RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/615516 / FO RK 26-1064
Tussenbeschikking van 24 september 2026
in de zaak van:
[moeder] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder.
De rechtbank merkt als belanghebbende aan:
de gecertificeerde instelling LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd in Utrecht,
hierna te noemen: de GI.
1. De procedure
De rechtbank heeft de volgende stukken ontvangen:
het verzoek van de moeder (met bijlagen), binnengekomen op 18 juli 2026;
de berichten van de moeder van 3, 6, 7, 10, 17, 18 en 24 augustus 2026;
het bericht van de GI van 19 augustus 2026 met bijlage.
Het verzoek is besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van
2 september 2026. De zitting is gebruikt om te bespreken of de moeder haar verzoeken kan indienen zonder een advocaat en om te kijken of de communicatie tussen de moeder en de GI tot stand gebracht kon worden. Dat laatste is niet gelukt. De zaak is verder niet inhoudelijk behandeld. Bij de zitting waren aanwezig: de moeder en [A] namens de GI.
Omdat de zaak nog niet inhoudelijk behandeld is, is [minderjarige 2] nog niet uitgenodigd voor een gesprek met de rechter.
De rechtbank merkt verder op dat zij ná de mondelinge behandeling nog diverse
e-mailberichten van de moeder heeft ontvangen op 14 september 2026. Ná de mondelinge behandeling ontvangen stukken blijven buiten beschouwing.
2. Waar de procedure over gaat
De minderjarige kinderen van de moeder zijn:
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum] 2016 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 1] );
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum] 2012 in [geboorteplaats] (hierna: [minderjarige 2] ).
De moeder is bewust alleenstaande ouder. De kinderen hebben een donorvader.
De kinderen wonen sinds 2017 bij [pleegvader] en [pleegmoeder] (hierna: de pleegouders).
Er is geen omgangsregeling vastgesteld tussen de moeder en [minderjarige 2] . In de beschikking van 29 september 2021 is het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen met haar kinderen afgewezen.
Het gezag van de moeder over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] is bij beschikking van deze rechtbank van 23 oktober 2018 beëindigd. De GI is toen benoemd als voogd over de kinderen.
Bij beschikking van deze rechtbank van 26 januari 2022 is de GI ontslagen van de voogdij over [minderjarige 1] en zijn de pleegouders benoemd tot voogd en voogdes over hem.
3. De beoordeling
De moeder heeft de rechtbank diverse e-mails gestuurd met daarin een aantal verzoeken over haar kinderen [minderjarige 2] en [minderjarige 1] . Het gaat om contactherstel, vervanging van de voogd, dossierinzage en herstel-ouder-kindrelatie op grond van artikel 1:377a BW.
Vervanging huidige voogd
Een wettelijke grondslag voor het verzoek van de moeder tot de vervanging van de huidige voogd ontbreekt. De moeder kan wel aan de GI vragen om een andere jeugdzorgwerker te belasten met de uitvoering van de voogdij, maar dat is niet iets wat de rechtbank kan beslissen.
Dossierinzage
Verder vraagt de moeder om dossierinzage. Dit kan zij vragen bij de GI of de Raad voor de Kinderbescherming. Daar heeft de rechtbank geen rol in.
Vaststellen omgangsregeling
Daarnaast stelt de moeder dat zij een zonder advocaat kan verzoeken om een omgangsregeling vast te stellen met haar kinderen. In de wet is op dit moment echter bepaald dat zij voor het indienen van een dergelijk verzoek wel degelijk een advocaat nodig heeft. Er is een wetsvoorstel aanhangig, te weten het ‘Wetsvoorstel versterking rechtsbescherming in de jeugdbescherming’. Dit wetsvoorstel wil het mogelijk maken dat in het geval van uitoefening van de voogdij door een gecertificeerde instelling de rechtbank op verzoek van een ouder een omgangsregeling kan vaststellen. Dit verzoek kan dan worden ingediend zonder een advocaat. Uit de toelichting op het wetsvoorstel volgt dat op deze manier de omgang tussen kinderen en hun ouders beter wordt gewaarborgd tijdens de voogdij en dat recht wordt gedaan aan het gegeven dat deze omgang van overheidswege ernstig is beperkt.
De rechtbank ziet echter geen aanleiding om de moeder op dit moment ontvankelijk te verklaren in haar verzoek. In de eerste plaats omdat het wetsvoorstel nog niet goedgekeurd is. Het wetsvoorstel ligt op dit moment voor advies bij de Raad van State. Daar komt bij dat de voogdijsituatie van de kinderen in dit geval verschillend is. De voogdij over [minderjarige 1] wordt uitgeoefend door de pleegouders, terwijl de voogdij over [minderjarige 2] door de GI wordt uitgeoefend. Als het wetsvoorstel wordt goedgekeurd, zou de moeder alleen een verzoek voor omgang met [minderjarige 2] kunnen indienen zonder advocaat. Voor de situatie van pleegoudervoogdij wordt deze mogelijkheid niet geboden. Dit zou leiden tot een ongelijke situatie, terwijl de moeder juist voor beide kinderen een omgangsregeling wil.
Vervolg van de procedure
Uit de wet volgt dat als een verzoekschrift ten onrechte niet door een advocaat is ingediend, de rechtbank de verzoeker (in dit geval de moeder) in de gelegenheid moet stellen om dit verzuim binnen een bepaalde termijn te herstellen. De rechtbank zal de moeder hiervoor een termijn van drie maanden geven, tot 30 december 2026. Als de moeder geen gebruik maakt van deze gelegenheid, wordt zij niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek. Het is niet de bedoeling dat de moeder in de komende drie maanden e-mails blijft sturen over de omgang. Daar zal de rechtbank geen kennis van nemen. De moeder kan de rechtbank wel berichten als zij een advocaat heeft gevonden. Haar advocaat kan zich vervolgens namens de moeder stellen en een petitum formuleren.
4. De beslissing
De rechtbank:
houdt de beslissing op het verzoek van de moeder om een omgangsregeling vast te stellen aan en stelt de moeder in de gelegenheid om zich binnen drie maanden, dus vóór 30 december 2026, te laten bijstaan door een advocaat.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. E.A.A. van Kalveen, (kinder)rechter in samenwerking met mr. S. Clement, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 24 september 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.