RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/281863-24
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudige kamer van 26 oktober 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1957] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
verblijvende op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).
1. Zitting
De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zittingen van 10 februari 2026, 12 juni 2026 en 12 oktober 2026.
Op de zittingen waren aanwezig:
2. Tenlastelegging
De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
op 31 augustus 2024 in het Máximapark in De Meern [slachtoffer 3] , die op dat moment onder de 12 jaar oud was, heeft aangerand;
feit 2
op 30 augustus 2024 in het Molenpark in Utrecht [slachtoffer 2] , die op dat moment onder de 12 jaar oud was, heeft aangerand;
subsidiair is dit ten laste gelegd als een poging aanranding;
feit 3
op 28 juni 2024 in Utrecht [slachtoffer 5] heeft aangerand;
feit 4
op 23 juni 2023 in Utrecht ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 1] die toen nog geen 16 jaar was;
feit 5 op 16 maart 2023 in Utrecht ontuchtige handelingen heeft gepleegd met [slachtoffer 4] die toen nog geen 16 jaar was;
feit 6
op 17 november 2023 in Utrecht in het openbaar en in het bijzijn van [slachtoffer 6] de eerbaarheid heeft geschonden.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.
3. Bewijs
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1, 2 primair, 3, 4, 5 en 6 heeft gepleegd.
De standpunten van de officier van justitie worden – voor zover van belang voor de beoordeling – besproken in paragraaf 3.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van feit 2 primair en subsidiair, feit 4 en feit 5. Voor de overige feiten heeft de advocaat zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
De advocaat voert verschillende verweren over het bewijs. Deze worden – voor zover van belang voor de beoordeling – hierna besproken onder paragraaf 3.3.
Oordeel van de rechtbank
Gedeeltelijke vrijspraak
De rechtbank oordeelt dat de feiten 4 (ontucht met [slachtoffer 1] ) en 5 (ontucht met [slachtoffer 4] ) niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De rechtbank legt hierna uit waarom.
Bewijsmiddelen feiten 1, 2 primair, 3 en 6
De rechtbank oordeelt dat feit 1 (aanranding [slachtoffer 3] ), feit 2 primair (aanranding [slachtoffer 2] ), feit 3 (ontuchtige handelingen plegen met [slachtoffer 5] ) en feit 6 (schennis) zijn bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de bewijsmiddelen die in bijlage II van dit vonnis staan.
Er zijn meerdere feiten bewezen verklaard. De bewijsmiddelen worden alleen gebruikt voor het feit of de feiten waarover deze gaan.
Bewijsoverwegingen
Feiten 3 en 6
Het bewijs voor deze feiten volgt uit de bewijsmiddelen, zoals weergegeven in het bewijsmiddelen overzicht in bijlage II en behoeft geen nadere motivering.
Feit 2
De moeder van [slachtoffer 2] doet aangifte van aanranding van haar dochter. Op 30 augustus 2024 in het Molenpark komt een man naast haar dochter lopen. Deze man vraagt [slachtoffer 2] of ze hem wil helpen, hij moet wat doen in een speeltuintje. Vervolgens aait deze man haar over haar schouder. Daarna vraagt de man [slachtoffer 2] om een kusje. Op camerabeelden van [naam] in het Molenpark is te zien dat een man met een fiets in zijn hand naast [slachtoffer 2] met haar step loopt. Op de beelden is ook te horen dat de man [slachtoffer 2] om een kusje vraagt. De verdachte herkent zichzelf als de man op de beelden.
De advocaat voert aan dat het aaien over de schouder van [slachtoffer 2] geen seksuele handeling is, omdat dit meer aan te merken is als een familiaire handeling. Het vragen om een kusje staat volgens de advocaat los van het aaien over de schouder en is geen seksuele ‘handeling’. De rechtbank is echter van oordeel dat deze gedragingen niet los van elkaar moeten worden gezien, maar als een geheel aan gedragingen. Eerst benadert de verdachte [slachtoffer 2] , die op dat moment even weg is van haar ouders en alleen aan het steppen is. De verdachte gaat naast haar lopen en leidt haar met hem mee, verder weg van haar ouders. Hierbij raakt de verdachte de schouder van [slachtoffer 2] aan en hij aait hierover. Kort daarna vraagt de verdachte [slachtoffer 2] om een kusje. Uit de manier waarop de verdachte [slachtoffer 2] benadert, haar aanraakt en vervolgens een seksueel getinte vraag stelt, blijkt de seksuele intentie van de verdachte. Het aaien over de schouder van [slachtoffer 2] is hiermee naar het oordeel van de rechtbank ook een seksuele gedraging, waardoor sprake is van een voltooide aanranding. De rechtbank acht feit 2 primair wettig en overtuigend bewezen.
Feit 1
De moeder van [slachtoffer 3] doet aangifte van aanranding van haar zoon. Op 31 augustus 2024 is [slachtoffer 3] in het Maximapark benaderd door een man die naast hem ging fietsen en hem klem heeft gezet. De man vroeg [slachtoffer 3] onder andere of hij mee wilde helpen opruimen. Vervolgens pakt hij [slachtoffer 3] ’s hand vast en geeft hem een kus op zijn wang.
De verdachte werkt in het Maximapark en maakt daar schoon. Zijn telefoon straalt op 31 augustus 2024 ook masten aan in de buurt van het Maximapark. Het signalement dat [slachtoffer 3] geeft van de man komt overeen met het signalement van de verdachte.
Schakelbewijs - modus operandi
Uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad volgt dat voor het bewijs dat de verdachte een bepaald feit heeft begaan, het gebruik van aan andere ten opzichte van de verdachte bewezen verklaarde en soortgelijke feiten ten grondslag liggende bewijsmiddelen, als ondersteunend schakelbewijs is toegelaten. Daarbij is vereist dat (i) de wijze waarop het feit is begaan (‘modus operandi’) op essentiële punten overeenkomt met de wijze waarop het feit waar de bewijsmiddelen als schakelbewijs voor worden gebruikt is begaan en (ii) de betrokkenheid van de verdachte bij beide feiten voldoende aannemelijk is.
In deze zaak is de rechtbank van oordeel dat op basis van de bewijsmiddelen kan worden vastgesteld dat bij feit 1 en feit 2 dezelfde modus operandi is gebruikt.
De twee feiten vonden een dag na elkaar plaats, allebei in een park in de omgeving Utrecht. In beide gevallen zijn het jonge kinderen die door een man worden benaderd terwijl zij alleen in het park fietsen of steppen. De man die de kinderen aanspreekt, gebruikt telkens eenzelfde tactiek. De man gaat naast het kind lopen of fietsen. Vervolgens vraagt de man of ze met hem mee willen gaan en of ze hem met iets willen helpen. In het geval van [slachtoffer 3] vraagt de man of [slachtoffer 3] mee wil helpen opruimen. Dit past bij het schoonmaakwerk dat de verdachte in het Maximapark doet. De man probeert de kinderen met hem mee te leiden. Vervolgens vraagt de man de kinderen om een kusje. In het geval van [slachtoffer 3] wordt daarna ook een kusje gegeven.
De rechtbank is van oordeel dat sprake is van een zodanig herkenbare, specifieke en op essentiële onderdelen overeenkomende modus operandi, dat het gelet hierop gaat om één en dezelfde dader. De bewijsmiddelen voor de verschillende feiten zijn dan ook over en weer als (steun)bewijs aan te merken. Daarbij komt dat het signalement dat [slachtoffer 3] geeft van de man overeenkomt met het uiterlijk van de verdachte. De kenmerken die [slachtoffer 3] van de fiets van de man geeft, komen overeen met de kenmerken van de fiets waarop de verdachte op de beelden van het Molenpark de dag ervoor (feit 2) fietsend te zien is. Opvallende kenmerken van de fiets zijn de enkele fietstas en het leren zadel.
De rechtbank vindt op grond van de aangifte, het gegeven signalement van de verdachte en zijn fiets, de verklaring van de verdachte dat hij vaker in dat park was en dat zijn telefoon op het moment van de aanranding van [slachtoffer 3] masten in de buurt aanstraalt, in combinatie met het schakelbewijs, de beschuldiging van feit 1 wettig en overtuigend bewezen.
Feit 4: vrijspraak
De moeder van [slachtoffer 1] doet aangifte van aanranding van haar dochter op 23 juni 2023. Ter plaatse wordt [slachtoffer 1] gesproken en later wordt zij ook nog door de politie gehoord. Het signalement dat [slachtoffer 1] geeft van de dader en zijn fiets komt overeen met het uiterlijk van de verdachte en zijn fiets. De advocaat voert aan dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en haar ouders niet betrouwbaar zijn, omdat zij inconsistent hebben verklaard. De verdachte ontkent dit feit.
Met betrekking tot de betrouwbaarheid van de verklaringen van getuigen in strafzaken (zoals in dit geval de verklaring van [slachtoffer 1] ) geldt in zijn algemeenheid dat hier zorgvuldig mee moet worden omgegaan. Zeker in een situatie zoals deze, waarin er verder geen ooggetuigen zijn die het verhaal van [slachtoffer 1] of dat van de verdachte kunnen bevestigen.
De rechtbank stelt vast dat [slachtoffer 1] wat wisselend heeft verklaard over wat er op 23 juni 2023 is gebeurd. Dat die verklaringen inconsistenties bevatten, betekent niet dat de verklaringen onbetrouwbaar zijn. Er kunnen allerlei omstandigheden een rol spelen waardoor een verklaring op bepaalde punten niet altijd consistent is. Denk hierbij aan tijdsverloop, de leeftijd van aangeefster, de impact van de gebeurtenissen, de werking van het geheugen en de druk van een verhoor of het doen van aangifte. De rechtbank leest in het dossier ook terug dat [slachtoffer 1] erg aangedaan was toen zij voor het eerst haar verhaal deed aan de verbalisanten die ter plaatse kwamen. Daarnaast was [slachtoffer 1] nog erg jong toen ze de verklaringen aflegde.
De rechtbank moet in dit geval beoordelen of de in de beschuldiging genoemde handelingen kunnen worden bewezen, en daarnaast of de verdachte ook de persoon is die dit heeft gedaan. Omdat de verklaringen van [slachtoffer 1] en haar ouders op punten uiteenlopen en het dossier hier verder geen informatie over bevat, kan de rechtbank niet met voldoende mate van zekerheid vaststellen wat er precies is gebeurd die dag en of de verdachte hierbij betrokken was. Daarbij weegt mee dat, vanwege de wisselende verklaringen, ook over de werkwijze van de betrokken man onvoldoende duidelijkheid bestaat om vast te kunnen stellen dat de man op dezelfde wijze te werk is gegaan (modus operandi) als de verdachte bij de bewezenverklaarde feiten 1 en 2. Zo is bijvoorbeeld onvoldoende duidelijk (i) of de man die bij het incident betrokken was [slachtoffer 1] het park heeft ingeleid, en zo ja, hoe, of dat zij zelf het park is ingegaan en (ii) of de man haar al dan niet naar de grond heeft geduwd en op haar is gaan liggen. Daarbij komt dat de man woorden heeft gebruikt die niet overeenkomen met het woordgebruik van de verdachte in de bewezenverklaarde feiten 1 en 2. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van feit 4 vanwege het gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.
Feit 5: vrijspraak
[slachtoffer 4] doet aangifte van aanranding op 16 maart 2023 door een man bij een platenzaak in de Reguliersteeg in Utrecht. De beelden van de steeg en de omgeving worden uitgekeken en hierop is die man te zien. Een verbalisant herkent de man op deze beelden als de verdachte.
De rechtbank stelt voorop dat behoedzaam moet worden omgegaan met herkenningen en de bewijskracht daarvan, ook als deze herkenningen door agenten worden gedaan. Dit geldt vooral wanneer deze herkenningen de enige bewijsmiddelen zijn die kunnen aantonen dat een verdachte bij het strafbare feit betrokken is, zoals in deze zaak het geval is. Daarom moet worden getoetst of de herkenning die de agent aan de hand van de beelden of ‘stills’ heeft gedaan, voldoende betrouwbaar is om tot een bewezenverklaring te komen.
In deze zaak is sprake van een ‘herkenning’ die berust op een vergelijking van (een foto van) de verdachte met de persoon op de camerabeelden. Uit het dossier blijkt namelijk niet dat de agent die het proces-verbaal van herkenning heeft opgesteld op een eerder moment contact met de verdachte heeft gehad. De herinnering van de agent bij de verdachte speelt hier dus geen rol. Alle accent komt daardoor te liggen op de kwaliteit van de beelden, de manier waarop de persoon in kwestie daarop is afgebeeld (in close up of van veraf; helemaal of deels; bewegend of ‘verstild’) en de mate van zichtbaarheid van specifieke, onderscheidende persoonskenmerken op de beelden. De rechtbank overweegt daarover het volgende.
De rechtbank beschikt niet over de bewegende beelden, maar slechts over de stills daarvan. Deze stills zijn van matige kwaliteit. Het beeld is namelijk niet scherp en de persoon is vanaf een zekere afstand te zien. De persoon kijkt niet in de richting van de camera, waardoor het gezicht van schuin boven vanaf de zijkant te zien is. Naar het oordeel van de rechtbank bieden de stills als gevolg hiervan (te) weinig concrete specifieke aanknopingspunten van het gezicht van de verdachte voor een betrouwbare vergelijking. De specifieke kenmerken die de verbalisant noemt waaraan hij de verdachte herkent, zoals de stand van zijn ogen en de vorm van zijn kin, zijn door de kwaliteit van de beelden daarop niet goed zichtbaar. Vanwege het voorgaande is niet met voldoende zekerheid vast te stellen dat de persoon op de beelden ook daadwerkelijk de verdachte is.
Dit betekent dat de rechtbank oordeelt dat de vergelijking door de agent niet betrouwbaar is en dat de herkenning daarom niet zal worden gebruikt voor het bewijs. Daarbij komt dat de man die op de beelden te zien is op een fiets zit die verschilt van de fiets van de verdachte zoals die bij hem is aangetroffen en te zien is op de beelden van feit 2. Omdat er geen andere objectieve bewijsmiddelen in het dossier zitten die op de betrokkenheid van de verdachte wijzen en de verdachte zijn betrokkenheid ontkent, oordeelt de rechtbank dat niet buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat het de verdachte is geweest die het feit heeft gepleegd. De rechtbank spreekt de verdachte daarom vrij van de beschuldiging van feit 5.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 op 31 augustus 2024 te De Meern (in het Máximapark), gemeente Utrechtmet een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 3] , geborenop [2016] ,seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het vastpakken van de hand van die [slachtoffer 3] en- het geven van een kus op de wang van die [slachtoffer 3] ;
feit 2 primair op 30 augustus 2024 te Utrecht (in het Molenpark), met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] , geboren op [2014] ,seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het aaien over de schouder van die [slachtoffer 2] en- (vervolgens) het aan die [slachtoffer 2] toevoegen van de woorden "mag ik je eenkusje geven?";
feit 3 op 28 juni 2024 te Utrecht (aan de Veilinghavenkade), door een feitelijkheid, te weten door- dicht naast haar te gaan zitten en- haar vervolgens onverhoeds te betasten en[slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het dulden van ontuchtige handelingen, te weten- het leggen van zijn, verdachtes, hoofd op de schouder van die [slachtoffer 5] en- het betasten van het been en de schaamstreek en de borst vandie [slachtoffer 5] en- het likken aan de arm van die [slachtoffer 5] en- het proberen te zoenen van die [slachtoffer 5] ;
feit 6 op 17 november 2023 te Utrecht (aan de Croeselaan), de eerbaarheid heeft geschondenop een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten nabij bushalteVan der Goesstraat aan de Croeselaan en in het bijzijn van [slachtoffer 6] ,door- het tonen van zijn, verdachtes, blote geslachtsdeel en- het betasten van zijn, verdachtes, blote geslachtsdeel en- het (daarbij) zeggen van de woorden: "ah krijg zo stijve pik" en "ah lekker",- het (daarbij) maken van kreunende geluiden.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
4. Kwalificatie en strafbaarheid
Kwalificatie
De bewezen feiten leveren de volgende strafbare feiten op:
feit 1:
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;
feit 2 primair:
aanranding in de leeftijdscategorie beneden twaalf jaren;
feit 3:
met iemand beneden de leeftijd van zestien jaren buiten echt ontuchtige handelingen plegen;
feit 6:
schennis van de eerbaarheid op of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd.
Strafbaarheid feiten en verdachte
De feiten en de verdachte zijn strafbaar.
5. Straf en maatregel
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot:
een gevangenisstraf van 114 dagen, met aftrek van het voorarrest;
tbs met voorwaarden, waarbij het - kort samengevat - gaat om de volgende voorwaarden:
o geen strafbare feiten plegen;
o meewerken aan reclasseringstoezicht;
o meewerken aan time-out;
o niet naar het buitenland gaan;
o zich laten opnemen in een zorginstelling;
o ambulante behandeling;
o verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;
o verbod verdovende middelen;
o alcoholverbod;
o contactverbod met aangevers;
o dagbesteding;
o aflossing schulden;
o locatieverbod voor het Molenpark en de Dichterswijk in Utrecht;
- een alcoholverbod als vrijheidsbeperkende maatregel voor de duur van 5 jaar, te vervangen door 2 weken hechtenis voor iedere keer dat de verdachte niet aan de maatregel voldoet.
De officier van justitie eist dat deze maatregelen direct na de uitspraak ingaan (dadelijk uitvoerbaar zijn).
De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd dat de voorwaarden van de schorsing van de voorlopige hechtenis worden aangepast, overeenkomstig de geëiste voorwaarden van de tbs-maatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank een straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die de verdachte al in voorarrest heeft gezeten. De advocaat voert aan dat het in ieders belang is dat de verdachte zijn behandeling bij de [instelling 1] kan afmaken. De verdachte geeft zelf aan dat hij een tbs met voorwaarden prima vindt. De advocaat verzoekt de rechtbank om geen gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (artikel 38z Wetboek van Strafrecht (Sr)) op te leggen. Als de tbs maatregel ten einde komt betekent dit dat de risico’s die van de verdachte uitgaan beheersbaar zijn, waardoor er geen noodzaak meer is voor een aanvullende maatregel.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank legt aan de verdachte op een gevangenisstraf van 113 dagen, een tbs met voorwaarden en de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel.
Bij het bepalen van deze straf en maatregelen houdt de rechtbank rekening met de ernst van de gepleegde feiten en de omstandigheden waaronder de verdachte deze feiten heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van de feiten
De verdachte heeft twee jonge kinderen aangerand in het park. [slachtoffer 3] was 8 jaar en was aan het fietsen in het Maximapark. De verdachte is naast [slachtoffer 3] gaan fietsen en heeft hem laten stoppen. Vervolgens heeft de verdachte de hand van [slachtoffer 3] vastgepakt en hem een kus op de wang gegeven. [slachtoffer 3] heeft verklaard dat hij geen kant op kon en dat hij bang was.
[slachtoffer 2] was 9 jaar en was aan het steppen in het Molenpark. De verdachte is met zijn fiets naast [slachtoffer 2] gaan lopen en heeft haar laten stoppen. Hij heeft haar vervolgens weggeleid van haar ouders, over haar schouder geaaid en om een kusje gevraagd. [slachtoffer 2] is uiteindelijk hard weg gestept van de verdachte en moest daarna hard huilen.
De verdachte heeft als een ware kinderlokker deze kinderen afgezonderd en met hem mee geleid op een moment dat zij even bij hun ouders weg waren. Zij zijn onvrijwillig geconfronteerd met de seksuele verlangens van de verdachte, terwijl zij zich daar op hun leeftijd nog niet mee bezig hoeven te houden of geconfronteerd mee hoeven te worden. Kinderen van hun leeftijd zouden zich geen zorgen hoeven te maken dat anderen hen kwaad zouden willen doen. Deze onbevangenheid is [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] door de verdachte afgenomen. Ook voor de ouders van [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] is dit een verontrustende en angstige situatie geweest. Zij moeten erop kunnen vertrouwen dat hun kinderen veilig kunnen fietsen, steppen of spelen in een park. De slachtoffers en hun ouders blijven achter met het beangstigende gevoel dat dit nog erger af had kunnen lopen als [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] niet bij de verdachte weg waren gekomen.
De verdachte heeft daarnaast het slachtoffer [slachtoffer 5] aangerand. [slachtoffer 5] en de verdachte kenden elkaar en de verdachte heeft haar die dag getroost. Onverhoeds heeft hij vervolgens [slachtoffer 5] betast bij haar schaamstreek en op haar borst en heeft hij haar arm gelikt. Juist in een situatie waarin [slachtoffer 5] troost zocht bij een bekende, heeft de verdachte haar grenzen ernstig overschreden. Hij heeft een inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit.
Ook heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan schennis van de eerbaarheid, door in het openbaar aan zijn geslachtsdeel te zitten. Slachtoffer [slachtoffer 6] liep op dat moment langs en de verdachte heeft kreunende geluiden en schunnige opmerkingen naar haar gemaakt. Het slachtoffer is hier ontzettend van geschrokken. Dit soort feiten zijn aanstootgevend en grensoverschrijdend en zorgen ervoor dat slachtoffers zich niet meer veilig voelen op openbare plaatsen.
De verdachte heeft meerdere seksuele misdrijven gepleegd. Uit de feiten blijkt dat de verdachte telkens alleen handelt naar zijn eigen seksuele verlangens en niet stilstaat bij de gevolgen die dit voor de slachtoffers heeft.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
Strafblad
De rechtbank heeft gekeken naar het strafblad van de verdachte van 8 oktober 2026. Hieruit blijkt dat de verdachte eerder in 2000 is veroordeeld voor seks met een minderjarige.
Rapporten en adviezen
De rechtbank heeft ook kennisgenomen van meerdere over de verdachte opgemaakte deskundigenrapporten en adviezen:
Een rapport van psychiater/supervisant D.H.M. Lefrandt en psychiater/supervisor M.J. van Haaren van 24 juli 2026;
Twee rapporten van klinisch psycholoog L.M.L. Thung van 17 juli 2026 en van 27 mei 2025;
Een aanvullend neuropsychologisch en neurologisch onderzoek van klinisch neuropsycholoog F.A. Jonker en neuroloog E. Strijks van 13 mei 2025;
Een reclasseringsadvies tbs met voorwaarden van reclasseringsmedewerkster [reclasseringsmedewerkster] van 29 september 2026;
Twee reclasseringsadviezen van 20 juni 2025 en 5 februari 2026 van reclasseringsmedewerkster [reclasseringsmedewerker 1] .
Rapporten psychiaters en psycholoog
De psychiaters stellen vast dat bij de verdachte sprake is van zwakbegaafdheid, een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol en een persisterende beperkte neurocognitieve stoornis door alcohol. In de persoonlijkheid vallen antisociale trekken op. De psycholoog stelt bij de verdachte zwakbegaafdheid, antisociale trekken en een ernstige stoornis in het gebruik van alcohol vast. Tijdens de bewezenverklaarde feiten waren de stoornissen ook al aanwezig en deze beïnvloedden de gedragskeuzes van de verdachte. De verschillende stoornissen grijpen negatief op elkaar in en versterken elkaar. De beperkte impulsregulatie en de alcoholverslaving maken dat het voor hem moeilijk is om weerstand te bieden aan alcohol. Wanneer hij onder invloed van alcohol verkeert, vermindert zijn zelfregulatie verder, net als zijn oordeelsvermogen. De psychiaters en de psycholoog adviseren om de verdachte de feiten in verminderde mate toe te rekenen. Het recidiverisico wordt op basis van gestructureerde en klinische risicotaxatie hoog ingeschat. De kernrisicofactor vormt hierbij alcoholgebruik. [instelling 2] , die de verdachte langdurig kent, geeft aan dat de verdachte beperkt leerbaar is en de vooruitgang beperkt is. Daarom moet de behandeling intensief en klinisch zijn. Er dient sprake te zijn van zinvolle dagbesteding, waarbij de verdachte intensief begeleid wordt en er toezicht is. Gezien de beperkte leerbaarheid wordt verwacht dat intensief toezicht ook noodzakelijk zal blijven.
De klinisch psycholoog adviseerde in het advies van mei 2025 om ambulante behandeling als bijzondere voorwaarde aan een voorwaardelijk strafdeel verbinden. Dit advies is echter deels niet uitvoerbaar en op het vlak van risicomanagement ontoereikend gebleken. Al met al zijn er te weinig beschermende factoren. De ernst, hardnekkigheid en het chronische karakter
van de problematiek van de verdachte dragen bij aan de noodzaak om het risicomanagement
meer extern vorm te geven in een klinische setting. Om die reden is acht de klinisch psycholoog in het advies van 17 juli 2026 een tbs-maatregel meer aangewezen als juridisch kader.
Ook de psychiater adviseert in haar advies van juli 2026 om de verdachte de tbs-maatregel met voorwaarden op te leggen. Een lange klinische behandeling in een centrum gespecialiseerd in de behandeling van licht verstandelijke beperking/zwakbegaafdheid, cognitieve stoornissen en verslaving wordt geadviseerd, zoals bijvoorbeeld in de [instelling 1] .
Rapport van de neuropsycholoog en de neuroloog
Op basis van het neuropsychologisch onderzoek en gedragsneurologisch onderzoek zijn er volgens de neuropsycholoog en de neuroloog objectieve aanwijzingen voor cognitieve deficiënties. De MRI van de hersenen toont milde afwijkingen, passend bij chronisch overmatig alcoholmisbruik. De combinatie van cognitieve stoornissen, een laag opleidingsniveau en beperkte zelfreflectie vormt in forensisch opzicht een risicofactor, waarbij de verdachte met name onder invloed van alcohol impulsief en ontremd gedrag vertoont. Het gedrag van de verdachte ten tijde van de feiten is mede te verklaren vanuit de samenhang tussen zijn alcoholgebruik op dat moment en zijn (zeer waarschijnlijk reeds bestaande) milde neurocognitieve stoornissen. In het algemeen kan acuut overmatig alcoholgebruik leiden tot sterke impulsontremming, verminderd beoordelingsvermogen en verlies van gedragscontrole. Bij de verdachte heeft dat er vermoedelijk toe geleid dat hij ten tijde van feiten onvoldoende in staat was tot zelfreflectie, het maken van juiste afwegingen en het bijsturen van zijn gedrag.
Reclasseringsadvies tbs met voorwaarden
De reclassering adviseerde in haar rapport van juni 2025 een ambulant behandelkader. In het advies van februari 2026 gaf de reclassering aan dat ze gezien de recentelijk opnieuw geconstateerde positieve urinecontroles en de signalen van risicovol gedrag, concluderen dat de begeleiding, behandeling en het toezicht vanuit dit ambulante kader op dat moment ontoereikend was. Na het rapport van de klinisch psycholoog en psychiaters van juli 2026 heeft de reclassering een nieuw rapport opgesteld ten aanzien van de geadviseerde tbs met voorwaarden. De reclassering schrijft in haar advies van september 2026 dat de verdachte een positieve houding laat zien tijdens zijn behandeling in het kader van de schorsingsvoorwaarden. Daar moet wel aan worden toegevoegd dat het hem veelvuldig niet is gelukt om zich aan zijn alcoholverbod te houden, dat hij daar pas na kritisch doorvragen eerlijk over is en dat hij de ernst van de feiten, en daarmee ook de situatie, niet in lijkt te zien. Ondanks zijn medewerking aan de behandeling, wordt het risico op het onttrekken aan de voorwaarden ingeschat als hoog. Het risico op seksuele recidive wordt ook ingeschat als hoog en de reclassering komt tot de conclusie dat een intensief en langdurig behandeltraject noodzakelijk is om de recidiverisico's te beperken. De reclassering heeft twijfels over de haalbaarheid van de huidige klinische plaatsing en in hoeverre de problematiek van de verdachte binnen een tbs met voorwaarden daadwerkelijk te beïnvloeden dan wel te beheersen is. Deze twijfel zit hem niet zozeer in zijn bereidheid tot behandeling en/of medewerking, maar met name in de mate waarin de verdachte, gelet op zijn cognitieve en sociaal-emotionele beperkingen en verslavingsproblematiek, in staat is omdaadwerkelijk van het behandelaanbod te profiteren en zich aan de voorwaarden te houden. Wel verwacht de reclassering dat het beveiligingsniveau en de holding die een klinische behandeling biedt ervoor zal zorgen dat verdachte zich onthoudt van alcoholgebruik. Vanuit de beschermende, gestructureerde omgeving die een kliniek biedt kan er zodoende invulling worden gegeven aan een overgang naar verblijfszorg, passend bij zijn vermogens, risico’s en leeftijd. Voor de verdachte is het bereiken en behouden van abstinentie van alcohol van groot belang. De verwachting is dat een lange klinische behandeling en langdurig toezicht noodzakelijk is. De verdachte heeft zich bereid verklaard tot medewerking aan de geadviseerde bijzondere voorwaarden. Na intern overleg is besloten om ondanks de twijfels voorzichtig positief te adviseren over tbs met de volgende voorwaarden:
- Geen strafbaar feit plegen;- Meewerken aan reclasseringstoezicht;- Meewerken aan time-out;
- Niet naar het buitenland;- Opneming in een zorginstelling;- Ambulante behandeling;- Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang;- Verbod verdovende middelen;- Alcoholverbod;- Contactverbod aangevers: [slachtoffer 2] – [slachtoffer 1] - [slachtoffer 5] en [slachtoffer 4] ;- Dagbesteding;- Aflossing schulden;- Locatieverbod voor het Molenpark en de Dichterswijk in Utrecht.
De reclassering adviseert om de tbs met voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren en daarnaast de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel van artikel 38z Sr op te leggen.
Op de zitting zijn reclasseringsmedewerkers [reclasseringsmedewerker 1] en [reclasseringsmedewerker 2] gehoord. Zij geven aan dat de klinische opname van de verdachte tot nu toe goed is verlopen. Hij drinkt nu al een tijd geen alcohol meer en hij werkt goed mee aan zijn behandeling. De reclasseringsmedewerkers geven aan dat de verdachte klinisch volgbaar is, maar dat de leerbaarheid en het alcoholgebruik grote risicofactoren zijn. De reclassering heeft haar bedenkingen bij de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden. Zij geven aan dat het spannend wordt als de verdachte zijn klinische behandeling heeft afgerond en meer vrijheden zal krijgen in een ambulant kader. Zij zien een beperkte man met jarenlange forse verslavingsproblematiek waardoor het de vraag is in hoeverre het hem gaat lukken zich aan de voorwaarden te houden. Het zal een proces zijn van vallen en opstaan, maar de vraag is of het risico op terugval in alcoholgebruik en daarmee het risico op seksuele recidive in deze zaak te permitteren is.
Conclusie rechtbank
De rechtbank neemt de conclusies van de deskundigen over de toerekeningsvatbaarheid van de verdachte over. Dit betekent dat de rechtbank de verdachte de bewezen verklaarde strafbare feiten in verminderde mate zal toerekenen.
De straf
De rechtbank vindt een gevangenisstraf de enige passende straf in deze zaak, gelet op de aard en de ernst van de feiten. De rechtbank heeft voor het bepalen van de duur van de gevangenisstraf gekeken naar straffen die andere rechtsprekende instanties op hebben gelegd in soortgelijke zaken. Verder houdt de rechtbank bij het bepalen van de straf rekening met de verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte.
De rechtbank legt aan de verdachte een gevangenisstraf op die gelijk is aan de tijd die hij al in voorarrest heeft gezeten. De rechtbank berekent dit op 113 dagen. Het is uitdrukkelijk niet de bedoeling van de rechtbank dat de verdachte terug moet naar de gevangenis.
Oplegging van tbs met voorwaarden
De deskundigen hebben vastgesteld dat bij de verdachte sprake is zwakbegaafdheid, een (ernstige) stoornis in het gebruik van alcohol en antisociale trekken in de persoonlijkheid. Uit het persoonlijkheidsonderzoek volgt dat hiervan ten tijde van het bewezenverklaarde al sprake was. Er is daarmee sprake van een gebrekkige ontwikkeling en ziekelijke stoornis van de geestvermogens van de verdachte, die bestond tijdens het begaan van de bewezen verklaarde strafbare feiten.
De rechtbank stelt verder vast dat op de bewezenverklaarde feiten 1, 2 primair en 3 naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaar of meer is gesteld. Daarmee is voldaan aan de formele vereisten voor het opleggen van een tbs-maatregel, in de zin van artikel 37a, eerste lid, Sr.
Gelet op de bij de verdachte vastgestelde stoornissen en de overwegingen van de deskundigen over de risico’s op herhaling zonder behandeling, is de rechtbank van oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen het opleggen van een tbs-maatregel eist. De rechtbank vindt het onverantwoord om de verdachte onbehandeld te laten terugkeren in de maatschappij. Alleen een tbs-maatregel biedt de zekerheid dat de verdachte een juiste behandeling krijgt.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld binnen welk tbs-kader die behandeling moet plaatsvinden en op welke wijze verdere hulpverlening moet en kan worden geboden. Op de zitting en in het rapport hebben de reclasseringsmedewerkers hun twijfels uitgesproken over de haalbaarheid van een tbs met voorwaarden. De mogelijkheid van het opleggen van een tbs met dwangverpleging is op de zitting ook met de reclasseringsmedewerkers besproken.
De bewezenverklaarde feiten zijn ernstig, maar deze rechtvaardigen niet zonder meer het opleggen van een dusdanig ingrijpende maatregel als een tbs met dwangverpleging. Tbs met dwangverpleging wordt ook niet door de psychiater of klinisch psycholoog geadviseerd. De rechtbank stelt vast dat de verdachte zich tot nu toe inzet voor de behandeling en zich sinds zijn laatste schorsing uit de voorlopige hechtenis conformeert aan de opgelegde voorwaarden. De rechtbank is van oordeel dat gelet hierop, en gelet op de beginselen van proportionaliteit en subsidiariteit, een tbs met voorwaarden nu het meest passende kader is. Deze maatregel legt de rechtbank dan ook aan de verdachte op.
De rechtbank zal vanwege het geconstateerde hoge recidivegevaar bevelen dat de maatregel dadelijk uitvoerbaar is. Dat betekent dat voor de verdachte de voorwaarden gelden, ook als de zaak nog niet onherroepelijk zou zijn als tegen dit vonnis hoger beroep zou worden ingesteld.
In geval van omzetting naar tbs met dwangverpleging
De maatregel wordt opgelegd wegens een misdrijf dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer anderen, zodat de maatregel niet gemaximeerd zal zijn in geval van omzetting in tbs met dwangverpleging.
Gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel
De officier van justitie eist dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel wordt opgelegd in de zin van artikel 38v Sr in de vorm van een alcoholverbod. De rechtbank ziet in de wet echter niet de mogelijkheid om een dergelijke voorwaarde aan een 38v-maatregel te verbinden.
De rechtbank zal wel de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38z Sr opleggen. Deze maatregel houdt in dat de verdachte zich na beëindiging van de tbs-maatregel aan gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende voorwaarden moet houden en zich moet conformeren aan toezicht door de reclassering, zodat het risico op herhaling wordt geminimaliseerd. Of dergelijke aanvullende maatregelen nodig zijn en, zo ja, welke dat zijn, zal bepaald worden tegen het einde van de tbs-maatregel. Gelet op de adviezen van de deskundigen, waaruit naar voren komt dat langdurige behandeling en begeleiding nodig zal zijn, acht de rechtbank oplegging van deze maatregel noodzakelijk om ook na de tenuitvoerlegging van de tbs-maatregel toezicht op de verdachte als mogelijkheid te behouden. Er is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van deze maatregel nu de verdachte wordt veroordeeld tot de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.
De voorlopige hechtenis
De verdachte bevindt zich op dit moment nog in voorlopige hechtenis die is geschorst onder voorwaarden. Weliswaar legt de rechtbank geen gevangenisstraf op die langer is dan de tijd die de verdachte al heeft vastgezeten, maar met de oplegging van de tbs-maatregel is sprake van oplegging van een maatregel die vrijheidsbeneming kan meebrengen. De schorsing van de voorlopige hechtenis loopt daarom door. De schorsing houdt verband met de op te leggen dadelijk uitvoerbare tbs met voorwaarden. Zou de verdachte de in dat kader te stellen voorwaarden niet naleven terwijl dit vonnis nog niet onherroepelijk is, dan kan de opgelegde tbs met voorwaarden niet omgezet worden in tbs met dwangverpleging. Wel bestaat dan de mogelijkheid om de opheffing van de schorsing van de voorlopige hechtenis te bevelen. Op die manier kan de veiligheid van de maatschappij en de verdachte zelf worden gewaarborgd.
De rechtbank zal de schorsingsvoorwaarden wijzigen conform de op te leggen voorwaarden van de tbs-maatregel.
6. Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partijen
[slachtoffer 3] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,- immateriële schade voor feit 1, vermeerderd met de wettelijke rente.
[slachtoffer 2] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 500,- immateriële schade voor feit 2, vermeerderd met de wettelijke rente.
[slachtoffer 1] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 3.750,- immateriële schade voor feit 4, vermeerderd met de wettelijke rente.
[slachtoffer 4] heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 1.250,- immateriële schade voor feit 5 vermeerderd met de wettelijke rente.
Verder verzoeken de benadeelde partijen de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de vorderingen geheel kunnen worden toegewezen, met toepassing van de wettelijke rente en met de schadevergoedingsmaatregel.
Standpunt van de verdediging
De advocaat stelt zich op het standpunt dat de vordering van [slachtoffer 3] toewijsbaar is. Wat betreft de overige vorderingen stelt de advocaat zich primair op het standpunt dat de benadeelde partijen niet-ontvankelijk moeten worden verklaard gelet op de bepleite vrijspraak. Over de vordering van [slachtoffer 2] heeft de advocaat zich subsidiair gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.
Oordeel van de rechtbank
Niet-ontvankelijkheid [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] wegens vrijspraak
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van de aan hem ten laste gelegde feiten 4 en 5. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] niet-ontvankelijk zijn in hun vordering.
Proceskosten [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4]
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partijen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 4] worden niet-ontvankelijk verklaard in hun vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partijen moeten daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.
Benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]
Vergoeding van immateriële schade is op grond van art. 6:106 sub b BW mogelijk als de benadeelde partij lichamelijk letsel heeft opgelopen, is aangetast in zijn eer en goede naam of ‘op andere wijze’ in zijn persoon is aangetast. De rechtbank begrijpt dat de vordering van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] in dit geval op deze laatste grondslag is gebaseerd.
Uit de rechtspraak van de Hoge Raad blijkt dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ in ieder geval sprake is als het slachtoffer geestelijk letsel (psychische schade) heeft opgelopen. Het bestaan van geestelijk letsel moet naar objectieve maatstaven worden vastgesteld. Als geestelijk letsel niet kan worden vastgesteld, kan de aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ volgen uit de aard en de ernst van de normschending (het strafbare feit) en de gevolgen daarvan. De gevolgen moeten met concrete gegevens worden onderbouwd. In uitzonderlijke situaties kunnen de nadelige gevolgen voor het slachtoffer zó voor de hand liggen dat ook zonder nadere onderbouwing kan worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon. In dit geval is naar het oordeel van de rechtbank sprake van zo’n uitzonderlijke situatie, zodat de benadeelde partij recht heeft op vergoeding van immateriële schade.
Gelet op de bedragen die in soortgelijke zaken als schadevergoeding worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat de door de benadeelde partijen gevraagde vergoeding billijk is. De vorderingen zijn door of namens de verdachte ook niet (gemotiveerd) betwist. De rechtbank wijst de vorderingen van de benadeelde partijen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] daarom geheel toe.
De rechtbank wijst de gevorderde wettelijke rente toe. Bij de vordering van [slachtoffer 3] is dat vanaf 31 augustus 2024 (de datum van het ontstaan van de schade) tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald. Bij de vordering van [slachtoffer 2] is dat vanaf 30 augustus 2024 tot de dag dat de verdachte de schadevergoeding volledig heeft betaald.
Proceskosten [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2]
Omdat de vorderingen tot schadevergoeding worden toegewezen, moet de verdachte de kosten vergoeden die de benadeelde partijen hebben gemaakt.
De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vast staat dat de benadeelde partijen kosten hebben gemaakt voor het indienen en toelichten van de vorderingen en begroot de kosten daarom op nihil.
Schadevergoedingsmaatregel
De rechtbank legt de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte op, zodat (kort gezegd) de benadeelde partijen de schadevergoeding niet zelf bij de verdachte hoeven te incasseren, maar dat de Staat dit voor hen doet.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 3] bepaalt de rechtbank dat de verdachte een bedrag van € 500,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 augustus 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
Ten aanzien van de vordering van [slachtoffer 2] bepaalt de rechtbank dat de verdachte een bedrag van € 500,- aan de Staat moet betalen. Dit bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 30 augustus 2024 tot de dag dat de verdachte het volledige bedrag heeft betaald. Als de verdachte de schadevergoeding niet (volledig) betaalt, kan gijzeling (een vorm van vrijheidsbeneming van de verdachte) worden toegepast voor de duur van 5 dagen. De gijzeling komt niet in de plaats van de verplichting om te betalen. Ook als gijzeling wordt toegepast, blijft de verdachte dus verplicht om de schadevergoeding te betalen.
De verdachte mag de schadevergoeding ook rechtstreeks betalen aan de benadeelde partijen. Als hij dat heeft gedaan, is hij niet langer verplicht om aan de Staat te betalen.
BEM-clausule
Omdat de benadeelde partijen minderjarig zijn, bepaalt de rechtbank dat de schadevergoeding moet worden gestort op een ten behoeve van de benadeelde partijen te openen rekening met een zogenoemde BEM-clausule (Belegging, Erfenis en andere gelden Minderjarigen). Een BEM-clausule is bedoeld ter bescherming van de belangen van de minderjarige. De minderjarige en zijn wettelijke vertegenwoordiger kunnen – tot de minderjarige achttien jaar is – alleen met toestemming van de kantonrechter over het geld op de rekening beschikken.
7. Toegepaste wetsartikelen
De opgelegde straf en maatregelen zijn gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
- 36, 37a, 38, 38a, 38z, 57, 239 (oud), 246 (oud) en 249 van het Wetboek van Strafrecht.
8. De beslissing
De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart de feiten 4 en 5 niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
bewezenverklaring
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het bewezen verklaarde;
straf en maatregel
- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 113 dagen;
- bepaalt dat de tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht;
- gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en stelt daarbij de volgende voorwaarden betreffende het gedrag van de ter beschikking gestelde:
1. Geen strafbare feiten plegen
De verdachte maakt zich niet schuldig aan een strafbaar feit.
2. Meewerken aan reclasseringstoezicht
De verdachte werkt mee aan het reclasseringstoezicht. Deze medewerking houdt onder andere in:
• de verdachte meldt zich op afspraken bij de reclassering. De reclassering bepaalt hoe vaak dat nodig is.
• de verdachte laat een of meer vingerafdrukken nemen en laat een geldig identiteitsbewijs zien. Dit is nodig om de identiteit van de verdachte vast te stellen.
• de verdachte houdt zich aan de aanwijzingen van de reclassering. De reclassering kan
aanwijzingen geven die nodig zijn voor de uitvoering van het toezicht of om de verdachte te helpen bij het naleven van de voorwaarden.
• de verdachte helpt de reclassering aan een actuele foto waarop zijn gezicht herkenbaar is. Deze foto is nodig voor opsporing bij ongeoorloofde afwezigheid.
• de verdachte werkt mee aan huisbezoeken.
• de verdachte geeft de reclassering inzicht in de voortgang van de begeleiding en/of de behandeling door andere instellingen of hulpverleners.
• de verdachte vestigt zich niet op een ander adres zonder toestemming van de reclassering.
• de verdachte werkt mee aan het uitwisselen van informatie met personen en instanties die contact hebben met de verdachte, als dat van belang is voor het toezicht.
3. Meewerken aan time-out
Als de reclassering dat nodig vindt en de verdachte daarmee instemt, kan de verdachte voor een time-out worden opgenomen op een Forensisch Psychiatrische Afdeling of Forensische Psychiatrische Kliniek. Deze time-out duurt totdat de reclassering of de verdachte deze beëindigt, maar maximaal zeven weken, met de mogelijkheid van verlenging met nog eens maximaal zeven weken, tot maximaal veertien weken per jaar.
4. Niet naar het buitenland
De verdachte gaat niet naar het buitenland of het Caribisch deel van het Koninkrijk der Nederlanden, zonder toestemming van de reclassering.
5. Opneming in een zorginstelling
De verdachte laat zich opnemen in en behandelen door de [instelling 1] of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname is in het kader van de schorsing van de preventieve hechtenis gestart op 17 september 2026. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op verslavingsproblematiek, psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken. De verdachte houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt de verdachte mee aan de indicatiestelling en plaatsing.
6. Ambulante behandeling
Dat de verdachte zich aansluitend aan de klinische behandeling laat behandelen door een ambulante zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is onder meer gericht op verslavingsproblematiek, psychische problematiek en seksueel grensoverschrijdend gedrag. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat de verdachte voorgeschreven medicatie zal gebruiken.
7. Verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang
Dat de verdachte voor de duur van de maatregel of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. De verdachte houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt.
8. Verbod verdovende middelen
De verdachte dient zich op het gebied van drugs- en alcoholgebruik te houden aan de aanwijzingen en richtlijnen van de reclassering, ook ingeval dit inhoudt volledige abstinentie. De controle op naleving van deze voorwaarde zal ondersteund worden door middel van urineonderzoek en/of blaastesten of anderszins, de verdachte dient daaraan zijn volledige medewerking te verlenen. Mocht de verdachte terugvallen in middelengebruik zal dit niet in eerste instantie leiden tot een sanctionering maar tot een interventie. Te denken valt aan een verslavingsbehandeling of het aanpassen van het terugvalpreventieplan. Tevens dient de verdachte openheid geven over zijn zucht en middelengebruik.
9. Alcoholverbod
Dat de verdachte geen alcohol gebruikt. De verdachte moet meewerken aan urinecontroles. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd.
10. Contactverbod
Dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zoekt of heeft met de volgende aangevers:
- [slachtoffer 2] , geboren op [2014] ;
- [slachtoffer 3] , geboren op [2016] ;
- [slachtoffer 5] , geboren op [1984] .
11. Dagbesteding
De verdachte spant zich in voor het vinden en behouden van onbetaald werk en/of vrijetijdsbesteding, met een vaste structuur.
12. Aflossing schulden
De verdachte werkt mee aan het aflossen van zijn schulden en het treffen van afbetalingsregelingen, ook als dit inhoudt meewerken aan schuldhulpverlening in het kader van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen. De verdachte geeft de reclassering inzicht in zijn/haar financiën en schulden.
13. Locatieverbod
Dat de verdachte zich niet bevindt in het Molenpark en de wijk Dichterswijk, te Utrecht (zie kaart hieronder).
- legt aan de verdachte op de maatregel strekkende tot gedragsbeïnvloeding en vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht;
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 3] (feit 1)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 2] (feit 2)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 1] (feit 4)
vordering tot schadevergoeding van benadeelde partij [slachtoffer 4] (feit 5)
voorlopige hechtenis
- wijzigt de voorwaarden van de schorsing van de voorlopige hechtenis in die zin dat deze gelijk zijn aan de voorwaarden die zijn verbonden aan de tbs-maatregel, zoals hiervoor weergegeven.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.F. Haeck, voorzitter, mr. L.L. Veendrick en mr. S.E. van den Brink, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R.I. van Balkom als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 26 oktober 2026.
De oudste rechter, de jongste rechter en de griffier zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1 hij op of omstreeks 31 augustus 2024 te De Meern (in het Máximapark), gemeenteUtrecht, althans in Nederland,met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 3] , geborenop [2016] ,een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het vastpakken van de hand van die [slachtoffer 3] en/of- het geven van een kus op de wang van die [slachtoffer 3] ;
feit 2 hij op of omstreeks 30 augustus 2024 te Utrecht (in het Molenpark), althans inNederland,met een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] ,geboren op [2014] ,een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten- het aaien en/of wrijven over de schouder van die [slachtoffer 2] en/of- (vervolgens) het aan die [slachtoffer 2] toevoegen van de woorden "mag ik je eenkusje geven?" en/of woorden van gelijke seksuele aard en/of strekking( art 249 lid 1 Wetboek van Strafrecht )subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zoukunnen leiden:hij op of omstreeks 30 augustus 2024 te Utrecht (in het Molenpark), althans inNederland,ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf ommet een kind beneden de leeftijd van twaalf jaren, te weten [slachtoffer 2] ,geboren op [2014] ,een of meer seksuele handelingen te verrichtenheeft hij, verdachte,- (meermaals) die [slachtoffer 2] gesommeerd om met hem, verdachte, mee tekomen en/of- (vervolgens) die [slachtoffer 2] bij de schouder vastgepakt en/of over de schoudergeaaid en/of gewreven en/of- (vervolgens) die [slachtoffer 2] verder meegenomen in het Molenpark en/of- (vervolgens) aan die [slachtoffer 2] gevraagd "mag ik je een kusje geven?" en/of(vervolgens) "eentje?"terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
feit 3 hij op of omstreeks 28 juni 2024 te Utrecht (aan de Veilinghavenkade), althans inNederland,door geweld of een andere feitelijkheid en/of bedreiging met geweld of een anderefeitelijkheid, te weten door- (dicht) naast haar te gaan zitten en/of- haar te sommeren: "kom een beetje dichterbij zitten schat", althans woorden vansoortgelijke dwingende aard en/of strekking en/of- haar (vervolgens) onverhoeds te betasten en/of- (vervolgens) naast haar te blijven zitten terwijl zijn hand door haar werdweggeduwd en/of geslagen[slachtoffer 5] heeft gedwongen tot het plegen en/of dulden van een of meerontuchtige handelingen, te weten- het leggen van zijn, verdachtes, hoofd op de schouder van die [slachtoffer 5] en/of- het betasten van het (boven)been en/of de schaamstreek en/of de borst(en) vandie [slachtoffer 5] en/of- het likken aan/of de arm van die [slachtoffer 5] en/of- het proberen te zoenen van die [slachtoffer 5] ;
feit 4 hij op of omstreeks 23 juni 2023 te Utrecht (aan de Da Costakade), althans inNederland,met [slachtoffer 1] , geboren op [2012] , die toen de leeftijd van zestien jaren nogniet had bereikt,buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten- het vastpakken van de hand en/of de elleboog van die [slachtoffer 1] en/of- het betasten van en/of duwen op de rug van die [slachtoffer 1] en/of- het naar de grond duwen van die [slachtoffer 1] en/of- het op die [slachtoffer 1] liggen en/of- het tegen die [slachtoffer 1] zeggen van de woorden: "ik wil jou neuken" en/of "wil jemet me neuken", althans woorden van gelijke seksuele aard en of strekking;
feit 5 hij op of omstreeks 16 maart 2023 te Utrecht (in de Reguliersteeg ), althans inNederland,met [slachtoffer 4] , geboren op [2008] , die toen de leeftijd van zestien jarennog niet had bereikt,buiten echt,een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten- het vastpakken en/of (vervolgens) vasthouden en/of betasten van de heupen vandie [slachtoffer 4] en/of- (vervolgens) het tegen die [slachtoffer 4] zeggen van de woorden: "wil je mij geen kusjegeven", althans woorden van gelijke seksuele aard en/of strekking
feit 6 hij op of omstreeks 17 november 2023 te Utrecht (aan de Croeselaan), althans inNederlandde eerbaarheid heeft geschondenop of aan een plaats, voor het openbaar verkeer bestemd, te weten nabij bushalteVan der Goesstraat aan de Croeselaan en/of in het bijzijn van [slachtoffer 6] ,door- het tonen van zijn, verdachtes, blote geslachtsdeel en/of- het betasten van zijn, verdachtes, blote geslachtsdeel en/of- het (daarbij) zeggen van de woorden: "ah krijg zo stijve pik" en/of "ah lekker",althans woorden van gelijke seksuele aard en/of strekking en/of- het (daarbij) maken van kreunende geluiden.
Bijlage II: Bewijsmiddelen
Feit 1 en feit 2
Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 3] (moeder van [slachtoffer 3] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wanneer is het gebeurd?
A: Gisteren, 31 augustus 2024. Toen fietste we door het Maximapark, ik vermoed 12:45 uur.
V: Vertel eens alles over wat er gebeurd is?A: [slachtoffer 3] fietste hard vooruit dat doet hij wel vaker. [slachtoffer 3] fietste langs de gele brug vanaf de Intratuin. Die man kwam naast hem fietsen. Die man zei he hallo, terwijl hij over [slachtoffer 3] heen keek. [slachtoffer 3] fietst voor uit. Ik zag [slachtoffer 3] niet meer. Die man kwam er naast fietsen. Wat [slachtoffer 3] ons zei is dat die man zei: "Wil je mij opruimen". Dat vond [slachtoffer 3] een rare vraag en [slachtoffer 3] zei "nee". Toen zei die man, zullen we even op een bankje zitten. Op deze vraag zei [slachtoffer 3] nee. Die man zei toen even wat water drinken, en heel kort maar. Toen heeft die man hem laten stoppen. [slachtoffer 3] zei later tegen ons dat hij heel bang was. Die man zei geef je mij je hand. [slachtoffer 3] zei tegen ons dat hij geen kant op kon. Hij zei dat hij wilde dat die man aan de andere kant stond want dan kon hij wel weg fietsen, dat kon nu niet. Hij stond klem door die man. Die man gaf [slachtoffer 3] toen een kus op zijn wang.
Een proces-verbaal van bevindingen (eerste contact [slachtoffer 3] en ouders ter plaatse), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op 31 augustus 2024 kregen wij de opdracht te gaan naar een melding dat melders zoon van acht jaar oud zou in het Maximapark zijn lastig gevallen door een oudere man. Wij kregen het volgende signalement van de oudere man:- Huidskleur: Blank;- gezichtsstructuur: normaal gezicht;- haardracht/kleur: bijna kaal met wit haar;- Leeftijd: kind kon de leeftijd niet goed inschatten;- jas: lichtgroene jas;- broek: blauwe spijkerbroek;- schoenen: bruine schoenen.
Deze man zou fietsen op de een fiets met de volgende kenmerken:- Stadsfiets;- 1 grijze fietstas;- hard leren mannenzadel.
- Kind [slachtoffer 3] , [2016] , te [geboorteplaats] : betreft slachtoffer.
Een proces-verbaal van bevindingen onderzoek in CAT S31, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Bij de aanhouding van de verdachte [verdachte] werd zijn mobiele telefoon, merk CAT S31, in beslag genomen. De gebruiker van de genoemde telefoon bleek: [verdachte] ,
Geboren op [1957] te [geboorteplaats] . In de gegevens van de Cat S31, die door de afdeling Digitaal werden uitgelezen, zag ik onder andere de volgende gegevens:
IMEI nummer: [IMEI nummer] .
Een proces-verbaal van bevindingen resultaat vanuit histo tel nr verdachte [verdachte] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Naar aanleiding van de vordering verstrekking historische gegevens telefonie, gedaan door de Officier van Justitie, ontving ik, verbalisant, van de verschillende providers het resultaat van de vastgelegde gegevens van het IMEI nummer [IMEI nummer] . De woning van verdachte [verdachte] bevindt zich op de [adres] te [woonplaats] . Ik zag in de vastgelegde gegevens van de historische gegevens voornamelijk de locaties [adres] en [adres] te [woonplaats] . Het genoemde IMEI nummer straalt dus vermoedelijk deze twee masten aan wanneer het nummer zich bevind aan de [adres] .
Zaak 1 Maximapark De Meern
Dit vond plaats op zaterdag 31 augustus 2024 tussen 12.45 uur en 13.20 uur in het Maximapark te De Meern. Het bleek dat het genoemde IMEI nummer tussen 12.55 uur en 13.08 uur aanstraalde op de mast aan de [adres] te [woonplaats] . Op onderstaande plattegrond is te zien dat de genoemde mast in de nabijheid van het Maximapark staat.
Een proces-verbaal van aangifte van [aangeefster 2] (moeder van [slachtoffer 2] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Wanneer is het gebeurd?
A: 30 augustus 2024, ergens tussen 16:30 en 17:00 uur geweest.
V: Waar is het gebeurd?A: Het begon bij de hoofdingang van de school, daar is het eerste contact geweest. De van [straat ] . De school heet [school] . Toen hebben ze een stukje gewandeld en uiteindelijk zijn ze naar de [naam] gegaan. Daar is mijn dochter [slachtoffer 2] weg gegaan van hem.
V: Kan je vertellen wat ze jou verteld heeftA: Ze zei er was een man en vroeg of ik even mee kwam kijken. Hij moest wat doen in het speeltuintje. Of ze hem wilde helpen. Toen ging ik met hem mee. Toen gingen we naar een ander speeltuintje en toen ben ik heel hard weg gestept. Ze begon te huilen.
Mijn dochter zei dat die man zei: Kom je een broodje eten bij mijn thuis. Mijn dochter zei dat ze geen honger had. Wat zei hij nog meer. Dat ze een mooie step had. Ze stepte achter hem aan. Hij liep met de fiets naast haar. Hij heeft haar toen over haar schouder geaaid. En toen zijn ze de hoek om gegaan. Hij zei ik ga even kijken of het hier is. Ze stonden aan de buiten kant. Hij zei blijf hier maar even wachten dan kijk ik of het hier is. Mijn dochter zei toen: "Ik moet naar een vriendin toe". Toen is ze over het grind met haar step weg gerend en naar huis gegaan. Ze heeft, ze heeft denk ook wel eerder gezegd dat ze moet gaan, want mijn vriendin wacht. Dat heeft ze meerdere keren gezegd. Hij riep toen ze weg ging, mag ik dan een kusje toen ze weg ging.0: U had het over die man over haar schouder aaide.A: Hij zei kom naar naast mij steppen. En toen pakte hij haar bij de schouder vast en wreef hij een beetje.
Een proces-verbaal van relaas, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Op dinsdag 3 september 2024 te 11.15 uur deed de moeder van het slachtoffer in het Molenpark aangifte van het seksueel misbruik en/of een poging tot aanranding van haar dochter [slachtoffer 2] .
Zij deed aangifte namens haar dochter:
Voornamen: [voornamen]
Achternaam: [slachtoffer 2]
Geboortedatum: [2014] te [geboorteplaats]
Een proces-verbaal van bevindingen (uitkijken camerabeelden [naam] ), voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Mijn contactpersoon van [naam] vertelde mij dat ze mij beelden had gestuurd van vrijdag 30 augustus 2024 te 17.20 uur. Ik bekeek en beluisterde de beelden. Daarop zag en hoorde ik het volgende:
Ik zag dat de man er als volgt uitzag:
- man
- blanke huidskleur
- kort geschoren grijs / wit haar aan de zijkant en bovenop kaal.
- Normaal postuur
- middelbare leeftijd
- gekleed in een blauw met wit gestreepte polo (horizontale strepen), een blauwe
spijkerbroek en grijze / groene schoenen.
Ik zag tevens dat hij een horloge droeg aan zijn linker arm en dat beide onderarmen
waren voorzien van verschillende tatoeages. Ik hoorde dat de man Nederlands sprak.
Ik zag dat de man een oude herenfiets met handremmen bij zich had. Ik zag dat de
fiets was voorzien een bruin zadel. Ook zag ik dat er een enkele fietstas aan de
bagagedrager hing.
Op het eerste bestand die mij was toegestuurd zag ik dat beiden over het ophaalbruggetje kwamen lopen. Ik zag dat ze vervolgens uit het beeld verdwenen. Op het tweede bestand zag ik beiden weer in beeld verschijnen. Ik zag dat de man voorop liep, het meisje aankeek en vooruit wees. Ik zag dat het meisje hem volgde. Ik zag dat de man onderin het beeld verdween en dat het meisje net in beeld bleef staan.
Ik hoorde ondertussen het volgende:
Meisje: 'Ik moet nu naar een vriendin toe'
Man: 'onverstaanbaar' 'Kijk dat kan je zo zien'.
Meisje: 'Nee ik ga wel naar een vriendin toe'.
Man: 'Kom even dan"
Ik hoorde dat hij dit op een dwingende toon deed.
Meisje: 'Nee dat hoeft niet!
Man: 'he?, kom even'
Meisje: 'Nee hoeft niet'
Man: 'he?'
Meisje: 'Ik ga naar een vriendin toe!'
Man: 'Mag ik je een kusje geven?'.
Meisje: 'Nee'.
Man: 'eentje?'
Meisje: 'Nee! ik ga naar een vriendin toe'.
Man: 'ok.
Ik zag dat de man heel dicht bij, zeker binnen 50 cm van het meisje vandaan stond op
het moment dat hij haar vroeg of hij haar een kusje mocht geven.
Het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
U, voorzitter, vraagt of ik nog iets weet van 31 augustus 2024 en dat ik een kind zou hebben lastiggevallen in het Maximapark. Op dat moment had ik gedronken. Ik werkte, wat inhield dat ik het park schoonmaakte. Het Maximapark was binnen een half uur schoon. Ik ging toen zitten en bier drinken, zoals altijd.
Ik heb de beelden gezien en ik ben de man op de beelden van 30 augustus 2024 in
het [naam] in Utrecht.
Feit 3
De verdachte bekent dat hij feit 3, namelijk aanranding van [slachtoffer 5] heeft gepleegd, zoals dit hierboven bewezen is verklaard. Door of namens hem is ook niet om vrijspraak van dat feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert:
- het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2026 met de bekennende verklaring van de verdachte;
- een proces-verbaal van het verhoor van de verdachte bij de politie op 16 september 2024;
- een aangifte van [slachtoffer 5] ;
- een proces-verbaal van het studioverhoor van [slachtoffer 5] .
Feit 6
Een proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 6] , voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
V: Waar en wanneer heeft de schennis plaatsgevonden?A: Bij het bushokje bij Van der Goesstraat, bij de Croeselaan op 17 november 2023, dat was toen hij zijn geslachtsdeel liet zien.Die man stond bij het bushokje, volgens mij was hij aan het plassen. Toen ik achter hem langs liep, draaide hij zich naar mij om en hij keek mij aan. Hij maakte kreunende geluiden naar mij. Hij zit altijd in het bushokje. Hij heeft altijd een fiets bij zich. Hij is rond de 60 jaar, grijs. Redelijk lang 180/190. Witte huidskleur.
Ik zag dat hij daar aan het plassen was, of... hij deed iets met zijn geslachtsdeel daar. Ik zag dat zijn geslachtsdeel uit zijn broek hing. Ik zag dat hij zijn hand erbij had en dat hij vies naar mij keek. Hij heeft nog wel wat gezegd, en dat heb ik naar een vriend geappt op dat moment: “Ik was aan het lopen en zag een man staan bij de bushalte, toen ik langs liep deed hij zijn broek naar beneden en ging hij aan zichzelf zitten terwijl hij naar me keek en zei dingen als ‘ah krijg zo stijve pik’ en ‘ah lekker’”
Het proces-verbaal van de zitting van 10 februari 2026, voor zover inhoudende, zakelijk weergegeven:
Ik zat vaak te drinken in het bushokje op de Croeselaan van 16:00 uur tot 19:00 uur. Wat er in gaat moet er ook uit dus ik urineerde tegen het muurtje. Naast het bushokje stond een kastje en daar stond ik wel eens te urineren. Ik denk dat aangeefster [slachtoffer 6] dat misschien bedoeld heeft.