (mz) om [de minderjarige] te zien. Hij wilde direct zijn vaderrol op zich nemen. De opa (vz) heeft [de minderjarige] helaas pas drie of vier keer gezien. De opa (vz) vindt het, net als de (biologische) vader, belangrijk dat er een zorgregeling komt.
6. De beoordeling
De moeder is minderjarig. Zij is daardoor nu niet bevoegd zelf het gezag over [de minderjarige] uit te oefenen. Er is geen andere ouder die het gezag over [de minderjarige] uitoefent. De (biologische) vader is weliswaar meerderjarig, maar hij heeft [de minderjarige] (nog) niet erkend. De rechtbank beschouwt de (biologische) vader als belanghebbende in deze zaak, omdat hij rechtstreeks in zijn belang wordt geraakt door de beslissing over bij wie het gezag over zijn kind wordt belegd.
De Raad baseert haar verzoek op twee wetsartikelen. Eén daarvan gaat over het benoemen van een (tijdelijke) voogd voor de situatie dat een ouder die het gezag uitoefent, en dus eerst daartoe bevoegd was, (tijdelijk) onbevoegd raakt. Van deze situatie is nu geen sprake. De moeder heeft het gezag nooit uitgeoefend, omdat zij daartoe door haar minderjarigheid onbevoegd is. De rechtbank vat het verzoek van de Raad op als een verzoek tot benoeming van een voogd, zoals bedoeld in een ander wetsartikel. Uit de inhoud van het verzoek/raadsrapport en wat de Raad daarover tijdens de zitting heeft gezegd, blijkt dat dat ook de bedoeling was. De rechtbank vult daarom ambtshalve de rechtsgronden aan. Tijdens de zitting heeft de Raad gezegd daartegen geen bezwaar te hebben.
Op grond van de wet benoemt de rechtbank een voogd over alle minderjarigen die niet onder ouderlijk gezag staan en bij wie niet op wettige manier in de voogdij is voorzien.
Nu de moeder door haar minderjarigheid onbevoegd is om het gezag uit te oefenen en ook de (biologische) vader geen gezag heeft, staat [de minderjarige] niet onder het wettelijk vereiste gezag. Daarom voorziet de rechtbank in de gezagsuitoefening over [de minderjarige] .
De rechtbank wijst het verzoek van de Raad toe en legt uit waarom. Op basis van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, ziet de rechtbank twee erg jonge ouders die allebei een volwaardige ouderrol willen vervullen in het leven van [de minderjarige] . [de minderjarige] woont bij de moeder en de oma (mz) thuis. In de afgelopen jaren zijn verschillende Veilig Thuis-meldingen gedaan over deze thuissituatie. De laatste melding is gedaan na het raadsonderzoek, op 26 augustus 2026. Net als de Raad, heeft de rechtbank daarom zorgen over de thuissituatie waarin [de minderjarige] bij de moeder opgroeit. Verder is gebleken dat de (biologische) vader wat op afstand is gehouden van [de minderjarige] . Zo is [de minderjarige] (bijna) niet in de thuissituatie bij de (biologische) vader geweest en heeft de opa (vz) hem pas drie of vier keer gezien. Ook heeft de (biologische) vader het gevoel dat hij moet doen wat de moeder en de oma (mz) willen en dat de moeder wordt beïnvloed door de oma (mz). De moeder heeft nog geen toestemming gegeven voor de erkenning van [de minderjarige] door de (biologische) vader, omdat zij wil dat de ouders een gelijkwaardige positie krijgen als ouder. De rechtbank kan deze wens van de moeder begrijpen en vindt het ook belangrijk voor [de minderjarige] dat de ouders deze gelijkwaardige positie krijgen. De rechtbank is van oordeel dat de GI als neutrale en deskundige instantie moet worden benoemd tot voogd over [de minderjarige] . De GI kan met een neutrale blik naar de thuissituatie bij de moeder kijken en de GI kan volgens de rechtbank de ouders ook het beste helpen om een gelijkwaardige ouderrol in te nemen in [de minderjarige] ’s leven. De GI kan de ouders ook helpen bij het maken van afspraken over hun rolverdeling bij de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] , wat in [de minderjarige] ’s belang is. De toewijzing van het verzoek van de Raad leidt tot een afwijzing van het primaire en subsidiaire zelfstandig verzoek van de moeder. Als het primaire of subsidiaire zelfstandig verzoek van de moeder zou worden toegewezen, wordt de positie van de (biologische) vader ongelijkwaardig aan de positie van de moeder (en de oma (mz)). Dat acht de rechtbank niet in [de minderjarige] ’s belang.
Anders dan tijdens de zitting is besproken, is na verdere bestudering van de wet gebleken dat het niet mogelijk is de duur van de voogdij te beperken tot aan de meerderjarigheid van de moeder. Als de moeder meerderjarig wordt, zal zij namelijk niet van rechtswege het gezag over [de minderjarige] verkrijgen. Zij moet hiervoor zelf een verzoek indienen bij de rechtbank en dus een nieuwe procedure starten. De GI kan daar mogelijk bij helpen.
De rechtbank merkt nog op dat zij er vertrouwen in heeft dat de ouders goede ouders kunnen zijn voor [de minderjarige] en dat zij, ondanks hun jonge leeftijd, de verantwoordelijkheid voor [de minderjarige] kunnen dragen. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de ouders te zijner tijd samen zullen overgaan tot erkenning van [de minderjarige] door de (biologische) vader en uiteindelijk regelen dat er gezamenlijk gezag tot stand komt. De (biologische) vader heeft gezegd dat hij er vertrouwen in heeft dat de moeder zich aan haar belofte daarover zal houden.
De rechtbank verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
7. De beslissing
De rechtbank:
benoemt de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Regio Amsterdam tot voogd over [de minderjarige], geboren op [geboortedatum] in [plaats] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
vraagt de griffier om van deze beslissing een aantekening te maken in het centraal gezagsregister;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. W.P. van der Haak, (kinder)rechter, in aanwezigheid van mr. F.G. van der Erve als griffier, en in het openbaar uitgesproken op 2 oktober 2026.
Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.