RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/614470 / KG ZA 26-428
Vonnis in kort geding van 12 oktober 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaten: mrs. J.W.A. Meesters, L.E.J. Korsten en M. van ’t Hof,
tegen
[gedaagde] B.V.,
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
advocaten: mrs. P.H.L.M. Kuypers en C.W.T. Vermeij,
in welk kort geding zich heeft gevoegd aan de kant van [gedaagde] : [belanghebbende] B.V.,
te [plaats] ,
hierna te noemen: [belanghebbende] ,
advocaten: mrs. G.J. Huith en J.S. Faber.
1. De procedure
Processtukken voor de mondelinge behandeling
Voor de mondelinge behandeling zijn de volgende processtukken ingediend:
- de dagvaarding met een incidentele vordering tot inzage ex artikel 195 Rv
- de producties 1 tot en met 25 van [eiseres]
- de conclusie van antwoord in het incident en de hoofdzaak van [gedaagde]
- de producties 1 tot en met 14 van [gedaagde]
- de akte houdende (voorwaardelijke) incidentele vordering tot inzage ex. artikel 195 Rv van [gedaagde]
- de incidentele conclusie tot interventie, tevens houdende voorwaardelijke incidentele vordering tot inzage ex artikel 195 Rv van [belanghebbende] ,
- de producties 1 en 2 van [belanghebbende] ,
- de akte houdende vermindering van eis waarbij [eiseres] haar incidentele vordering intrekt.
Mondelinge behandeling 1.2 Op 21 september 2026 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
Mondeling vonnis over verzoek van [belanghebbende] om te interveniëren 1.3 Eerst is het incident van [belanghebbende] om zich te mogen voegen aan de kant van [gedaagde] besproken. [belanghebbende] heeft toen nadrukkelijk te kennen gegeven dat zij niet wil tussenkomen, maar dat zij zich wil voegen aan de kant van [gedaagde] . Nadat [eiseres] en [gedaagde] te kennen hadden gegeven daartegen geen bezwaar te hebben, heeft de voorzieningenrechter, in de vorm van een mondeling vonnis, [belanghebbende] toegestaan om zich te voegen aan de kant van [gedaagde] . Een beslissing over de proceskosten in het incident is nog niet genomen, dat wordt daarom later in dit vonnis nog gedaan.
Afzien van instellen incident tot verstrekken van gegevens door [gedaagde] en [belanghebbende]
[gedaagde] en [belanghebbende] hebben verklaard dat zij afzien van het instellen van de door hen aangekondigde incidenten tot het verstrekken van allerlei gegevens.
Bespreking zaak
Partijen hebben aan de hand van pleitnota’s/spreekaantekeningen hun standpunten verder toegelicht en vragen van de voorzieningenrechter beantwoord.
Vonnis
Aan partijen is aan het einde van de mondelinge behandeling meegedeeld dat op uiterlijk 12 oktober 2026 vonnis wordt gewezen.
2. De kern van het kort geding
Het gaat in dit kort geding om de wijziging van een speciale-sectoropdracht tijdens de looptijd ervan. Kernvraag is of de gewijzigde opdracht moet worden aanbesteed of dat met succes een beroep wordt gedaan op een herzieningsclausule in de aanbestedingsstukken, althans dat sprake is van een niet wezenlijke wijziging. Als de gewijzigde opdracht moet worden aanbesteed dan is nog aan de orde of dit nog kan. Het standpunt wordt ingenomen dat de gewijzigde opdracht al onderhands is gegund en dat de in verband daarmee gesloten overeenkomst wegens het verstrijken van de vervaltermijn zoals bedoeld in artikel 4.15 lid 2 Aanbestedingswet 2012 (Aw 2012) niet meer kan worden vernietigd.
3. De achtergrond van het kort geding
[gedaagde] is een speciale-sectorbedrijf. Zij is verantwoordelijk voor het spoorwegnet in Nederland.
Eén van de projecten van [gedaagde] is het project “Programma Hoofdfrequent Spoor Den Bosch – Vught” (PHS). Doel van dit project is om een extra spoor toe te voegen en een zogenoemde “verdiepte ligging” uit te voeren aan het spoor dat door Vught loopt.
