RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 25 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , te [plaats] , eiser
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1460
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lelystad, verweerder.
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingesteld op 19 februari 2026, omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn verzoek van 11 december 2025 op grond van de Wet open overheid (Woo).
Verweerder heeft op 6 augustus 2026 alsnog een besluit genomen op dit Woo-verzoek. Bij brief van 21 augustus 2026 heeft eiser de rechtbank verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten. Eiser heeft het beroep niet uitdrukkelijk ingetrokken. Wel heeft eiser de rechtbank laten weten dat hij ook bezwaar heeft gemaakt tegen het alsnog genomen besluit bij verweerder.
Overwegingen
1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat op grond van artikel 8:54 van de Awb in deze zaak niet nodig is. Hieronder legt de rechtbank dat verder uit.
2. Eiser wilde met het beroep bereiken dat verweerder alsnog een besluit neemt op zijn Woo-verzoek. Met het besluit van 6 augustus 2026 heeft verweerder alsnog beslist op het Woo-verzoek. Daarmee is het doel van eiser bereikt. Het (proces)belang van eiser bij een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daardoor weggevallen.
3. Het beroep gericht tegen het niet tijdig beslissen op het Woo-verzoek is daarom kennelijk niet-ontvankelijk.
4. Op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Awb heeft een beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit mede betrekking op het alsnog genomen besluit van 6 augustus 2026. Bij brief van 21 augustus 2026 heeft eiser het beroep niet uitdrukkelijk ingetrokken.
5. In een zaak als deze, waar het gaat om de beoordeling van een Woo-verzoek, acht de rechtbank het wenselijk dat het bestuursorgaan eerst overgaat tot een bestuurlijke heroverweging. Met toepassing van artikel 6:20, vierde lid, van de Awb verwijst de rechtbank het beroep daarom naar verweerder ter behandeling als bezwaar. Dit betekent dat de rechtbank geen uitspraak doet op het beroep voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit.
6. De rechtbank ziet aanleiding om verweerder op te dragen het griffierecht van € 200,- aan eiser te vergoeden. Op het moment dat eiser het beroep niet tijdig indiende, was verweerder in gebreke gesteld en had hij daarna niet tijdig beslist. Eiser heeft het beroep dan ook terecht ingesteld.
7. Van proceskosten die voor vergoeding in aanmerking komen, is niet gebleken.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. I. Helmich, rechter, in aanwezigheid van
mr. E.J.H.C. Hui, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 25 september 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden of digitaal ter beschikking gesteld aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.