ECLI:NL:RBMNE:2026:7434

ECLI:NL:RBMNE:2026:7434

Instantie Rechtbank Midden-Nederland
Datum uitspraak 29-09-2026
Datum publicatie 24-10-2026
Zaaknummer C/16/608568 / FA RK 26-537
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Beschikking
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Zorgregeling en kinderalimentatie. Geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de zorgregeling moet worden gewijzigd

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht

Locatie Utrecht

Zaaknummer: C/16/608568 / FA RK 26-537

Kinderalimentatie en zorgregeling

Beschikking van 29 september 2026

in de zaak van:

[de moeder] ,

wonende in [plaats 1] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat mr. R. Walet,

tegen

[de vader] ,

wonende in [plaats 2] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. C. Waanders.

1. De procedure

De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:

het verzoekschrift met bijlagen van de moeder, binnengekomen op 16 maart 2026;

het verweerschrift met bijlagen van de vader met daarin een aantal zelfstandige verzoeken (tegenverzoeken) van 11 mei 2026;

het verweerschrift met bijlagen van de moeder (met bijlagen) op de zelfstandige verzoeken van de vader, met daarin een zelfstandig tegenverzoek van 17 augustus 2026;

het bericht met bijlagen van de vader van 18 augustus 2026;

het gewijzigde verzoekschrift met bijlage van de moeder van 20 augustus 2026;

het bericht met bijlage van de vader van 24 augustus 2026;

het bericht met bijlage van de vader van 26 augustus 2026;

het bericht met bijlage van de moeder van 26 augustus 2026.

De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 28 augustus 2026. Daarbij waren aanwezig:

de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

de vader, bijgestaan door zijn advocaat.

Ook de Raad voor de Kinderbescherming was voor deze zitting uitgenodigd. De Raad voor de Kinderbescherming heeft zich vooraf afgemeld voor de zitting, omdat er geen zittingsvertegenwoordiger beschikbaar was.

De advocaten van de ouders hebben tijdens de zitting een pleitnotitie overgelegd.

2. Waar de procedure over gaat

De ouders hebben met elkaar een relatie gehad.

Zij zijn de ouders van [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2020 in [geboorteplaats] . [minderjarige] woont bij de moeder.

De ouders hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over haar nemen.

De ouders hebben in het door de ouders op 20 en 26 april 2024 getekende ouderschapsplan afgesproken dat [minderjarige] een keer per twee weken van woensdagmiddag tot zondagmiddag bij de vader is. Over de kosten voor [minderjarige] hebben de ouders in het ouderschapsplan het volgende afgesproken:

“11.1 Beide ouders storten elke maand €25,00 op de spaarrekening van [minderjarige] .

Te weten: Rabo RegenboogRekening [rekeningnummer] .

Moeder draagt zorg voor het betalen van de rekeningen. Vader draagt bij aan de essentiële kosten voor [minderjarige] volgens de volgende afspraken onder de noemer, bijdrage ouderschapsplan. Dit bedrag wordt overgemaakt rond de 25e van elke maand.

Kosten voor kinderopvang of VSO/BSO. Verdeling: moeder 2/3, vader 1/3.

Incidentele essentiële kosten voor school (zoals bijvoorbeeld: ouderbijdrage, schoolreisje, kamp etc). Verdeling: moeder 2/3, vader 1/3

NB. Tegen de tijd dat [minderjarige] naar de middelbare school gaat zullen we de verdeling van schoolkosten opnieuw bekijken.

Kosten voor zwemles. Verdeling moeder 50%, vader 50%

Kosten voor contributie sport (na overleg). Verdeling moeder 2/3, vader 1/3

Op het moment dat [minderjarige] zakgeld krijgt zullen ouders het bedrag afstemmen en wordt dit de ene week door moeder en de andere week door vader uitgekeerd.