Daarvoor wordt:
eerst een vervangend spoor met tijdelijk station aangelegd,
daarna wordt een bak gegraven waar het nieuwe spoor in komt te liggen,
als dat is gebeurd, wordt het nieuwe spoor in de bak gelegd (de zogenoemde verdiepte ligging) en een vierde spoor aangelegd ten noorden van de verdiepte ligging,
tot slot wordt het vervangend spoor opgeruimd en worden de laatste werkzaamheden verricht aan de omgeving.
Om dit mogelijk te maken is het PHS project opgedeeld in vier uitvoeringscontracten:
contract C1: de aanleg van een tijdelijk spoor en station,
contract C2: de civiele werkzaamheden om de onderbouw voor de eindsituatie te realiseren,
contract C3: de werkzaamheden in de openbare ruimte rondom het spoor, en
contract C8: de aanleg van het nieuwe spoor in de verdiepte ligging.
Contract C1 is aanbesteed en uitgevoerd. Contract C3 wordt door Gemeente Vught gedaan.
Voor contract C2 is een Europese aanbestedingsprocedure in de vorm van een onderhandelingsprocedure met voorafgaande oproep tot mededinging/ mededingings-procedure met onderhandeling georganiseerd.
Drie ondernemingen hebben zich als geïnteresseerde gemeld:
[belanghebbende] met [bedrijf 1] als onderaannemer,
de combinatie [combinatie] ( [bedrijf 2] B.V., [bedrijf 3] B.V. en [bedrijf 4] S.A..) met [eiseres] als onderaannemer, en
een andere combinatie.
De combinatie [combinatie] heeft zich na de startbijeenkomst van 26 juni 2023 teruggetrokken.
Contract C2 is aan [belanghebbende] gegund. [gedaagde] heeft op 11 juni 2024 de volgende overeenkomsten met [belanghebbende] gesloten:
1. de Basisovereenkomst (ofwel de aannemingsovereenkomst), en
2. de Alliantieovereenkomst waarbij een samenwerkingsverband (een alliantie) wordt aangegaan tussen [gedaagde] en [belanghebbende].
[gedaagde] is gedurende de looptijd van deze overeenkomsten in overleg getreden met [belanghebbende] om Contract C8 (met een herijkte waarde van 44 miljoen euro) toe te voegen aan de Basisovereenkomst en de Alliantieovereenkomst.
[eiseres] is hiervan op de hoogte geraakt en heeft in een e-mail van 3 juni 2026[gedaagde] om verduidelijking verzocht.
In de periode van 4 juni 2026 tot en met 7 juli 2026 hebben (de advocaten van) [eiseres] en (de advocaten van) [gedaagde] hierover gecorrespondeerd. Ook heeft in die periode een bespreking plaatsgevonden.
In het kader hiervan zijn twee vragen aan bod gekomen:
Is contract C8 aan [belanghebbende] gegund?
Op welke datum is het contract C8 gegund?
De eerste vraag is door [eiseres] gesteld, omdat op grond van de toepasselijke Erkenningsregeling alleen erkende spooraannemers contract C8 mogen uitvoeren en [belanghebbende] geen erkende spooraannemer is.
Wat betreft deze vraag heeft [gedaagde] in een e-mail van 10 juni 2026 het volgende aan [eiseres] geschreven: In de vraagstelling gaat [eiseres] ervan uit dat het realisatiecontract “C8 Spoorse eindsituatie” is opgedragen aan [bedrijf 5] B.V. Dit uitgangspunt is onjuist. De betreffende werkzaamheden zijn, op basis van een herzieningsclausule, als onderdeel van de overeenkomst PHS Den Bosch – Vught opgedragen aan de alliantiepartners [belanghebbende] B.V. Deze herzieningsclausule is onderdeel van de overeenkomst en is tijdens de aanbesteding transparant met alle marktpartijen gedeeld. Het feit dat niet aan [bedrijf 5] B.V. maar aan [belanghebbende] B.V. is gegund, betekent een wezenlijk verschil in uitgangspunten, hetgeen ook van invloed is op de beantwoording van de overige door [eiseres] gestelde vragen. [gedaagde] heeft bij aanvang van de contractering van C2 de scope van C8 niet reeds toegevoegd aan het contract omdat [gedaagde] het disproportioneel achtte om voor een klein deel van de scope (<10%) de erkenningsregeling Branche Spooraannemers als geschiktheidseis te vragen. Daarmee zou een groot deel van de markt buitenspel worden gezet. Uiteraard is de erkenning wel een contracteis, waarmee de juiste uitvoering geborgd is. [gedaagde] is bereid om tijdens het bestuurlijk overleg een nadere toelichting te geven op de gemaakte afwegingen met betrekking tot het verstrekken van deze opdracht.
