RECHTBANK NOORD-HOLLAND
vonnis
Handel, Kanton en Insolventie
Zittingsplaats Haarlem
zaaknummer / rolnummer: C/15/342691 / KG ZA 23-420
Vonnis in kort geding van 27 september 2023
in de zaak van
[eiser] , h.o.d.n. [Handelsnaam] ,
wonende te [plaats] ,
eiser,
advocaat mr. J.H. Heerebout te Hoofddorp,
tegen
[gedaagde] , h.o.d.n. [Handelsnaam] ,
wonende te [plaats] ,
gedaagde,
advocaat mr. S. Yadegari te Zaandam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
de uitgebrachte dagvaarding van 5 september 2023 met 3 producties (1 t/m 3)
de akte vermeerdering van eis
de akte overlegging producties zijdens [gedaagde] met 13 producties (A t/m M)
de producties 11 t/m 15 zijdens [gedaagde]
de mondelinge behandeling van 13 september 2023
de pleitnota van [eiser]
de pleitnota van [gedaagde]
het tijdens de zitting opgemaakte proces-verbaal houdende de door partijen gesloten vaststellingsovereenkomst met betrekking tot de vermeerdering van eis (afgifte bedrijfswagen).
Na uitroeping van de zaak zijn verschenen:
- [eiser]
- mr. Heerebout voornoemd
- [gedaagde]
- mr. Yadegari voornoemd.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2. De zaak in het kort
[eiser] vordert opheffing van het door [gedaagde] gelegde executoriale beslag. Deze vordering wordt afgewezen, omdat van een kennelijke misslag in de executoriale titel (het kantonvonnis) geen sprake is en een belangenafweging in het voordeel van [gedaagde] uitvalt.
3. Feiten
Bij vonnis van 19 april 2023 met zaak-/rolnummer 10319656 \ CV EXPL 23-648 (hierna: het kantonvonnis) heeft de kantonrechter van deze rechtbank, locatie kanton, onder meer het volgende overwogen en beslist:
(…)
De zaak in het kort
Deze zaak gaat om de vraag of een tweedehands auto aan de koopovereenkomst beantwoordt. De kantonrechter oordeelt dat dit niet het geval is. Het gaat om een consumentenkoop. De auto vertoonde binnen een week na aflevering verschillende gebreken. De verkoper heeft de gestelde gebreken ongemotiveerd en daarom onvoldoende betwist, zodat de kantonrechter aanneemt dat de auto niet geschikt is voor normaal gebruik en niet aan de koopovereenkomst beantwoordt. De koopovereenkomst wordt daarom ontbonden. De verkoper moet de koopsom aan de koper terugbetalen en een vrijwaringsbewijs aan hem verstrekken. De verkoper moet ook een deel van de schade aan de koper vergoeden.
(…)
5. De beslissing
De kantonrechter:
ontbindt de tussen [gedaagde] en [eiser] gesloten koopovereenkomst betreffende de auto Volkswagen Transporter met kenteken [kenteken] ;
veroordeelt [eiser] tot terugbetaling aan [gedaagde] van de koopsom van € 14.500,00, te vermeerderen met de wettelijke over dat bedrag vanaf 31 januari 2023 tot aan de dag van de gehele betaling;
(…)
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
(…)
Bij dagvaarding van 18 juli 2023 is [eiser] in hoger beroep gegaan tegen het kantonvonnis.
Bij exploot van 1 mei 2023 heeft [gedaagde] het kantonvonnis aan [eiser] betekend, zonder dat [eiser] nadien tot betaling is overgegaan.
Bij exploot van 30 juni 2023 heeft [gedaagde] (executoriaal) derdenbeslag onder de ING-bank heeft doen leggen ten laste van [eiser] . Dat beslag heeft doel getroffen.
4. Het geschil
Gelet op de door partijen ter zitting gesloten vaststellingsovereenkomst, kan de na betekening van de dagvaarding ingediende vermeerdering van eis buiten beschouwing blijven. [eiser] vordert dan ook nog slechts om bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
A. Primair het onderhavige executoriale beslag op de ING Bank door gedaagde op te heffen, desnoods onder door UEA te stellen voorwaarden;
Gedaagde te veroordelen het beslag opgeheven te houden en ook geen andere executiemaatregelen te treffen;
Subsidiair gedaagde te veroordelen het beslag op te heffen op straffe van een dwangsom van € 1.000,- per dag na betekening van het vonnis in deze;
Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding, waaronder begrepen de nakosten alsmede een bedrag voor het salaris advocaat.
Ter zitting heeft de advocaat van [eiser] desgevraagd verduidelijkt dat hij bedoeld heeft om onder A. te vorderen “het onderhavige executoriale beslag op de ING Bank door gedaagde op te heffen, althans de executie daarvan te schorsen (…)”.
[eiser] legt aan zijn vordering – samengevat – ten grondslag dat enerzijds sprake is van een (of meer) kennelijke juridische misslag(en) en dat anderzijds serieus rekening gehouden moet worden met een andere uitkomst in hoger beroep. Ook is geen sprake van verhaalsrisico en moet een belangenafweging in het voordeel van [eiser] uitvallen, aldus [eiser] .
