RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 28 september 2026 in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats] , eiser
Dienst Toeslagen, kantoor Utrecht
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/2055
en
(gemachtigden: mr. [gemachtigde 1] en mr. [gemachtigde 2] ).
1. Deze uitspraak gaat over de stopzetting van de huurtoeslag van eiser met ingang van 1 januari 2026. De dienst heeft de huurtoeslag van eiser stopgezet omdat de huurtoeslag sinds 2021 jaarlijks is vastgesteld op € 0,-. Het vermogen van eiser is volgens de dienst namelijk te hoog om in aanmerking te komen voor huurtoeslag. Eiser is het niet eens met de stopzetting. Hij voert daartoe aan dat het onredelijk is dat zijn spaartegoed ervoor zorgt dat hij geen huurtoeslag krijgt, aangezien hij juist sober leeft en spaart om een huis in de vrije sector te kunnen huren. Daarnaast voert eiser aan dat het verslag van de hoorzitting in bezwaar niet klopt. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het geschil.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de dienst terecht de huurtoeslag van eiser heeft stopgezet. Eiser krijgt geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 1 december 2025 heeft de dienst de huurtoeslag van eiser stopgezet. Met het bestreden besluit van 2 maart 2026 op het bezwaar van eiser is de dienst bij de stopzetting van de huurtoeslag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De dienst heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 28 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de dienst.
Beoordeling door de rechtbank
De feiten
3. Eiser heeft een gespaard eigen vermogen van meer dan € 38.479,-. Dit bedrag is de door de Belastingdienst vastgestelde vermogensgrens voor het jaar 2026. Eiser heeft sinds 2021 een te hoog eigen vermogen om in aanmerking te komen voor huurtoeslag, waardoor de huurtoeslag bij de jaarlijkse definitieve vaststelling is vastgesteld op € 0,-. Daarop heeft de dienst de door eiser ontvangen huurtoeslag jaarlijks teruggevorderd. De dienst heeft met het bestreden besluit de huurtoeslag stopgezet. Zo wordt voorkomen dat er ook over het jaar 2026 een terugvordering zou moeten plaatsvinden.
Toetsingskader
4. De wettelijke regels die van belang zijn voor deze zaak, staan in de bijlage bij deze uitspraak.
Heeft de dienst in strijd gehandeld met het evenredigheidsbeginsel?
5. Eiser voert aan dat het onredelijk is dat zijn spaarvermogen ervoor zorgt dat hij geen huurtoeslag krijgt, aangezien hij juist sober leeft en spaart om een huis in de vrije sector te kunnen huren. De bestaande wettelijke regeling past niet meer bij de bestaande situatie op de woningmarkt, die mede door de overheid veroorzaakt is. Zodra hij voldoende heeft gespaard om een huis in de vrije sector te huren, komen alle kosten voor zijn rekening en is de overheid van zijn huurtoeslag af.
6. Deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt voorop dat zij begrip heeft voor de moeilijke woonsituatie van eiser, en zijn wens om voldoende te kunnen sparen om uiteindelijk te kunnen verhuizen. De toekenning of afwijzing van huurtoeslag is echter een zogenaamd gebonden besluit. Bij een gebonden besluit is er in algemene zin al een belangenafweging gemaakt door de wetgever. Dat betekent dat de dienst geen ruimte heeft om in een individueel geval een afweging te maken of er wel of geen recht op huurtoeslag kan worden toegekend, maar verplicht is om de wettelijke criteria te volgen. Eiser heeft aangegeven dat hij een eigen vermogen heeft van ongeveer € 75.000,-. Er kan op grond van artikel 7, derde lid, van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (Awir) en artikel 7, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag geen huurtoeslag worden toegekend bij een eigen vermogen hoger dan € 38.479,-. De dienst kan dus geen huurtoeslag toekennen aan eiser.
De enige uitzondering om toch huurtoeslag toe te kennen wanneer de wet daar geen ruimte voor biedt, is als er sprake is van bijzondere omstandigheden die door de wetgever niet zijn voorzien bij de totstandkoming van de wet. Die bijzondere omstandigheden moeten ertoe leiden dat het onredelijk bezwarend zou zijn voor de belanghebbende om de wet toe te passen. Dit volgt uit vaste rechtspraak en wordt het evenredigheidsbeginsel genoemd. In het geval van eiser is hier geen sprake van. De rechtbank is van oordeel dat het feit dat eiser sober leeft en spaart voor een eigen woning geen bijzondere omstandigheid is. Er zijn namelijk meer mensen zoals eiser die sparen met als doel om uiteindelijk een andere woning te kunnen huren of kopen. Eiser onderscheidt zich daarin onvoldoende van anderen.
Is het verslag van de hoorzitting in de bezwaarfase onzorgvuldig totstandgekomen?
7. Eiser voert aan dat het verslag van de hoorzitting een samenraapsel is van zinnen, met onwaarheden en woorden die er niet in thuishoren. Eiser heeft de indruk dat het verslag is geschreven met behulp van Artificiële Intelligentie (AI). Daardoor gaat het verslag voorbij aan wat eiser heeft gezegd en geschreven. Verder vond eiser de telefonische hoorzitting zelf niet prettig, doordat de vrouwelijke medewerker van de dienst nerveus was en mogelijk werd beïnvloed door iemand die bij haar in de ruimte zat.
8. Deze beroepsgrond slaagt niet. Op grond van artikel 7:7 van de Algemene wet bestuursrecht moet een verslag worden gemaakt van het horen. Op grond van vaste rechtspraak hoeft dit verslag geen letterlijke weergave van het horen te zijn. Eiser herkent zich niet in wat er besproken is tijdens de hoorzitting, maar heeft niet concreet gemaakt wat er precies niet klopt aan het verslag. De dienst heeft op zitting toegelicht dat het binnen de dienst niet toegestaan is om bij het opmaken van een verslag gebruik te maken van AI, en dat het verslag is gemaakt door een medewerker van de dienst. De rechtbank ziet in wat eiser aanvoert geen aanleiding om hieraan te twijfelen. Gelet op de inhoud van het verslag en de toelichting door de dienst heeft eiser onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het hoorverslag een onjuiste weergave bevat van wat is besproken.
Nagezonden brief
9. De rechtbank heeft na de sluiting van het onderzoek een brief van eiser ontvangen met dagtekening 1 augustus 2026. De rechtbank is van oordeel dat de inhoud van de brief geen aanleiding vormt om het onderzoek te heropenen.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de stopzetting van de huurtoeslag van eiser in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Keurentjes, rechter, in aanwezigheid van mr. A.W. van Eerden, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 28 september 2026.
De griffier is verhinderd deze
uitspraak te ondertekenen
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving
Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen
Artikel 7
(…)
3. Indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming, indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 38.479, dan wel meer zou bedragen dan dit bedrag indien geen rekening wordt gehouden met de vrijstelling, bedoeld in artikel 5.13 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Indien de belanghebbende het gehele berekeningsjaar dezelfde partner heeft, bestaat geen aanspraak op een tegemoetkoming indien de belanghebbende en zijn partner aan het begin van het berekeningsjaar een gezamenlijke rendementsgrondslag als bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 hebben van meer dan € 76.958. Artikel 10.1, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 is van overeenkomstige toepassing op de bedragen, genoemd in dit lid.
Artikel 15
(…)
5. Een aanvraag wordt geacht mede te zijn gedaan voor op het berekeningsjaar volgende berekeningsjaren.
6. Indien de Dienst van oordeel is dat toepassing van het vijfde lid kan worden beëindigd, deelt hij dit de belanghebbende schriftelijk mee.
(…)
Wet op de huurtoeslag
Artikel 7
1. Het recht op en de hoogte van de huurtoeslag is afhankelijk van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen, van de huurder, diens partner en de medebewoners.
(…)
Wet inkomstenbelasting 2001
Artikel 5.3
1. De rendementsgrondslag is de waarde van de bezittingen verminderd met de waarde van de schulden.
2. Bezittingen zijn:
o a.onroerende zaken;
o b.rechten die direct of indirect op onroerende zaken betrekking hebben;
o c.roerende zaken die door de belastingplichtige en personen die behoren tot zijn huishouden niet voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt alsmede roerende zaken die voor persoonlijke doeleinden worden gebruikt of verbruikt doch hoofdzakelijk als belegging dienen;
o d.rechten op roerende zaken;
o e.rechten die niet op zaken betrekking hebben, waaronder geld en
o f.overige vermogensrechten, met waarde in het economische verkeer.