Moeder is verantwoordelijk voor de kleding van [minderjarige] , dit wordt meegegeven wanneer [minderjarige] bij vader gaat logeren. Vader zorgt dat hij een aantal essentiële dingen in huis heeft (zoals bijvoorbeeld een ochtendjas, sloffen, laarzen, wat reserve kleding e.d.)”

De moeder wil dat de vader een bedrag van € 285,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder gaat betalen, vanaf 1 november 2025 en bij vooruitbetaling te voldoen.

De vader is het niet eens met het verzoek. Hij wil dat het verzoek wordt afgewezen. Daarnaast verzoekt hij bij wijze van zelfstandig verzoek om:

de huidige zorgregeling te wijzigen en te bepalen dat [minderjarige] voortaan om de week van maandagmiddag na school tot maandagochtend naar school bij de vader verblijft, waarbij de vader [minderjarige] haalt en brengt;

een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen zoals weergegeven in productie 20.

De moeder is het niet eens met het verzoek van de vader over de zorgregeling. Zij wil dat dit verzoek wordt afgewezen. Zij verzoekt bij wijze van zelfstandig verzoek om een vakantie- en feestdagenregeling vast te stellen zoals weergegeven in productie 19.

3. De beoordeling

De beslissing

De rechtbank zal per onderwerp de beslissing noemen en uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.

Zorgregeling 3.2 De rechtbank wijst het verzoek van de vader om de (reguliere) zorgregeling te wijzigen af. De rechtbank legt deze beslissing hierna uit.

De ouders hebben in het ouderschapsplan uit 2024 afgesproken dat [minderjarige] een keer per twee weken van woensdagmiddag tot zondagmiddag bij de vader is. Op grond van artikel 1:253a lid 4 in samenhang met artikel 1:377e van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank een beslissing over de zorgregeling nemen als sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat de verandering van de situatie in elk geval zodanig moet zijn dat het niet langer in het belang van het kind is om de bestaande zorgregeling in stand te laten.

De rechtbank is van oordeel dat er in dit geval geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden op grond waarvan de rechtbank een inhoudelijke beslissing kan nemen over de zorgregeling. Volgens de vader is de wijziging van omstandigheden er onder andere in gelegen dat het ouderschapsplan twee jaar geleden is opgesteld en [minderjarige] sindsdien twee jaar ouder is geworden. De rechtbank volgt de moeder in haar standpunt dat dit geen rechtens relevante wijziging van omstandigheden is, omdat dit zou betekenen dat elk jaar om een wijziging van de zorgregeling gevraagd kan worden. De rechtbank weegt daarin mee dat partijen in het ouderschapsplan hebben voorgesorteerd op de situatie dat [minderjarige] naar school gaat. Dat partijen een tijdelijke regeling voor ogen hadden, zoals door de vader is gesteld en die hij een ‘overbruggingsfase’ noemt, kan de rechtbank daarom niet volgen. Bovendien heeft de vader pas twee jaar na het opstellen van het ouderschapsplan om een wijziging verzocht en deed hij dit pas nadat de moeder om een wijziging van de kinderalimentatie had verzocht. Als het daadwerkelijk de bedoeling van de ouders was geweest om een tijdelijke regeling af te spreken, dan had het voor de hand gelegen dat de vader eerder om een wijziging van de zorgregeling had gevraagd. De vader heeft tijdens de zitting gezegd dat hij dat telefonisch heeft gedaan. Nog los van het feit dat de moeder dit heeft betwist, zijn de ouders niet tot een overeenstemming over de zorgregeling gekomen. Het had daarom voor de hand gelegen als de vader eerder een verzoek bij de rechtbank had ingediend. Volgens de vader heeft hij dit niet gedaan omdat er veel dingen in zijn leven speelden, maar dit ziet vooral op de periode kort na het opstellen van het ouderschapsplan. Het is nu al een periode rustig in het leven van de vader, waardoor volgens de rechtbank niet in valt te zien waarom hij niet eerder een verzoek tot wijziging van de zorgregeling heeft ingediend.

