RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 augustus 2026 in de zaak tussen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Renswoude, verweerder (hierna aangeduid als het college),
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/7808
1. [eiser sub 1],
2. [eiser sub 2],
3. [eiser sub 3],
4. [eiser sub 4],
5. [eiser sub 5],
6. [eiser sub 6],
allen uit [plaats] , eisers (hierna gezamenlijk aangeduid als eisers),
(gemachtigde: mr. D. van Hijkoop),
en
(gemachtigde: mr. J.R. van Staveren).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [plaats] , (hierna aangeduid als vergunninghouder),
(gemachtigde: mr.T.P. Grünbauer).
1. Deze zaak gaat over het beroep van eisers tegen het besluit van 18 november 2025, waarbij aan vergunninghouder een omgevingsvergunning is verleend voor het legaliseren van een terreinafscheiding nabij zijn woning op het adres [adres 1] in [plaats] en voor het realiseren van een schapenschuilplek op zijn perceel ten behoeve van het hobbymatig houden van schapen. Eisers zijn eigenaren van de percelen in het nabij gelegen gebied landgoed [landgoed] (woonachtig op de [adres 2] ). Eisers zijn het niet eens met de verleende omgevingsvergunning en voeren daartoe beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep van eisers ongegrond is, omdat het college de omgevingsvergunning heeft kunnen verlenen. Dat betekent dat de verleende omgevingsvergunning in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Vergunninghouder heeft op 25 juni 2024 een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een erfafscheiding en het realiseren van een schapenschuilplek. Volgens de aanvraag gaat het om een erfafscheiding rondom het gehele perceel, die lager is dan 2 meter.
In de omgevingsvergunning is vermeld dat de omgevingsvergunning ziet op het uitvoeren van een omgevingsplanactiviteit: artikel 5.1, eerste lid, onder a van de Omgevingswet. De omgevingsplanactiviteit bestaat uit bouwen.
De omgevingsvergunning is voorbereid met de uitgebreide voorbereidingsprocedure als bedoeld in paragraaf 16.5.3 van de Omgevingswet en de afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Volgens het besluit is op grond van artikel 16.65, eerste lid (onder b) van de Omgevingswet met instemming van de aanvrager afdeling 3.4 van toepassing verklaard.
Het ontwerpbesluit van 4 april 2025 heeft van 4 april 2025 tot en met 16 mei 2025 ter inzage gelegen. Eisers hebben van de mogelijkheid gebruikt gemaakt om een zienswijze naar voren te brengen. Het college heeft hierop besloten een nieuw ontwerpbesluit voor opnieuw zes weken ter inzage te leggen en het ontwerpbesluit van 4 april 2025 in te trekken. Het nieuwe ontwerpbesluit heeft vanaf 25 juli 2025 voor een periode van zes weken ter inzage gelegen. Eisers hebben een zienswijze ingediend, die het college in de nota beantwoording van zienswijzen heeft beantwoord. Naar aanleiding hiervan heeft het college de motivering van het besluit aangepast en een vergunningvoorschrift toegevoegd. Het college heeft de omgevingsvergunning met het bestreden besluit van 18 november 2025 verleend.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 24 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser sub 1] , [eiser sub 2] , [eiser sub 3] , [eiser sub 5] , de gemachtigde van eisers, de gemachtigde van het college vergezeld door mr. T. van Leeuwen (handhavingsjurist bij de gemeente Renswoude ), vergunninghouder en de gemachtigde van vergunninghouder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
3. Op 1 januari 2024 is de Omgevingswet (Ow) in werking getreden. De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 25 juni 2024, zodat de Ow van toepassing is.
Voor het perceel van vergunninghouder waren voor 1 januari 2024 onder meer de bestemmingsplannen Buitengebied 2010 en [landgoed] van toepassing. Die bestemmingsplannen maken nu onderdeel uit van het tijdelijk deel van het Omgevingsplan gemeente Renswoude .
Kern van het geschil
4. Op het landgoed [landgoed] was aan de [adres 2] tot 2001 een intensieve kalvermesterij gevestigd. Het gebied is inmiddels herontwikkeld. Volgens eisers is de opzet van het inrichten van het landschapsplan voor het landgoed [landgoed] de inrichting van nieuwe natuur en het herinrichten van het landschap naar het oorspronkelijke kampenlandschap. Dit landschap kenmerkt zich volgens eisers door openheid en zichtlijnen. Het achterliggende agrarische gebied en natuurgebied moeten hierbij zoveel mogelijk open blijven. Eisers wijzen daarbij op het beeldkwaliteitplan voor het landgoed [landgoed] . Eisers menen dat het plaatsen van een hekwerk daarmee in strijd is. Door de continue begrazing door schapen op het perceel van vergunninghouder is er volgens eisers geen sprake meer van een bloemrijk grasland, maar van kaalgevreten gras.
Wat is aangevraagd en welk bestemmingsplan is van toepassing?
Vergunninghouder heeft blijkens de aanvraag en de daarbij behorende tekeningen een aanvraag ingediend voor het legaliseren van een hekwerk en het realiseren van een schapenschuilplek. Volgens het college is het bestemmingsplan [landgoed] van toepassing op de bouw van de schapenschuilplek. Het college heeft aangegeven dat hij dit heeft nagemeten en daarbij uitkomt op bestemmingsplan [landgoed] . Eisers twijfelen hieraan, maar hebben niet concreet gemaakt dat het bestemmingsplan [landgoed] niet van toepassing zou zijn. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college voldoende onderbouwd dat bestemmingsplan [landgoed] hierop van toepassing is. Op basis van de website Regels op de kaart en de plankaart kan de rechtbank niet vaststellen dat het bestemmingsplan Buitengebied 2010 van toepassing zou zijn. Er zijn verder door eisers geen concrete aanknopingspunten aangedragen waaruit blijkt dat de bouw van de schapenschuilplek onder het bestemmingsplan Buitengebied 2010 valt. Het hekwerk valt onder de beide bestemmingsplannen, Buitengebied 2010 en [landgoed] .
Is de omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan [landgoed] ?
Eisers voeren aan dat het voorgenomen gebruik door vergunninghouder en het plaatsen van het hekwerk in strijd zijn met het bestemmingsplan [landgoed] . Het standpunt van het college is dat het voorgenomen gebruik en het hekwerk binnen dit bestemmingsplan past.
Bij de verlening van deze omgevingsvergunning gaat het om de beoordelingsregels die in artikel 4.1 onder a en artikel 4.1 onder c van het bestemmingsplan [landgoed] zijn opgenomen. Artikel 4.1 onder a van het bestemmingsplan [landgoed] bepaalt dat de voor ‘‘natuur’’ aangewezen gronden bestemd zijn voor het behoud, herstel en of de ontwikkeling van landschappelijke en of ecologische waarden. In artikel 4.1 onder c van het bestemmingsplan [landgoed] is bepaald dat ondergeschikt agrarisch medegebruik is toegestaan op de voor ‘‘natuur’’ aangewezen gronden.
Het college heeft aan deze beoordelingsregels getoetst. Met het college is de rechtbank van oordeel dat de activiteit waarvoor vergunning is verleend onder deze regels valt. Het gaat in deze situatie om de uitleg van deze beoordelingsregels. Anders dan eisers betogen, zijn een inrichtings- en beheerplan, uitgangspunten van een bestemmingsplan of landschappelijke waarden uit een beeldkwaliteitplan niet relevant voor de uitleg van een beoordelingsregel in een bestemmingsplan.
Voor de uitleg van een beoordelingsregel in een bestemmingsplan dient eerst naar de letterlijke tekst van de bepaling te worden gekeken. Indien de letterlijke tekst van de regel niet duidelijk is, dient te worden gekeken naar de toelichting en systematiek van het bestemmingsplan. Indien ook de toelichting en de systematiek geen duidelijkheid bieden, dient te worden aangesloten bij het algemeen spraakgebruik.
Naar het oordeel van de rechtbank is de tekst van artikel 4.1 onder a en artikel 4.1 onder c van het bestemmingsplan [landgoed] duidelijk. In de toelichting van het bestemmingsplan is aangegeven dat ook de gronden die worden omgevormd naar natuur op extensieve wijze agrarisch worden beheerd als schraal grasland en of hooiland. Hierdoor blijven de kleinschaligheid van het landschap en het agrarische karakter behouden. Het gaat in deze situatie om het hobbymatig houden van een aantal schapen en het plaatsen van een hekwerk. Het college meent dat het houden van een aantal schapen ter ontwikkeling en behoud van het gewenste agrarische karakter van de natuurbescherming voldoet aan artikel 4.1 van het bestemmingsplan [landgoed] en actief bijdraagt aan de gewenste ontwikkeling. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat op grond van het bestemmingsplan [landgoed] het uitgangspunt is dat bij dit bestemmingsplan de gronden die de bestemming natuur hebben gekregen een agrarisch karakter hebben. Het college wijst er in het besluit ook op dat de schapen die vergunninghouder wenst te gaan houden, in dienst staan van de beoogde ontwikkeling en het beheer van de landschapstypen van schraal grasland en bloemrijk grasland. Op grond van artikel 4.1 onder c van het bestemmingsplan [landgoed] is het ondergeschikt agrarisch medegebruik op de met een natuurbestemming aangewezen gronden toegestaan. Het college is van mening dat het houden van een aantal schapen ter ontwikkeling en behoud van het gewenste agrarische karakter van de natuurbestemming voldoet aan dit artikel en actief bijdraagt aan de gewenste ontwikkeling in het gebied.
Artikel 4.2 van het bestemmingsplan [landgoed] maakt het mogelijk om een bouwwerk te bouwen, geen gebouwen zijnde, binnen de bestemming natuur met een maximale hoogte van 2 meter. Volgens het college voldoet het hekwerk aan de bouwvoorwaarden in artikel 4.2, nu het hekwerk onder de maximaal voorgeschreven hoogte van 2 meter blijft. De rechtbank kan de motivering van het college volgen dat de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het bestemmingsplan [landgoed] .
De beroepsgrond slaagt niet.
Schapenschuilplek
Eisers voeren aan dat het college voor de bouw van de schapenschuilplek ten onrechte op grond van artikel 4.3 van het bestemmingsplan [landgoed] medewerking verleent. Volgens eisers is dit artikel niet van toepassing omdat de schapenschuilplek is aangevraagd onder de titel van schuilgelegenheid maar hiervan is geen sprake, omdat de schuilgelegenheid aan vier kanten gesloten is en als zodanig niet als een schuilgelegenheid kan worden aangemerkt. Volgens eisers gaat het om een permanente stalruimte. Door de verwijzing in dit artikel naar observatieposten lijkt het volgens eisers de bedoeling van dit artikel te zijn om schuilgelegenheden te bieden voor bijvoorbeeld wandelaars van het Klompenpad en of het open uitloopgebied maar niet voor vee.
Zoals de rechtbank na 4.1. heeft vastgesteld valt de locatie waar de schapenschuilplek zal worden gerealiseerd onder het bestemmingsplan [landgoed] . Op basis van artikel 4.3 van dit bestemmingsplan is het mogelijk om van het bepaalde in artikel 4.2 af te wijken, in die zin dat het college een omgevingsvergunning kan verlenen voor het bouwen van gebouwen, zoals schuilgelegenheden en observatiepunten, op voorwaarde dat de oppervlakte van het gebouw maximaal 30 m² is en de goothoogte maximaal 2,5 m is. Volgens het college voldoet de schapenschuilplek hieraan en is de functie van het gebouw het bieden van een schuilgelegenheid voor schapen. De rechtbank kan het college hierin volgen. Artikel 4.3 is geformuleerd als een niet-limitatieve bepaling die een schapenschuilplek niet uitsluit. Naar het oordeel van de rechtbank past de bouw van een schapenschuilplek onder artikel 4.3 en heeft het college de omgevingsvergunning op dit artikel kunnen baseren. Zelfs als geen sprake is van een schuilgelegenheid sluit artikel 4.3 niet uit dat een gebouw wordt gebouwd dat voldoet aan de genoemde maatvoeringen. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de omgevingsvergunning in strijd met het bestemmingsplan Buitengebied 2010?
Volgens eisers is het voorgenomen gebruik van vergunninghouder en het plaatsen van hekwerken in strijd met het bestemmingsplan Buitengebied 2010. Volgens eisers is niet inzichtelijk op welke wijze het voorgenomen gebruik, waarvoor de hekwerken zijn geplaatst ten dienste staat voor het behoud, herstel en de ontwikkeling van de landschapsstructuur. Eisers wijzen hier nogmaals op het inrichtings- en beheerplan op grond waarvan volgens eisers beperkt seizoensbewijding mogelijk is.
Volgens artikel 4 van het bestemmingsplan Klein Buitengebied 2010 hebben de gronden waarop het hekwerk aanwezig is de enkelbestemming ‘‘Agrarisch met waarden – Landschapswaarden – Beekdal’’. Het college heeft in het bestreden besluit gemotiveerd dat bij de invulling van dit gedeelte van het plangebied rekening moet worden gehouden met de uitgangspunten van de ontwikkeling van het nabij gelegen landgoed en de doelstellingen die het college en de omwonenden bij de ontwikkeling van dit landgoed nastreven. Het college acht de aanvraag hiermee in overeenstemming, nu het hekwerk ten dienste staat van de begrazing van schraal grasland op gronden met een agrarische bestemming door schapen. Daarmee wordt volgens het college aan het ontwikkelen en behouden van het agrarisch karakter van het landschap via extensief agrarisch beheer. Volgens het college is het gebruik van de gronden en het plaatsen van het hekwerk toegestaan op grond van artikel 4.1 onder c van het bestemmingsplan Klein Buitengebied 2010. Het college wijst in het bestreden besluit ook op artikel 4, onder j, op grond waarvan kleinschalige beweiding op agrarisch gebied wordt toegestaan. De rechtbank kan de toelichting van het college volgen dat de omgevingsvergunning in overeenstemming is met het bestemmingsplan Klein Buitengebied 2010 en dat het college het plan als een geheel beoordeeld in samenhang met de uitgangspunten van de ontwikkeling van het nabij gelegen landgoed. Zoals de rechtbank eerder heeft overwogen in deze uitspraak is bij de beoordeling en uitleg van een bestemmingsplanregel een inrichtings- en beheersplan niet relevant.
Welstand
Eisers voeren aan dat het welstandsadvies voor het hekwerk en de schapenschuilplek zodanig algemeen zijn dat deze niet als zelfstandige beoordeling kunnen gelden, mede gelet op het feit dat de beide activiteiten volgens eisers in strijd zijn met de geldende bestemmingsplannen. Volgens eisers blijkt onvoldoende waaraan is getoetst en op welke wijze is getoetst. Ook is onduidelijk waarom het hekwerk en de schapenschuilplek in overeenstemming zijn met de gemeentelijke welstandsnota. Dit betekent volgens eisers da het college niet zonder eigen afweging de welstandadviezen kan overnemen.
De rechtbank stelt bij de beoordeling van deze beroepsgrond voorop dat het hekwerk en de schapenschuilplek passen binnen de bestemmingsplannen [landgoed] en Buitengebied 2010. De beide activiteiten zijn getoetst aan de welstandsnota en de daarin opgenomen beoordelingscriteria. Blijkens de welstandadviezen acht de welstandcommissie het hekwerk aanvaardbaar, omdat het hekwerk een geringe hoogte heeft en door zijn donkere kleur en uitvoering ondergeschikt is in het omgevingsbeeld. De uitvoering van de schapenschuilplek in een eenvoudige houten schuur met zadeldak acht de welstandscommissie ook aanvaardbaar. De welstandcommissie heeft nog nadere vragen gesteld over de uitvoering van de schapenschuilplek en in een tweede welstandadvies positief gereageerd op de bouw van de schapenschuilplek. Hoewel de adviezen niet uitgebreid zijn, is het naar het oordeel van de rechtbank voldoende gemotiveerd gelet op de vereisten en beoordelingscriteria uit de welstandsnota. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de omgevingsvergunning in stand blijft. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgen ook geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, rechter, in aanwezigheid van mr. G.M.C.P. Maarhuis, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 17 augustus 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.