[gedaagde] voert tot zijn verweer – kort gezegd – aan dat het executoriale beslag niet klemt, omdat het slechts voor ca. € 1.500,- doel heeft getroffen. Bovendien moet [eiser] geld terugbetalen aan [gedaagde] , zodat het beslag niet de eigen belangen van [eiser] treft.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
5. De beoordeling
Spoedeisend belang
Voorshands is voldoende is gebleken dat [eiser] een spoedeisend belang heeft bij zijn vorderingen. Deze spoedeisendheid vloeit voort uit de aard van de vordering. [gedaagde] heeft immers executoriaal beslag gelegd terwijl het treffen van een dergelijke executiemaatregel volgens [eiser] misbruik van bevoegdheid oplevert. Van hem kan niet worden gevergd dat hij de uitkomst van het door hem ingestelde hoger beroep tegen het kantonvonnis afwacht.
De voorzieningenrechter stelt voorop dat een uitvoerbaar bij voorraad verklaarde rechterlijke uitspraak, na betekening, ten uitvoer kan worden gelegd. Het instellen van een rechtsmiddel schorst die tenuitvoerlegging in dat geval niet. Dat [eiser] in hoger beroep is gekomen tegen het kantonvonnis doet dus niet af aan de uitvoerbaarheid daarvan, zodat [gedaagde] in beginsel gerechtigd is tot executie daarvan over te gaan. De partij ten laste van wie de tenuitvoerlegging dreigt of wordt aangevangen (in dit geval dus [eiser] ) kan een executiegeschil aanhangig maken bij de voorzieningenrechter en daarbij vorderen dat de tenuitvoerlegging wordt verboden of geschorst (vgl. art. 438 lid 2 Rv), gelijk [eiser] met de onderhavige procedure heeft gedaan.
Maatstaf
In een kort geding waarin schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd van een uitspraak waartegen hoger beroep is of nog kan worden ingesteld, geldt hetgeen de Hoge Raad heeft bepaald bij arrest van 20 december 2019. Toegepast op het onderhavige geschil dient van het volgende te worden uitgegaan.
Het kantonvonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard. Omdat de uitvoerbaar bij voorraadverklaring in het kantonvonnis niet is gemotiveerd, moet ervan uit worden gegaan dat bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaring door de kantonrechter nog geen belangen-afweging heeft plaatsgevonden. De voorzieningenrechter moet die belangenafweging daarom alsnog maken. Afwijking van het uitgangspunt dat het kantonvonnis hangende het hoger beroep uitvoerbaar moet zijn, kan gerechtvaardigd worden door omstandigheden die meebrengen dat het belang van [eiser] bij het schorsen van de executie van het kantonvonnis (het beslag onder de ING-bank) zolang niet op het door hem ingestelde hoger beroep is beslist, zwaarder weegt dan het belang van [gedaagde] bij het door hem gelegde beslag. Bij deze beoordeling kan worden betrokken of het kantonvonnis berust op een kennelijke misslag. De kans van slagen van het hoger beroep moet echter buiten beschouwing blijven.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is van een kennelijke misslag in het kantonvonnis geen sprake. Anders dan de enkele stelling daartoe heeft [eiser] dat ook niet onderbouwd. Blijft over de door de voorzieningenrechter te maken belangenafweging. Die valt uit in het voordeel van [gedaagde] en wel om de volgende reden.
Het belang van een restitutierisco is zeer beperkt, nu [gedaagde] de (2 sleutels en het kentekenbewijs van de) bedrijfswagen inmiddels heeft overgedragen aan [eiser] . Ter zitting heeft (de advocaat van) [eiser] desgevraagd bevestigd dat die bedrijfswagen een vergelijkbare waarde vertegenwoordigt als de vordering waarvoor [gedaagde] executoriaal derdenbeslag onder de ING-bank heeft gelegd. Nu de bedrijfswagen weer tot de beschikking van [eiser] is gesteld, kan deze dus tot (voldoende) zekerheid dienen.
Daarnaast is er het belang van het beslag zelf, waarvan niet is weersproken dat dit slechts doel heeft getroffen voor een bedrag van ca. € 1.500,-. Afgezet tegen de eigen stelling van [eiser] dat zijn onderneming bestaat uit een wagenpark van ca. 40 occasions en een bedrijfspand met inventaris en materialen, zou het beslag dus relatief weinig invloed moeten hebben op de onderneming en het handelsverkeer van [eiser] . Daar staat echter tegenover dat [gedaagde] dit wagenpark en het bedrijfspand van [eiser] niet heeft kunnen lokaliseren, zodat de bankrekening waarop [gedaagde] beslag heeft doen leggen op dit moment één van de weinige vermogensbestanddelen is waarop hij zich kán verhalen ter incasso van zijn vordering op [eiser] . Omdat de kans van slagen van het hoger beroep van [eiser] tegen het kantonvonnis bij de beoordeling zoals gezegd buiten beschouwing moet blijven, is de voorzieningenrechter van oordeel dat het belang van [gedaagde] in het onderhavige geval zwaarder weegt. Dat betekent dat hij dus gerechtigd is tot (verdere)executie van het kantonvonnis over te gaan, ook nu nog niet op het hoger beroep daartegen is beslist.
Het vorenstaande leidt ertoe dat de vordering tot schorsing van de executie (ten aanzien van het beslag op de ING Bank) dient te worden afgewezen. Hieruit volgt dat er ook geen grond is om [gedaagde] te verbieden andere executiemaatregelen te treffen.
[eiser] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op:
- griffierecht € 314,00
- salaris advocaat 697,00
Totaal € 1.011,00
6. De beslissing
De voorzieningenrechter
wijst de vorderingen af,
veroordeelt [eiser] in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde] tot op heden begroot op € 1.011,00,
verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier mr. S.M.P. Langeveld op 27 september 2023.