RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/16/616957 / JL RK 26-557
Datum uitspraak: 23 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING,
Midden-Nederland, Lelystad,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] ,
geboren op [geboortedatum] 2025 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
STICHTING SAMEN VEILIG MIDDEN-NEDERLAND,
gevestigd te Almere,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI SAVE),
STICHTING LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Lelystad,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI LDH).
1. Het verdere verloop van de procedure
De kinderrechter heeft bij beschikking van 8 september 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 25 september 2026 en het overige deel van het verzoek aangehouden. De kinderrechter moet nog beslissen over dit deel van het verzoek, te weten van 25 september 2026 tot 28 november 2026.
Nadien heeft de kinderrechter geen stukken meer ontvangen.
Op 22 september 2026 heeft de kinderrechter de zitting met gesloten deuren voortgezet. Daarbij waren aanwezig:
de moeder (online via TEAMS);
I. Onwuegbuchu als tolk voor de moeder;
[A] en [B] namens de Raad;
[C] namens de GI SAVE;
[D] namens de GI LDH.
De kinderrechter heeft niet direct na de zitting uitspraak gedaan. Op 23 september 2026 heeft de rechtbank telefonisch contact opgenomen met de GI Leger des Heils om het dictum mee te delen, met het verzoek deze beslissing door te geven aan de Raad, de GI Samen Veilig Midden-Nederland en de moeder. Deze beslissing is de schriftelijke uitwerking van de uitspraak.
2. De feiten
Voor de vaststaande feiten en het eerdere procesverloop wordt verwezen naar de beschikking van 8 september 2026.
3. De standpunten
De Raad
De Raad heeft zijn verzoek ter zitting gehandhaafd. De moeder en [minderjarige] verblijven momenteel in de moeder-kindvoorziening [voorziening] . Daarvoor verbleven zij in het AZC in [woonplaats] . [minderjarige] is acht maanden oud en vanwege haar jonge leeftijd volledig afhankelijk van de (emotionele) beschikbaarheid en belastbaarheid van de moeder. De Raad maakt zich grote zorgen over de ontwikkeling en de veiligheid van [minderjarige] . Er zijn vermoedens van overmatig alcoholgebruik door de moeder, onvoldoende adequate reacties van de moeder op [minderjarige] en een licht verstandelijke beperking bij de moeder. Daarnaast is sprake van problematiek op het gebied van trauma en psychische gezondheid en spelen de taal- en culturele achtergrond van de moeder een rol. Volgens de Raad is de regie van een gezinsvoogd daarom op dit moment noodzakelijk. Deze kan tevens bijdragen aan het vinden en behouden van een passende verblijfplaats voor de moeder en [minderjarige] , zoals momenteel bij [voorziening] . Op deze manier blijft er zicht op de moeder en [minderjarige] en kan de noodzakelijke hulpverlening worden ingezet. Een scheiding van [minderjarige] en de moeder kan daarmee vooralsnog worden voorkomen. Gelet op de borstvoeding en de hechting tussen de moeder en [minderjarige] acht de Raad een dergelijke scheiding op dit moment niet in het belang van [minderjarige] . Vanwege de meervoudige problematiek van de moeder acht de Raad de GI LDH het meest passend om de voorlopige ondertoezichtstelling uit te voeren, omdat deze GI volgens de Raad het beste aansluit bij de ondersteuningsbehoeften van de moeder.
De moeder
De moeder stemt in met de verlenging van de voorlopige ondertoezichtstelling. Ook heeft zij ter zitting verklaard geen alcohol meer te drinken.
De GI SAVE
De GI SAVE ziet dat de moeder de afgelopen periode een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Sinds het verblijf van de moeder en [minderjarige] bij [voorziening] is een samenwerking met de moeder tot stand gekomen. Hoewel de moeder aanvankelijk twijfels had over haar verblijf, heeft zij inmiddels kennisgemaakt met de hulpverleners en werkt zij mee aan zowel geplande als ongeplande urinecontroles. Daarnaast vindt de GI SAVE de GI LDH een geschiktere organisatie voor de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling, omdat deze organisatie, gezien de afspraken die hierover tussen de diverse instanties zijn gemaakt, beter aansluit bij de doelgroep en de problematiek van de moeder.
De GI LDH
De GI LDH vindt het van belang dat de tot stand gekomen samenwerking tussen de GI SAVE en de moeder wordt voortgezet en niet wordt verstoord. De GI LDH vraagt zich daarbij af welke meerwaarde een wisseling van GI op dit moment zou hebben en wat zij anders zou kunnen doen dan de GI SAVE. Vanwege de taalbarrière en het analfabetisme van de moeder is de situatie voor haar reeds moeilijk te overzien. Een wisseling van GI, en daarmee van aanspreekpunt, zou volgens de GI LDH tot verdere onduidelijkheid voor de moeder kunnen leiden.
4. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. De kinderrechter legt hieronder uit waarom hij deze beslissing neemt.
De kinderrechter acht het positief dat de moeder de afgelopen periode de samenwerking met de hulpverlening is aangegaan en meewerkt aan de urinecontroles. De zorgen over de ontwikkeling en veiligheid van [minderjarige] zijn echter nog onverminderd aanwezig. Het is daarom van belang dat de noodzakelijke hulpverlening de komende periode wordt voortgezet en verder wordt vormgegeven. Ook dient de verblijfssituatie van de moeder en [minderjarige] stabiel te blijven. Gelet op het analfabetisme van de moeder, de culturele verschillen en de taalbarrière acht de kinderrechter het noodzakelijk dat de GI de moeder hierbij begeleidt en de regie voert. Daarnaast is het van belang dat zicht blijft bestaan op de situatie van de moeder en [minderjarige] en op de wijze waarop de moeder aansluit bij de behoeften van [minderjarige] . Het toezicht wat momenteel bij [voorziening] wordt geboden, draagt bij aan het waarborgen van de veiligheid en de ontwikkeling van [minderjarige] .
Ter zitting is gebleken dat een impasse is ontstaan, doordat de GI SAVE de uitvoering van de voorlopige ondertoezichtstelling niet wil voortzetten en de GI LDH deze niet wil overnemen. De kinderrechter heeft nog geprobeerd om de GI’s tot elkaar te brengen door voor te stellen dat GI SAVE de periode van de voorlopige ondertoezichtstelling afmaakt en dat daarna verder gekeken kan worden of er een verzoek tot ondertoezichtstelling volgt, zodat de situatie dan opnieuw kan worden beoordeeld. Hij heeft daarvoor zelfs de zitting tweemaal onderbroken. Dit leidde echter tot niets. De kinderrechter begrijpt best dat er afspraken tussen GI’s worden gemaakt over welke GI in welk geval welke doelgroep bedient. Maar het zou toch zo moeten zijn dat bij het ontstaan van een impasse er in het belang van een kwetsbare minderjarige – in dit geval [minderjarige] – en haar moeder van dit soort afspraken afgeweken kan en ook moet worden. De kinderrechter acht de ontstane situatie zeer onwenselijk en kan alleen maar hopen dat het bij deze ene keer blijft.
De Raad heeft zijn verzoek om de GI LDH te benoemen ter zitting gehandhaafd De kinderrechter kan niet ambtshalve een andere dan de door de Raad verzochte GI belasten met de uitvoerring van de voorlopige ondertoezichtstelling. Dit betekent dat de GI LDH wordt belast met de uitvoering van het resterende deel van de voorlopige ondertoezichtstelling. De kinderrechter verwacht dat de GI LDH zich vanaf dit moment zal inzetten voor een goed verloop van de voorlopige ondertoezichtstelling en zorg draagt voor een zorgvuldige uitvoering daarvan, waarbij de belangen van [minderjarige] en de moeder centraal staan. De kinderrechter gaat ervan uit dat de Raad hier tijdens het onderzoek goed op toeziet en zal als er een ondertoezichtstelling wordt verzocht hier ook nadrukkelijk op terugkomen.
5. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van Stichting Leger des Heils Jeugdbescherming & Reclassering tot 28 november 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.