Over de tweede vraag is het volgende geschreven:
In een e-mail van 18 juni 2026 schrijft [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] : Ik heb navraag gedaan bij het projectteam inzake de datum waarop opdracht C8 is toegevoegd aan het contract voor C2. De stand van zaken is dat [gedaagde] en de alliantie overeenstemming hebben over de voorwaarden van de opdracht. De opdracht is echter nog niet definitief verstrekt.
In een e-mail van 19 juni 2026 schrijft de advocaat van [eiseres] aan de inmiddels ingeschakelde advocaat van [gedaagde] : Het antwoord van [gedaagde] gaf aanleiding om – ter voorkoming van misverstanden – nog een verduidelijkingsvraag te stellen. (…) [eiseres] begrijpt de e-mail van [gedaagde] zo dat [gedaagde] onder de Basisovereenkomst conform UAV-GC nog geen opdracht voor een Wijziging heeft verstrekt aan [belanghebbende] . Gelet op het feit dat sprake is van een alliantiestructuur en [gedaagde] in de bespreking tussen partijen van vorige week donderdag de indruk leek te wekken dat zij de opdracht wel reeds had verstrekt en dat een en ander inmiddels "bij de alliantie" lag, wil [eiseres] op dit punt ieder misverstand voorkomen. Zou jij, vooruitlopend op jouw nadere inhoudelijke reactie, deze bevestiging alvast kunnen geven?
In een e-mail van 22 juni 2026 antwoordt de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] : Namens [gedaagde] laat ik weten dat [gedaagde] de opdracht tot Wijziging voor Project C8 (nog) niet aan [belanghebbende] B.V. heeft verstrekt.
In een e-mail van 24 juni 2026 antwoordt de advocaat van [eiseres] : Dank voor deze bevestiging. Dat punt is nu finaal opgehelderd. Het spreekt voor zich dat waar [eiseres] in haar brief aan [gedaagde] heeft verwezen naar het terugdraaien van de reeds verstrekte opdracht (op basis van de informatie waarover zij toen beschikte uit het gesprek met [gedaagde] ), daarvoor dan gelezen moet worden dat [gedaagde] definitief afziet van het opdragen van deze VTW aan [belanghebbende] en dat zij in plaats daarvan de opdracht voor C8 in concurrentie in de markt zet.
In een e-mail van 26 juni 2026 schrijft de advocaat van [gedaagde] aan de advocaat van [eiseres] : (…) [gedaagde] wenst echter ook jegens uw cliënte zorgvuldig te handelen. Uw cliënte voert in wezen bezwaren aan tegen een eventuele opdrachtverlening aan [belanghebbende] . Gelet op het bovenstaande zegt [gedaagde] uw cliënte toe om eerst tot opdrachtverlening van contract C8 aan [belanghebbende] over te gaan, nadat een vonnis in kort geding is gewezen dat [gedaagde] toelaat tot opdrachtverlening over te gaan, mits de inleidende dagvaarding in kort geding binnen 14 dagen na heden aan cliënte is betekend.
In een brief van 2 juli 2026 vraagt de advocaat van [eiseres] onder andere de verhinderdata voor een kort geding op bij de advocaat van [gedaagde] . De advocaat van [gedaagde] reageert daarop in een e-mail van 8 juli 2026. In deze e-mail schrijft hij: Bijgaand doen wij u de verhinderingen zijdens [gedaagde] over de periode 15 juli tot en met 31 september 2026 toekomen: (…) Zoals reeds toegezegd zal [gedaagde] niet eerder overgaan tot opdrachtverlening van contract C8 aan [belanghebbende] dan nadat een vonnis in kort geding is gewezen dat [gedaagde] toelaat tot opdrachtverlening over te gaan, mits de inleidende dagvaarding in kort geding binnen 14 dagen na 26 juni aan cliënte is betekend.
[eiseres] heeft vervolgens dit kort geding aanhangig gemaakt.
[eiseres] vordert in dit kort geding, kort gezegd,:
een verbod om contract C8 aan [belanghebbende] op te dragen, en
een gebod om contract C8 binnen de kaders van de Aw 2012 aan te besteden, voor zover [gedaagde] dat contract nog wil gunnen.
4. De beoordeling
Oordeel 4.1 De vorderingen worden toegewezen. Hierna wordt uitgelegd waarom.
Wijziging van de aanbestede overeenkomst
Terecht staat niet ter discussie dat de uitbreiding van de aanbestede Basisovereenkomst (ook wel genoemd: de hoofdovereenkomst) met Contract C8 een wijziging van die overeenkomst oplevert. De werkzaamheden die onder de aanbestede Basisovereenkomst moeten worden verricht worden dan immers (fors) uitgebreid met een ander type werkzaamheden, namelijk werkzaamheden die zien op het aanleggen van een spoor, waaraan bovendien een prijskaartje hangt.
Toetsingskader voor wijziging van speciale-sectoropdrachten
In artikel 3.80d Aw 2012 wordt het kader gegeven voor de wijziging van speciale-sectoropdrachten. Er wordt daarvoor (op een enkele uitzondering na, die in deze zaak niet aan de orde is) aangehaakt bij het kader dat geldt voor wijziging van overheidsopdrachten zoals weergeven in hoofdstuk 2.5 (de artikelen 2.163a tot en met 2.163g) Aw 2012.
Uitgangspunt van die regeling is dat een wijziging van een overheidsopdracht (en in dit geval dus een speciale-sectoropdracht) tijdens de looptijd ervan moet worden aanbesteed.
Uitsluitend in de in de artikelen 2.163b tot en met 2.163g Aw 2012 bedoelde gevallen kan hiervan worden afgezien. Daarbij geldt dat het laatste artikel (2.163g Aw 2012) een vangnetbepaling is, waaraan pas wordt toegekomen als geen sprake is van één of meer van de uitzonderingsgevallen zoals genoemd in de artikelen 2.163b tot en met 2.163f Aw 2012.
Beroep op artikel 2.163c Aw (herzieningsclausule) en de vangnetbepaling van artikel 2.163g Aw 2012 (niet wezenlijke wijziging)
In dit kort geding wordt alleen een beroep gedaan op:
de uitzondering zoals genoemd in artikel 2.163c Aw 2012 (herzieningsclausule), en
de vangnetbepaling van artikel 2.163g Aw 2012 (niet wezenlijke wijziging).
Aangenomen wordt daarom dat geen sprake is van de uitzonderingsgevallen zoals genoemd in artikel 2.163b, 2.163d tot en met 2.163f Aw 2012.
Voordat wordt ingegaan op de vraag of sprake is van één van deze twee uitzonderingen, wordt het rechtsverwerkingsverweer van [gedaagde] en [belanghebbende] besproken.
Geen rechtsverwerking
Volgens [gedaagde] en [belanghebbende] zou [eiseres] haar rechten hebben verwerkt om zich erop te beroepen dat de in artikel 24 van de aanbestede Basisovereenkomst genoemde herzieningsclausule niet deugt. [gedaagde] en [belanghebbende] voeren daarvoor aan dat
[eiseres] in eerste instantie mee heeft gedaan aan de aanbestedingsprocedure en daardoor dus bekend was met de in de Basisovereenkomst opgenomen herzieningsclausule en de mogelijkheid dat de aanbestede Basisovereenkomst zou worden uitgebreid met Contract C8. [eiseres] had gelet op de Grosmann jurisprudentie daarom volgens hen veel eerder aan de bel moeten trekken.
Dit verweer gaat niet op.
[eiseres] betwist dat zij in eerste instantie heeft deelgenomen aan de aanbestedingsprocedure. Zij stelt daarin slechts als onderaannemer te zijn opgevoerd en niet als geïnteresseerde partij. Van vereenzelviging kan volgens haar geen sprake zijn.
Ook al zou [eiseres] kennis hebben genomen van de aanbestedingsstukken dan nog geldt dat geen sprake is van rechtsverwerking. Er kan geen beroep op rechtsverwerking worden gedaan in het geval dat sprake is van een fundamenteel gebrek (zie rechtsoverwegingen 3.28 en 3.29 van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 15 februari 2022). Er is in dit geval, zoals hierna wordt toegelicht, sprake van een fundamenteel gebrek. Het beroep op de uitzonderingsgevallen gaat niet op. De gewijzigde opdracht moet daarom worden aanbesteed. Het niet voldoen aan de aanbestedingsverplichting is een fundamenteel gebrek. Een aanwijzing daarvoor is dat een derde vernietiging kan vorderen van een in strijd met de aanbestedingsverplichting gesloten overeenkomst (zie artikel 4.15 lid 1 onder a Aw 2012).
Beroep op herzieningsclausule gaat niet op 4.9 Een speciale-sectoropdracht kan zonder nieuwe aanbestedingsprocedure zoals bedoeld in deel 3 van de Aw 2012 worden gewijzigd indien de wijziging, ongeacht de geldelijke waarde ervan, in de oorspronkelijke aanbestedingsstukken is opgenomen in duidelijke, nauwkeurige en ondubbelzinnige herzieningsclausules, waaronder prijsherzieningsclausules of opties (artikel 3.80d in relatie met 2.163c lid 1 Aw 2012).
De herzieningsclausule moet op grond van het tweede lid van artikel 2.163c Aw 2012 wel aan de volgende cumulatieve voorwaarden voldoen:
de omvang en de aard van mogelijke wijzigingen of opties moeten worden omschreven,
de voorwaarden waaronder de wijzigingen of opties kunnen worden gebruikt moeten worden omschreven, en
de wijzigingen of opties mogen niet de algemene aard van de opdracht kunnen veranderen.
Als aan één van deze drie voorwaarden niet wordt voldaan, dan doet de uitzondering van artikel 2.163c Aw 2012 zich niet voor.
[gedaagde] en [belanghebbende] doen een beroep op de clausule zoals vermeld in artikel 24 van de Basisovereenkomst. Deze clausule luidt als volgt:Opdrachtgever heeft het recht om het Werk uit te breiden met de volgende werkzaamheden: - Ruimtelijke inpassing openbare ruimte (C3): geraamde omvang ca € 5 mln - Realiseren spoorse eindsituatie (C8): geraamde omvang ca € 38 mln
[eiseres] stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een deugdelijke herzieningsclausule, omdat niet aan de in 4.10. genoemde cumulatieve voorwaarden is voldaan.
[eiseres] wordt daarin gevolgd.
Voorwaarde 1: omschrijving van omvang en aard van wijziging of optie
De herzieningsclausule is zeer algemeen geformuleerd. In de clausule wordt slechts genoemd dat het gaat om “realiseren spoorse eindsituatie (C8)”. Het is daardoor zeer de vraag of een behoorlijk geïnformeerde geïnteresseerde heeft begrepen wat de omvang is van de wijziging of, in dit geval zoals [gedaagde] stelt, de optie. Weliswaar wordt in de aanbestedingsstukken contract C8 genoemd en zijn er bij die stukken bouwtekeningen gevoegd, maar dit is onvoldoende concreet.
Maar ook als zou kunnen worden aangenomen dat aan voorwaarde 1 is voldaan, dan kan dit [gedaagde] en [belanghebbende] niet baten, omdat aan de andere twee voorwaarden niet is voldaan.
Voorwaarde 2: omschrijving van de voorwaarden waaronder de wijziging of optie kan worden gebruikt
Er wordt niet voldaan aan voorwaarde 2. In de clausule worden niet de voorwaarden genoemd waaronder de wijziging/optie kan worden gebruikt. Het is onduidelijk hoe en wanneer de wijziging/optie kan worden doorgevoerd.
Voorwaarde 3: de wijzigingen of opties mogen niet de algemene aard van de opdracht kunnen veranderen
Bovendien wordt ook niet aan voorwaarde 3 voldaan. Door de uitoefening van de wijziging/optie om contract C8 aan de aanbestede Basisovereenkomst (inzake contract C2) toe te voegen wordt de algemene aard van de opdracht gewijzigd. Deze wijziging is zodanig ingrijpend dat zij de opdracht in haar geheel transformeert. De opdracht wordt uitgebreid met een andere type werkzaamheden, namelijk “spoorse” werkzaamheden (C8), terwijl de aanbestede opdracht ziet op “civiele” werkzaamheden. Voor deze “spoorse” werkzaamheden geldt bovendien een andere kring van gegadigden dan voor de aanbestede “civiele” werkzaamheden. Dat komt omdat de “spoorse” werkzaamheden op grond van de toepasselijke Erkenningsregeling alleen mogen worden uitgevoerd door erkende spooraannemers, waarvan er zeven zijn. De civiele werkzaamheden mogen ook door niet erkende spooraannemers (zoals [belanghebbende] ) worden uitgevoerd en daarmee door een grotere groep van aannemers. Het kleine aantal aannemers voor spoorwerkzaamheden was, zoals [gedaagde] tijdens de mondelinge behandeling heeft herhaald, de reden dat [gedaagde] contract C8 niet samen met contract C2 als één opdracht heeft aanbesteed. [gedaagde] zou daarmee, zo stelt zijzelf, de toegang tot de opdracht voor contract C2 (de civiele werkzaamheden ter voorbereiding van het leggen van het spoor) disproportioneel hebben beperkt tot erkende partijen voor spoorwerk die contract C8 mogen uitvoeren.
Door de wijziging wordt opdracht C2 en opdracht C8 in feite alsnog samengevoegd en krijgen de erkende spooraannemers geen kans om mee te dingen naar contract C8. Deze situatie is overigens vergelijkbaar met het in de Memorie van Toelichting bij artikel 2.163c Aw 2012 gegeven voorbeeld dat de algemene aard verandert als een contract voor de aankoop van vijf apparaten waarin de optie is opgenomen dat indien de testperiode succesvol verloopt ook vijf andersoortige apparaten zullen worden afgenomen (zie: MvT, Kamerstukken II 2015/16, 34329, 3)
De conclusie is dat geen sprake is van de uitzondering zoals bedoeld in artikel 2.163c Aw 2012.
Beroep op vangnetbepaling van artikel 2.163g Aw 2012 gaat niet op
Omdat geen beroep is gedaan op de andere uitzonderingsgevallen zoals genoemd in 2.163b tot en met 2.163f Aw 2012 wordt toegekomen aan het beroep van [gedaagde] en [belanghebbende] op de vangnetbepaling van artikel 2.163g Aw 2012.
Die bepaling houdt in dat geen nieuwe Europese aanbestedingsprocedure hoeft te worden gevolgd als een wijziging van een overheidsopdracht (in dit geval van een speciale-sectoropdracht) niet wezenlijk is (artikel 2.163g lid 1 Aw 2012). In artikel 2.163g lid 2 en 3 Aw 2012 wordt geconcretiseerd wanneer sprake is van een wezenlijke wijziging.
Het tweede lid definieert in algemene zin wanneer sprake is van een wezenlijke wijziging. Dat is het geval als de overheidsopdracht (in dit geval de speciale-sectoropdracht) door de wijziging materieel verschilt van de oorspronkelijke opdracht. In het derde lid worden vier gevallen opgesomd waarin de wijziging in ieder geval wezenlijk is.
Er is in dit geval sprake van de situatie zoals bedoeld in artikel 2.163g lid 3 onder a Aw 2012. In dat artikel is bepaald dat een wijziging in ieder geval wezenlijk is als de wijziging voorziet in voorwaarden die, als zij deel van de oorspronkelijke aanbestedings-procedure hadden uitgemaakt, de toelating van andere dan de oorspronkelijk geselecteerde gegadigden of de gunning van de overheidsopdracht (speciale-sectoropdracht) aan een andere inschrijver mogelijk hadden gemaakt of bijkomende deelnemers aan de aanbestedingsprocedure zouden hebben aangetrokken. Als Contract C8 van het begin af aan tot de oorspronkelijke speciale-sectoropdracht zou hebben behoord dan zou dit tot een andere kring van geschikte gegadigden hebben geleid (zie 4.13.4.). Dan zouden vanwege de toepasselijke Erkenningsregeling alleen erkende spoorondernemers hebben mogen meedingen, terwijl in de oorspronkelijke opdracht ook andere aannemers dan niet erkende spoorondernemers konden meedingen.
Er is dus geen sprake van de uitzondering zoals bedoeld in artikel 2.163g Aw 2012.
Contract C8 moet Europees worden aanbesteed
Het voorgaande betekent dat Contract C8 moet worden aanbesteed. De waarde van het contract, daarover zijn alle partijen het eens, ligt ver boven de drempelwaarde die geldt voor Europees aanbesteden. Er zal dus een Europese aanbestedingsprocedure moeten worden gevoerd.
Verweer [belanghebbende] : overeenkomst kan niet meer worden aanbesteed
[belanghebbende] voert nog als verweer aan dat contract C8 niet meer kan worden aanbesteed, omdat dit contract al (onderhands) aan haar is gegund en de overeenkomst tot wijziging van de aanbestede overeenkomst al is gesloten. [eiseres] kan volgens [belanghebbende] geen vernietiging meer van die gewijzigde overeenkomst vorderen, omdat de vervaltermijn zoals bedoeld in artikel 4.15 lid 2 onder b Aw 2012 is verstreken. Mocht dit wel het geval zijn dan stelt [belanghebbende] zich op het standpunt dat het aannemelijk is dat de bodemrechter de vernietigingsvordering zal afwijzen wegens dwingende redenen van algemeen belang (artikel 4.18 lid 1 Aw 2012).
Dit verweer slaagt niet.
Het is aan [belanghebbende] om aannemelijk te maken dat i) de door haar gestelde aanvullende overeenkomst is gesloten én dat ii) deze overeenkomst niet meer kan/zal worden vernietigd. Dat heeft zij niet gedaan.
Onvoldoende aannemelijk dat de gewijzigde overeenkomst is gesloten 4.23 Het is allereerst onvoldoende aannemelijk dat Contract C8 onderhands is gegund aan [belanghebbende] en is toegevoegd aan de aanbestede Basisovereenkomst en Alliantieovereenkomst.
[gedaagde] met wie deze gewijzigde overeenkomst zou zijn gesloten, betwist dat. Er zijn onvoldoende concrete aanknopingspunten voor het standpunt van [belanghebbende] . Wie er gelijk heeft zal in een bodemprocedure moeten worden uitgezocht.
Niet aannemelijk dat vervaltermijn voor vernietiging is verstreken als gewijzigde overeenkomst toch is gesloten
Ook als wordt aangenomen dat de door [belanghebbende] gestelde gewijzigde overeenkomst toch is gesloten, kan dit [belanghebbende] niet baten.
[eiseres] kan in dat geval als benadeelde partij in rechte vorderen dat deze overeenkomst wordt vernietigd, omdat [gedaagde] deze overeenkomst niet heeft aanbesteed, terwijl zij dat wel had moeten doen (zie hiervoor). Er is daarmee sprake van de vernietigingsgrond zoals bedoeld in artikel 4.15 lid 1 onder a Aw 2012. Voor het vorderen van die vernietiging geldt de in 4.15. lid 2 onder b Aw 2012 genoemde vervaltermijn van zes maanden. Deze termijn gaat in op de dag na de datum waarop de overeenkomst is gesloten. Het gaat anders dan [belanghebbende] meent niet om de datum waarop de aanbestede Basisovereenkomst is gesloten, maar om de datum waarop de gewijzigde (de aanvullende) overeenkomst is gesloten.
[belanghebbende] heeft niet aannemelijk gemaakt dat de vervaltermijn is verstreken en dat
[eiseres] in rechte geen vernietiging meer kan vorderen van de gewijzigde overeenkomst (als die al is gesloten). Het is onduidelijk wanneer de gewijzigde overeenkomst is gesloten (als die al is gesloten). Het is daardoor ook onduidelijk wanneer de vervaltermijn is aangevangen en of die vervaltermijn al is verstreken.
[belanghebbende] stelt in de eerste plaats dat de gewijzigde overeenkomst op 11 december 2025, althans eind december 2025 is gesloten. Er zijn echter geen concrete aanknopingspunten dat dit het geval is geweest.
Dit kan niet worden opgemaakt uit de “Raadsdialoog gemeenteraad Vught van 21 mei 2026” waarnaar [belanghebbende] verwijst. Daarin staat dat de aanleg van het vierde spoor en de sporen in de verdiepte ligging (C8) “sinds kort” is toegevoegd aan het contract. Er staat niet dat dit in december 2025 is gebeurd. Dat ligt ook niet voor de hand, omdat een periode van ongeveer 5 maanden (periode tussen december 2025 en de datum van het bericht op 21 mei 2026) niet als kort kan worden aangemerkt.
Ook de Raadsinformatiebrief van 16 juni 2026 biedt geen aanknopingspunt. In die brief staat: In dat kader is onder meer gekeken naar de versnelling van de productie van de verdiepte ligging en de toevoeging van de aanleg van de nieuwe sporen (Contract C8) aan de scope van het alliantiecontract, zodat synergievoordelen konden worden benut.Deze passage zegt echter niet dat het Contract C8 al is toegevoegd aan de scope van de Basisovereenkomst en het Alliantiecontract. Bovendien zegt het ook niets over wanneer dit dat dan zou zijn gebeurd. Ook elders in de Raadsinformatiebrief wordt daarover geen informatie gegeven.
Ook uit de e-mail van [gedaagde] aan [eiseres] van 10 juni 2026 (3.10.1.), kan niet worden opgemaakt dat de wijziging op 11 december 2025 of eind december 2025 is doorgevoerd. Er wordt in deze e-mail geen datum genoemd.
Bovendien heeft [gedaagde] vanaf haar e-mail van 18 juni 2026 (zie 3.10.2.) het standpunt ingenomen dat de gewijzigde overeenkomst nog niet is gesloten.
[belanghebbende] voert verder nog aan dat vanaf begin januari 2026, althans 5 maart 2026 uitvoering wordt gegeven aan de volgens haar gesloten gewijzigde overeenkomst.
[belanghebbende] heeft dat echter niet aannemelijk gemaakt.
Uit het voorgaande volgt dat het niet aannemelijk is dat [eiseres] geen vernietiging meer kan vorderen van de gewijzigde overeenkomst (als die al is gesloten).
Niet aannemelijk dat bodemrechter vernietigingsvordering zal afwijzen wegens dwingende redenen van algemeen belang
Het is niet aannemelijk dat de bodemrechter een door [eiseres] in te stellen vernietigingsvordering zal afwijzen wegens dwingende redenen van algemeen belang.
De rechter kan besluiten een overeenkomst niet te vernietigen indien, alle relevante aspecten in aanmerking genomen, dwingende redenen van algemeen belang het noodzakelijk maken dat de overeenkomst in stand blijft (artikel 4.18. lid 1 Aw 2012).
Dat, zoals [belanghebbende] aanvoert, treinreizigers en bewoners van Vught langer hinder zullen ondervinden van het project doordat Contract C8 zal moeten worden aanbesteed, is geen dwingende reden van algemeen belang die het noodzakelijk maakt dat de gewijzigde overeenkomst (zo die al is gesloten) in stand blijft. Hinder voor derden is een logisch gevolg van de uitvoering van zo’n groot project.
Conclusie
Het is aannemelijk dat de gewijzigde opdracht moet worden aanbesteed en dat nog geen gewijzigde overeenkomst is gesloten. Mocht dat toch het geval zijn dan is het aannemelijk dat [eiseres] daarvan nog de vernietiging kan vorderen en dat de rechter die vernietiging zal toewijzen.
Toewijzing vorderingen
De vorderingen strekkende tot een verbod om de gewijzigde opdracht aan [belanghebbende] te gunnen, en een gebod om de gewijzigde opdracht aan te besteden worden gezien het voorgaande toegewezen.
[gedaagde] heeft nog als verweer gevoerd dat dat [eiseres] geen concreet belang bij deze vorderingen heeft. Dat verweer gaat niet op. Het belang van [eiseres] is gelegen in de kans op het gegund krijgen van Contract C8, waarmee een aanzienlijk financieel belang is gemoeid.
Geen bespreking van de grondslag: ongeoorloofde staatssteun
Aan de bespreking van de nog door [eiseres] voor haar vorderingen aangevoerde grondslag dat sprake is van ongeoorloofde staatssteun wordt gezien het voorgaande niet meer toegekomen.
Proceskosten in de hoofdzaak
[gedaagde] en [belanghebbende] zijn in het ongelijk gesteld en moeten daarom allebei de proceskosten (inclusief nakosten) van [eiseres] betalen.
De door [gedaagde] te betalen proceskosten worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
€
125,57
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.766,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.815,57
De over deze proceskosten door [eiseres] gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
De door [belanghebbende] te betalen proceskosten worden begroot op:
- griffierecht
€
735,00
- salaris advocaat
€
1.766,00
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.690,00
[eiseres] heeft geen wettelijke rente over deze proceskosten gevorderd, zodat geen wettelijke rente kan worden toegewezen.
Proceskosten in het incident tot voeging 4.38 Geen van de partijen vallen in het incident tot voeging als de in het ongelijk gestelde partij aan te merken. De proceskosten in dit incident worden daarom gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitvoer bij voorraad
Het vonnis wordt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter
in het incident tot voeging 5.1 compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in de hoofdzaak
verbiedt [gedaagde] om Contract C8 aan [belanghebbende] op te dragen,
gebiedt [gedaagde] om Contract C8 binnen de kaders van de Aw 2012 aan te besteden, voor zover [gedaagde] dat contract nog wil gunnen,
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.815,57, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
verklaart dit vonnis voor wat betreft de onderdelen 5.2. tot en met 5.5. uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J. Praamstra en in het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2026.