De vader heeft verder gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden omdat hij duurzaam samenwoont met zijn huidige partner, waar [minderjarige] het goed mee kan vinden. Naar het oordeel van de rechtbank maakt het enkele feit dat [minderjarige] een goede band heeft met de nieuwe partner van de vader niet dat er sprake is van een rechtens relevante wijziging voor de zorgregeling. Ook de bepaling in het ouderschapsplan die de mogelijkheid biedt om tot evaluatie en herziening van de gemaakte afspraak over de zorgregeling te komen maakt niet dat de rechtbank inhoudelijk moet beoordelen of de zorgregeling moet worden gewijzigd. Dit is een standaardbepaling die vaak in een ouderschapsplan wordt opgenomen. Ten slotte is niet gebleken dat de huidige regeling niet in het belang van [minderjarige] is. Sterker nog, beide ouders hebben tijdens de zitting aangegeven dat de huidige regeling goed verloopt en dat het goed gaat met [minderjarige] .

Nu de rechtbank van oordeel is dat er geen sprake is van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden, komt de rechtbank niet toe aan een inhoudelijke behandeling van de verzoeken. De vraag of de door de vader gevraagde zorgregeling in het belang van [minderjarige] is en de vader, gelet op zijn medische situatie, in staat is de door hem voorgestelde zorg te kunnen dragen, kan daarmee in het midden blijven.

Vakantieregeling

Overeenstemming zomervakantie, meivakantie, Koningsdag, Moederdag en Vaderdag, Hemelvaart, Pinksteren, Sinterklaas en de verjaardag van [minderjarige] 3.7 De ouders zijn voorafgaand aan en tijdens de zitting overeengekomen dat:

[minderjarige] in de zomervakantie maximaal twee aaneengesloten weken bij de ene ouder en maximaal twee aaneengesloten weken bij de andere ouder verblijft, waarbij de vader in de even jaren de eerste keuze en de moeder in de oneven jaren de eerste keuze heeft. In de overige weken geldt de reguliere regeling;

[minderjarige] in de meivakantie bij elk van de ouders een week verblijft, waarbij zij in de even jaren de eerste week bij de moeder verblijft en de tweede week bij de vader en zij in de oneven jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder verblijft;

[minderjarige] tijdens Koningsdag in de even jaren bij de moeder verblijft en in de oneven jaren bij de vader, vanaf de nacht ervoor;

[minderjarige] op Vaderdag altijd bij de vader verblijft en op Moederdag altijd bij de moeder;

[minderjarige] in de even jaren tijdens Hemelvaart bij de vader verblijft en in de oneven jaren bij de moeder;

[minderjarige] in de oneven jaren tijdens Pinksteren bij de vader verblijft en in de even jaren bij de moeder

tijdens Sinterklaas de reguliere zorgregeling doorloopt;

[minderjarige] op haar verjaardag verblijft bij de ouder bij wie zij volgens de vakantieregeling is.

Het is niet gebleken dat deze afspraken in strijd zijn met het belang van [minderjarige] . De overeenstemming wordt daarom vastgelegd in deze beschikking op de manier zoals hierna in de beslissing weergegeven.

Herfstvakantie en voorjaarsvakantie 3.9 Tussen partijen is de verdeling van de herfst- en voorjaarsvakantie in geschil. Als de reguliere zorgregeling doorloopt bestaat de mogelijkheid dat [minderjarige] in één jaar zowel de herfst- als de voorjaarsvakantie (grotendeels) bij één ouder verblijft, terwijl de ouders ook de mogelijkheid moeten hebben om tijdens deze vakanties met [minderjarige] op vakantie te gaan. De rechtbank bepaalt daarom dat [minderjarige] elk jaar bij beide ouders tijdens één van deze vakanties verblijft. In de even jaren verblijft [minderjarige] tijdens de herfstvakantie bij de vader en tijdens de voorjaarsvakantie bij de moeder en in de oneven jaren is dat andersom.

Kerst 3.10 De ouders zijn het erover eens dat de kerstvakantie bij helfte moet worden verdeeld. De rechtbank bepaalt daarom dat [minderjarige] in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader verblijft en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder verblijft en de tweede week bij de vader.

De ouders zijn het niet eens over de verdeling van de kerstdagen. Uit de stukken en tijdens de zitting is gebleken dat het voor beide ouders belangrijk is om kerstavond met [minderjarige] door te brengen. De moeder viert elk jaar kerstavond met haar familie en vindt het belangrijk dat [minderjarige] daar bij aanwezig kan zijn. Daar staat tegenover dat de vader ook graag kerstavond met [minderjarige] wil doorbrengen. Hoewel de rechtbank begrip heeft voor de wens van de moeder om haar traditie met [minderjarige] op kerstavond voort te zetten, is het een feit dat partijen uit elkaar zijn en de vader zijn eigen tradities met [minderjarige] wil creëren. De rechtbank vindt dat begrijpelijk. De rechtbank bepaalt daarom dat [minderjarige] in de even jaren kerstavond en eerste kerstdag bij de moeder verblijft en tweede kerstdag bij de vader, waarbij [minderjarige] op eerste kerstdag na het diner naar de vader gaat. In de oneven jaren is dit andersom. Op deze manier heeft ook de ouder bij wie [minderjarige] op tweede kerstdag verblijft een kerstontbijt en -diner met [minderjarige] .

Pasen en Goede Vrijdag 3.12 De ouders zijn het niet eens over de verdeling van de paasdagen. De moeder heeft tijdens de zitting voorgesteld dat [minderjarige] elk jaar op eerste paasdag bij de vader verblijft en tweede paasdag bij de moeder, omdat [minderjarige] op maandag altijd bij de moeder verblijft. Omdat de vader heeft gezegd dat hij zo min mogelijk wisselingen tussen de ouders wil voor [minderjarige] , bepaalt de rechtbank dat [minderjarige] elk jaar op eerste paasdag bij de vader en tweede paasdag bij de moeder is. Op Goede Vrijdag loopt de reguliere regeling door. Kinderalimentatie

De rechtbank beslist dat de vader een bedrag van € 197,- per maand aan kinderalimentatie aan de moeder moet betalen, vanaf 1 november 2025. Dit betekent dat zij een deel van het verzoek van de moeder afwijst.

De rechtbank legt hierna uit waarom zij deze beslissing neemt. Daarbij gaat zij in op de standpunten van de ouders, voor zover die voor de beoordeling van belang zijn. De berekeningen die de rechtbank heeft gemaakt zijn als bijlagen aan deze beschikking toegevoegd. Bij de berekeningen rondt de rechtbank af op hele euro’s.

De reden voor de wijziging

De ouders hebben in het ouderschapsplan een afspraak gemaakt over de verdeling van de kosten van [minderjarige] . Op grond van artikel 1:253a lid 1 BW kunnen ouders een geschil over deze afspraak aan de rechtbank voorleggen. De rechtbank moet daarbij eerst beoordelen of er reden is om van de gemaakte afspraak af te wijken. Volgens de vader is dit niet het geval, omdat partijen bij het maken van de afspraak over de kosten van [minderjarige] bewust van de wettelijke maatstaven voor het vaststellen van kinderalimentatie zijn afgeweken. De rechtbank is het daar niet mee eens, omdat de afspraak over de kosten van [minderjarige] ten nadele van [minderjarige] is gemaakt. In het ouderschapsplan hebben de ouders namelijk afgesproken dat de moeder meer moet bijdragen aan de kosten van [minderjarige] , terwijl de vader op het moment dat deze afspraak werd gemaakt een hoger inkomen had dan de moeder. Ouders mogen met betrekking tot de kinderalimentatie geen afspraak maken die ten nadele is van een kind. De rechtbank moet, volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, daarom zelf berekenen welk bedrag aan kinderalimentatie de vader aan de moeder moet gaan betalen. Omdat er niet eerder een bedrag aan kinderalimentatie is vastgesteld, is er geen sprake van een wijziging van de kinderalimentatie (zoals door de moeder expliciet is verzocht), maar van een vaststelling van de kinderalimentatie. Partijen hebben op de zitting aangegeven dat zij het erover eens zijn dat de rechtbank het verzoek van de vrouw ook als een vaststelling van de kinderalimentatie moet opvatten.

De ingangsdatum

Voordat de rechtbank kan gaan rekenen, moet zij weten welke gegevens en belastingtarieven zij moet gebruiken bij die berekening. Daarom moet de rechtbank eerst beslissen vanaf welk moment de kinderalimentatie gaat gelden.

De rechtbank hanteert als ingangsdatum 1 november 2025. De vrouw heeft op 12 oktober 2025 de man verzocht om een bijdrage te leveren in de kosten van [minderjarige] . In die mail verzoekt de vrouw de man concreet om een bedrag van € 197,- te betalen op basis van een alimentatieberekening. Nu de rechtbank exact op dit bedrag uitkomt, vindt de rechtbank het ook redelijk dat de vader vanaf 1 november 2025 dit bedrag aan de moeder voldoet. Hij kon hier immers al vanaf die datum rekening mee houden en dit bedrag maandelijks reserveren. De moeder heeft tijdens de zitting laten weten dat de bedragen die de vader vanaf dat moment aan de moeder heeft betaald op basis van de afspraak uit het ouderschapsplan, verrekend kunnen worden. De rechtbank gaat ervan uit dat de ouders dit onderling zullen regelen.

De behoefte van [minderjarige]

De ouders zijn het erover eens dat de behoefte van [minderjarige] in 2026 € 921,- bedraagt.

De draagkracht van de ouders

Bij de berekening van de kinderalimentatie moet vervolgens worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar draagkracht in de behoefte van hun kind voorzien.

De draagkracht van de vader

De ouders zijn het erover eens dat de draagkracht van de vader € 924,- bedraagt.

De draagkracht van de moeder

Tussen de ouders is niet in geschil dat de moeder 24 uur per week als lerares werkt en dat haar bruto jaarsalaris € 43.905,- bedraagt. De vader heeft gesteld dat de moeder gelet op de leeftijd van [minderjarige] en het grote lerarentekort in staat moet zijn om 32 uur per week te werken om in het levensonderhoud van [minderjarige] te kunnen voorzien. Volgens de moeder is dit niet mogelijk, omdat [minderjarige] dan één dag extra per week naar de buitenschoolse opvang moet gaan. In het licht van wat de vader heeft aangevoerd vindt de rechtbank dat de moeder onvoldoende heeft betwist waarom niet van haar verwacht kan worden dat zij 32 uur per week gaat werken. De omstandigheid dat [minderjarige] een dag extra naar de buitenschoolse opvang moet, is op zichzelf onvoldoende om aan te nemen dat de moeder haar werkzaamheden niet kan uitbreiden van 24 uur naar 32 uur. De rechtbank gaat daarom uit van een verdiencapaciteit van de moeder gebaseerd op een 32-urige werkweek. De moeder heeft tijdens de zitting laten weten in dat geval in te stemmen met de door de vader berekende draagkracht van de moeder van € 1.071,- per maand.

De verdeling van de kosten

Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kind, dan moet de rechtbank berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.

De ouders hebben samen een draagkracht van € 1.995,- per maand. Dit is genoeg om alle kosten van [minderjarige] te betalen, want die zijn € 921,- per maand. Dit betekent dat de vader een deel van (921 / 1.995 x 924 =) € 427,- per maand moet dragen en de moeder een deel van (921 / 1.995 x 1.071 =) € 494,- per maand.

De zorgkorting

De vader maakt op de dagen dat [minderjarige] bij hem verblijft kosten voor onder andere eten en drinken en energielasten: de verblijfskosten. Daarmee voldoet de vader– deels – aan zijn onderhoudsverplichting. De rechtbank kan de bijdrage van de vader verlagen met een percentage van de behoefte van het kind of een deel daarvan: de ‘zorgkorting’.

[minderjarige] verblijft vier dagen per twee weken bij de vader. Daarbij past een zorgkorting van 25% van de behoefte, dus € 230,- per maand. Dat betekent dat de vader een bedrag van (427 – 230 =) € 197,- per maand moet betalen.

Alimentatie vooruitbetalen

De rechtbank beslist, op verzoek, dat de vader de kinderalimentatie steeds vóór de eerste dag van de maand moet betalen. Het gaat namelijk om een bijdrage in de kosten die in die maand gemaakt zullen worden en dan zou het te laat zijn als de alimentatie pas later in die maand wordt betaald.

Uitvoerbaar bij voorraad

De rechtbank verklaart de beslissing ‘uitvoerbaar bij voorraad’, zoals is verzocht.

Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van de ouders hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

De proceskosten

De rechtbank beslist dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat zij elkaars ex-partners zijn.

Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4. De beslissing

De rechtbank:

stelt de volgende verdeling van de vakanties en feestdagen vast:

[minderjarige] verblijft in de zomervakantie maximaal twee aaneengesloten weken bij de ene ouder en maximaal twee aaneengesloten weken bij de andere ouder, waarbij de vader in de even jaren de eerste keuze en de moeder in de oneven jaren de eerste keuze heeft. In de overige weken geldt de reguliere regeling;

[minderjarige] verblijft in de meivakantie bij elk van de ouders een week, waarbij zij in de even jaren de eerste week bij de moeder verblijft en de tweede week bij de vader en zij in de oneven jaren de eerste week bij de vader en de tweede week bij de moeder verblijft;

[minderjarige] verblijft tijdens Koningsdag in de even jaren bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader, vanaf de nacht ervoor;

[minderjarige] verblijft op Vaderdag altijd bij de vader en op Moederdag altijd bij de moeder;

[minderjarige] verblijft in de even jaren tijdens Hemelvaart bij de vader en in de oneven jaren bij de moeder;

[minderjarige] verblijft in de oneven jaren tijdens Pinksteren bij de vader en in de even jaren bij de moeder;

tijdens Sinterklaas loopt de reguliere zorgregeling loopt;

[minderjarige] verblijft op haar verjaardag bij de ouder bij wie zij volgens de vakantieregeling is;

In de even jaren verblijft [minderjarige] tijdens de herfstvakantie bij de vader en tijdens de voorjaarsvakantie bij de moeder en in de oneven jaren is dat andersom;

[minderjarige] verblijft in de even jaren de eerste week van de kerstvakantie bij de vader en de tweede week bij de moeder en in de oneven jaren verblijft [minderjarige] de eerste week van de kerstvakantie bij de moeder en de tweede week bij de vader;

[minderjarige] verblijft in de even jaren kerstavond en eerste kerstdag bij de moeder en tweede kerstdag bij de vader, waarbij [minderjarige] op eerste kerstdag na het diner naar de vader gaat. In de oneven jaren is dit andersom;

[minderjarige] verblijft elk jaar op eerste paasdag bij de vader en tweede paasdag bij de moeder. Op Goede Vrijdag loopt de reguliere regeling door;

beslist dat de vader vanaf 1 november 2025 een bedrag van € 197,- per maand moet betalen aan de moeder, als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] ;

beslist dat de vader vanaf vandaag deze alimentatie steeds vóór de eerste van de maand moet betalen;

verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

beslist dat de ouders allebei hun eigen proceskosten moeten betalen;

wijst de verzoeken van de ouders voor het overige af.

Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. N. Chedra, rechter, in samenwerking met mr. R. Jelicic, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 29 september 2026.

Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N. Chedra

Griffier

  • mr. R. Jelicic

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand