ECLI:NL:RBMNE:2026:7464

ECLI:NL:RBMNE:2026:7464

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 15-10-2026
Datum publicatie 26-10-2026
Zaaknummer C/16/617242 / KG ZA 26-544
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Kort geding
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Franchisegever vordert in kort geding dat gedaagden (voormalige franchisegevers en gelieerde partijen) concurrerende activiteiten staken en gestaakt houden; non-concurrentiebeding niet onmisbaar om knowhow te beschermen; artikel 7:920 BW.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht

Zittingsplaats Utrecht

Zaaknummer: C/16/617242 / KG ZA 26-544

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2026

in de zaak van

TAF GLOBAL OPERATIONS B.V.,

te Amsterdam,

eisende partij,

hierna te noemen: TAF,

advocaten: mr. G.J.L. Bright-van der Sluis en mr. S. Lagidse te Oosterhout,

tegen

1. STREETSPORTFASHIONROTTERDAM B.V.,

te Rotterdam,2. STREETSPORTFASHIONNEDERLAND B.V.,

te Rotterdam,3. [gedaagde sub 3],

te [plaats] ,4. FOOTKORNER ROTTERDAM B.V.,

te Rotterdam,5. FOOTKORNER NEDERLAND B.V.,

te Rotterdam,

gedaagde partijen,

hierna samen te noemen: SSF Rotterdam c.s. en afzonderlijk: SSF Rotterdam, SSF NL, [gedaagde sub 3] , FootKorner Rotterdam en FootKorner NL,

advocaten: mr A.W. Dolphijn en mr. N.T. van Bruggen te Rotterdam.

1. De procedure

De voorzieningenrechter beschikt over de volgende stukken:

- de dagvaarding van 21 september 2026 met producties 1 tot en met 14

- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 24.

Op de mondelinge behandeling van 1 oktober 2026 zijn namens eiser verschenen: de heer [A] ( [functie] TAF [.] ), mr. Bright-van der Sluis en mr. Lagidse. Namens gedaagden zijn verschenen: [gedaagde sub 3] (voor zichzelf en als – direct of indirect – statutair bestuurder van de vier andere gedaagden), mr. Dolphijn en mr. Van Bruggen. De zittingsgriffier heeft aantekeningen gemaakt en er zijn zowel door de advocaten van TAF als door de advocaten van SSF Rotterdam c.s. spreekaantekeningen voorgedragen. Een afschrift van die spreekaantekeningen is aan het dossier toegevoegd. Aan het einde van de zitting heeft de voorzieningenrechter meegedeeld dat op donderdag 15 oktober 2026 vonnis wordt gewezen.

2. De kern van de zaak

SSF Rotterdam en SSF Nederland (hierna: de SSF-vennootschappen) hebben van eind 2024 tot 1 augustus 2026 als franchisenemer van TAF een winkel in sportschoenen en sportkleding uitgebaat vanuit het door hen (van een derde) gehuurde winkelpand aan de [adres]

te ( [postcode] ) [plaats] (hierna: het winkelpand). Sinds de beëindiging van deze franchiserelatie baten FootKorner Rotterdam en FootKorner Nederland (hierna: de FootKorner-vennootschappen) vanuit het winkelpand een winkel in sportschoenen en sportkleding uit. Zij doen dat als franchisenemers van een andere franchisegever. [gedaagde sub 3] is – direct dan wel indirect – statutair (mede)bestuurder van zowel de twee FootKorner-vennootschappen als de twee SSF-vennootschappen.

Volgens TAF vormt de exploitatie van die FootKorner-winkel een overtreding van het postcontractuele non-concurrentiebeding in haar franchiseovereenkomst met de SSF-vennootschappen. Zij vordert in dit kort geding onder meer veroordeling van gedaagden om die exploitatie te staken en gestaakt te houden en € 100.000,- als voorschot op verbeurde contractuele boetes. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Ingevolge artikel 7:920 lid 2 onder c BW is een non-concurrentiebeding als dit alleen geldig als aan bepaalde eisen is voldaan. Dat aan die eisen is voldaan is onvoldoende aannemelijk.

3. De verdere achtergronden van het geschil

TAF heeft de franchiserelatie op 24 april 2026 opgezegd tegen 1 augustus 2026, volgens de opzeggingsbrief vanwege betalingsachterstanden vanaf maart 2025.

De FootKorner-vennootschappen zijn franchisenemer van de internationale football- en sportswearfranchiseformule FootKorner.

TAF en de SSF-vennootschappen hebben op 5 augustus 2026 een vaststellingsovereenkomst gesloten waarin zij bepaalde afspraken over de afwikkeling van de franchiserelatie hebben vastgelegd. De kwestie van de rechtsgeldigheid en afdwingbaarheid van het non-concurrentiebeding hebben die partijen in die overeenkomst wel genoemd maar vervolgens geparkeerd.

4. De beoordeling

Het toetsingskader in kort geding

Om met succes een vordering in kort geding te kunnen instellen, moet TAF een spoedeisend belang hebben. Inhoudelijk moet in een kort gedingprocedure als deze worden beoordeeld of de vorderingen in een bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben dat het gerechtvaardigd is om op die beslissing van de bodemrechter voorruit te lopen en de gevraagde voorlopige voorzieningen nu al toe te wijzen. Daarnaast moet de voorzieningenrechter de wederzijdse belangen van partijen meewegen.

De vorderingen zijn voldoende spoedeisend voor kort geding

TAF heeft een voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorzieningen. TAF stelt dat SSF Rotterdam c.s. in strijd handelt met een non-concurrentiebeding. Als dat zo is, heeft zij er belang bij om daar in rechte tegen op te kunnen komen. Dat belang is voldoende spoedeisend, te meer omdat het gaat om een non-concurrentiebeding met een looptijd van slechts een jaar en het niet uitzonderlijk is dat een beslissing in een bodemzaak niet binnen een jaar kan worden verkregen. TAF kan een bodemprocedure dus niet afwachten.

SSF Rotterdam c.s. hoeft zich niet aan het non-concurrentiebeding te houden

Het non-concurrentiebeding waar TAF haar vorderingen op baseert, staat in artikel 8.1 van de franchiseovereenkomst. Het bepaalt, kort gezegd, dat de SSF-vennootschappen gedurende één jaar ná het uittreden uit de franchiseformule, vanuit het winkelpand geen onderneming mogen drijven die gelijksoortig is aan de ondernemingen zoals de franchisenemers van TAF die exploiteren, en evenmin een op de franchiseformule gelijkende onderneming. Het meest verstrekkende verweer van SSF Rotterdam c.s. is dat dit beding niet geldig is vanwege artikel 7:920 lid 2 sub c BW (zie hierna onder 4.5). Als dit argument zou slagen in een bodemprocedure dan zal de bodemrechter het

non-concurrentiebeding buiten beschouwing laten en wordt deze vordering van TAF afgewezen. Dit verweer slaagt. De voorzieningenrechter vindt het op dit moment onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat het non-concurrentiebeding geldig is overeengekomen.

Het wettelijk kader

In artikel 7:911 lid 2 BW staat de definitie van een franchiseformule. Om daarvan te kunnen spreken is onder meer nodig dat er sprake is van knowhow. Die knowhow wordt omschreven als:

“een geheel van niet door een intellectueel eigendomsrecht beschermde praktische informatie, voortvloeiend uit de ervaring van de franchisegever en uit de door hem uitgevoerde onderzoeken, welke informatie geheim, wezenlijk en geïdentificeerd is.”

In artikel 7:920 lid 2 sub c BW staat dat een beding dat de franchisenemer beperkt in zijn bevoegdheid om na het einde van de franchiseovereenkomst op zekere wijze werkzaam te zijn (zoals het non-concurrentiebeding) slechts geldig is als:

“de beperking onmisbaar is om de door de franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen.”

Deze wetsartikelen zijn per 1 januari 2021 ingevoerd als onderdeel van de Wet franchise. Die wet beoogt onder meer om de positie van franchisenemers te verbeteren. Vanwege die beschermingsgedachte is het begrip knowhow in artikel 7:911 lid 2 BW ruim geformuleerd (zodat er sneller sprake is van een franchiseformule die onder de wet valt). De regel in artikel 7:920 lid 2 sub c BW, dat een non-concurrentiebeding alleen geldig is als dit onmisbaar is om overgedragen knowhow te beschermen (dit criterium hierna: de onmisbaarheid), is ook door die beschermingsgedachte ingegeven, maar ook vanwege het algemene belang dat concurrentiebeperkende afspraken alleen mogen in heel bijzondere gevallen. Die afspraken zijn doorgaans immers vooral voordelig voor de marktpartijen die ze maken en voor hun klanten juist nadelig.

De wetgever heeft er daarom voor gekozen om een vergaande beperking op de concurrentie – zoals het non-concurrentiebeding – alleen toe te staan als die onmisbaar is om de door de franchisegever aan de franchisenemer overgedragen knowhow te beschermen. Andere belangen die de franchisenemer kan hebben, zoals het belang om zo min mogelijk concurrenten in de buurt te hebben en het belang dat het eenvoudiger is om bij vertrekkende franchisenemers een andere franchisenemer op dezelfde locatie neer te zetten, zijn dus geen valide reden voor een non-concurrentiebeding.

Het voorgaande brengt mee dat de knowhow die de franchisenemer bij het aangaan en tijdens de looptijd van de franchiseovereenkomst heeft ontvangen van zo’n aard moet zijn dat de franchisenemer, als hij na het einde van de franchiseovereenkomst op dezelfde plek een zelfde soort onderneming begint en dus met de franchisegever dan wel eventuele nieuwe franchisenemers gaat concurreren, bij die concurrentie onredelijk is bevoordeeld.

Uit de strekking van artikel 7:920 lid 2 sub c BW volgt dat de franchisegever, TAF dus, degene is die moet onderbouwen om welke knowhow het gaat en waarom een non-concurrentiebeding onmisbaar is om die te beschermen. Dat strookt in deze procedure met het feit dat zij als eiseres gehouden is om haar stellingen voldoende te onderbouwen en tegenover de verweren van SSF Rotterdam c.s., aannemelijk te maken.

Onvoldoende aannemelijk dat het non-concurrentiebeding onmisbaar is om de overgedragen knowhow te beschermen

TAF heeft de knowhow die zij aan de SSF-vennootschappen heeft verstrekt als volgt omschreven:

formulegebonden bedrijfsvoering;

assortiment- en productstrategie;

leveranciersinformatie;

prijs- en verkoopstrategieën;

commerciële ondersteuning;

marketingkennis;

operationele processen en formulespecifieke kennis en ervaring,

logistieke en bedrijfsprocessuele elementen;

commerciële strategieën;

beschrijvingen die de uniformiteit en uitstraling van de franchiseorganisatie beogen te garanderen; maar ook:

de visie omtrent strategieën en marketingconcepten van TAF.

TAF stelt dat zij deze knowhow met de SSF-vennootschappen heeft gedeeld, deels bij de aanvang van de franchiseknowhow en deels tijdens de intensieve begeleiding gedurende de franchiserelatie. De SSF-vennootschappen zijn daarnaast doorlopend – onder meer in wekelijkse nieuwsberichten – geïnformeerd over de geaggregeerde cijfers van haar franchisenemers, waaronder omzettotalen en voorraadtotalen, waarmee TAF inzichtelijk heeft gemaakt welke producten, merken en assortimenten succesvol waren en welke niet, welke voorraadniveaus optimaal waren en op welke wijze de omzet en het rendement konden worden verbeterd. Dat zijn inzichten waarover individuele ondernemers als de SSF-vennootschappen doorgaans niet beschikken. Veel van deze informatie is geheime, bedrijfsvertrouwelijke informatie, niet alleen van TAF zelf, maar ook van de leveranciers en merken waarmee binnen de formule wordt samengewerkt. Die leveranciers en merken hebben bij TAF bedongen dat zij die informatie geheim houdt, aldus nog steeds TAF.

SSF Rotterdam c.s. heeft weersproken dat de bedoelde informatie in deze vorm en met deze intensiteit aan de SSF-vennootschappen is verstrekt. Ook stelt zij dat een belangrijk deel van de informatie die TAF onder onmisbare knowhow schaart, informatie is die binnen de branche algemeen bekend is en dus niet geheim. Ten slotte heeft zij tijdens de mondelinge behandeling verklaard dat de SSF-vennootschappen helemaal geen zicht hadden op factuurprocessen en de contacten met toeleveranciers. Ook daarom is hier van overgedragen en beschermingswaardige knowhow geen sprake.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat TAF, tegenover de gemotiveerde weerspreking door SSG Rotterdam c.s., onvoldoende handen en voeten heeft gegeven aan haar stelling dat het non-concurrentiebeding onmisbaar is voor de bescherming van de knowhow. De omschrijvingen en toelichting onder 4.10 en 4.11 zijn zo algemeen en zo weinig specifiek dat niet inhoudelijk kan worden getoetst of sprake is van overgedragen knowhow en of het non-concurrentiebeding onmisbaar is om die te beschermen. Dat geldt te meer omdat het franchisehandboek waaruit de noodzakelijke nadere onderbouwing wellicht had kunnen blijken, in het geheel niet in het geding is gebracht. Dat TAF, zoals zij stelt, dat handboek niet in het geding heeft gebracht omdat zij de inhoud ervan niet (opnieuw) aan de SSF-vennootschappen en de andere gedaagden kenbaar wil maken, leidt niet tot een ander oordeel. Bij die stand van zaken kan in het midden blijven óf de SSF-vennootschappen in het verleden inzage hebben gehad in dat franchisehandboek (zoals TAF stelt, maar SSF Rotterdam c.s. bestrijdt).

TAF heef de geaggregeerde omzet- en voorraadtotalen wel (enigszins) concreet omschreven. Dat is echter ook het soort informatie dat bijzonder snel veroudert en het is niet aannemelijk dat deze nu nog enige meerwaarde heeft ten opzichte van informatie die hierover binnen de branche algemeen bekend is. Ook dat is onvoldoende voor onmisbaarheid van het non-concurrentiebeding. Daar komt nog bij dat TAF niet voldoende heeft weersproken dat de SSF-vennootschappen geen zicht hadden op factuurprocessen en de contacten met toeleveranciers.

Conclusie

De slotsom is dat TAF de onmisbaarheid niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt. De tegen de SSF-vennootschappen en [gedaagde sub 3] ingestelde vorderingen, die zijn gebaseerd op hun beweerdelijke wanprestatie in de naleving van het concurrentiebeding, kunnen alleen al om die reden niet worden toegewezen. De vorderingen tegen de FootKorner-vennootschappen, die zijn gebaseerd op beweerdelijk onrechtmatig handelen van die vennootschappen jegens TAF (namelijk onrechtmatig voordeel trekken uit de wanprestatie van de andere gedaagden), moeten – omdat die wanprestatie niet is komen vast te staan – eveneens worden afgewezen. Wat [gedaagde sub 3] en de FootKorner-vennootschappen verder nog als verweer hebben aangevoerd, kan daarom onbesproken blijven. De gevraagde voorlopige voorzieningen worden in hun geheel afgewezen.

TAF krijgt ongelijk en moet een proceskostenveroordeling aan SSF Rotterdam c.s. betalen

TAF is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van SSF Rotterdam c.s. worden begroot op:

- griffierecht

€

735,00

- salaris advocaat

€

1.177,00

- nakosten

€

189,00

(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

2.101,00

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

wijst de vorderingen van TAF af,

veroordeelt TAF in de proceskosten, aan de zijde van SSF Rotterdam c.s. tot op heden begroot op € 2.101,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als TAF niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt TAF tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.A. Steenbergen en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2026 door mr. C.A.J. van Yperen.

JO/4972

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand