RECHTBANK Midden-Nederland
Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/587549 / HA ZA 25-54
Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van 9 mei 2025
in de zaak van
[eiser] ,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. C.M. van der Veer,
tegen
DE VOLKSBANK NV,
te Utrecht,
gedaagde partij,
hierna te noemen: de bank,
advocaat: mr. G.T. Flapper.
De zitting wordt gehouden in het gebouw van de rechtbank in Utrecht.
De zaak wordt behandeld door mr. N.A.J. Purcell, rechter, en mr. W.K.S. Dikkers als griffier.
Aanwezig zijn:
- [eiser] in persoon, bijgestaan door mr. C.M. van der Veer, en - namens Volksbank, [A] , [functie] , bijgestaan door mr. G.T. Flapper.
1. Het verloop van de procedure
het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding en voorlopige voorziening, met producties 1 t/m 14- de conclusie van antwoord, met producties 1 t/m 17
- de aanvullende producties 15 en 16 van [eiser]
Tijdens de mondelinge behandeling hebben partijen een schikking getroffen met betrekking tot de vorderingen zoals geformuleerd onder I t/m III in het petitum van de dagvaarding. [eiser] heeft deze vorderingen en zijn verzoek om een voorlopige voorziening vervolgens ingetrokken. Daarvan is een verkort proces-verbaal opgemaakt. Daarna hebben partijen op de zitting hun standpunten toegelicht en de vragen van de rechter beantwoord. De rechter heeft vervolgens de mondelinge behandeling gesloten en mondeling uitspraak gedaan. Die mondelinge uitspraak en de motivering daarvan is hieronder opgenomen in paragraaf 3 en 4. Paragraaf 2 is toegevoegd voor de duidelijkheid.
2. Waar gaat deze rechtszaak over?
[eiser] heeft bij zijn hypotheekaanvraag een vervalst bankafschrift ingediend om aan te tonen dat hij over ten minste € 16.000,- aan eigen middelen beschikte. De bank kwam hier pas achter nadat de hypotheek was verstrekt. De bank heeft om deze reden de bancaire relatie met [eiser] opgezegd en de hypothecaire geldlening opgeëist. Daarnaast heeft zij [eiser] voor de duur van acht jaar opgenomen in de registers. [eiser] eist nu verwijdering van deze registraties.
3. De beoordeling
De beslissing in het kort
Ik beperk de duur van de registratie in het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde Externe Verwijzingsregister tot zes jaar, met ingang vanaf het moment dat de registraties zijn ingeschreven.
[eiser] is terecht geregistreerd in de registers
[eiser] vraagt veroordeling van de bank om de registraties te verwijderen:
uit de Gebeurtenissenadministratie en het daaraan gekoppelde Interne Verwijzingsregister (IVR)
uit het Incidentenregister en het Extern Verwijzingsregister (EVR), en
bij het Bureau Kredietregistratie (BKR).
Voor opname in het interne waarschuwingssysteem is voldoende dat een gebeurtenis heeft plaatsgevonden die volgens de bank aandacht behoeft of een risico vormt. Registratie in het interne register is alleen zichtbaar voor medewerkers van de bank.
Wat er hier is gebeurd is duidelijk een gebeurtenis waarvan de bank intern mag vinden dat die aandacht behoeft of een risico vormt. Die registratie is dus terecht.
Als een gebeurtenis kwalificeert als incident in de zin van het Protocol Incidentenwaarschuwingssysteem Financiële Instellingen 2021 (Pifi) nemen banken deze ook op in het Incidentenregister. Het EVR is aan dit Incidentenregister gekoppeld. Als iemands persoonsgegevens in het EVR zijn opgenomen dan kunnen ook andere financiële instellingen deze inzien, voor de periode van maximaal acht jaar.
Voor registratie in het EVR moet volgens artikel 5.2.1 van het Pifi aan de volgende drie voorwaarden zijn voldaan:
De gedraging(en) van de (rechts)persoon vormden, vormen of kunnen een bedreiging vormen voor (I) de (financiële) belangen van cliënten en/of medewerkers van een Financiële Instelling, alsmede de (Organisatie van de) Financiële Instelling(en) zelf of (II) de continuïteit en/of de integriteit van de financiële sector.
In voldoende mate staat vast dat de betreffende (rechts)persoon betrokken is bij de onder a bedoelde gedraging(en). Deze vaststelling betekent dat van strafbare feiten in principe aangifte of klachte wordt gedaan bij een opsporingsambtenaar.
Het proportionaliteitsbeginsel wordt in acht genomen.
De drempel ligt duidelijk hoger dus dan voor opname in het interne waarschuwingssysteem. Opname in het externe waarschuwingssysteem is bijvoorbeeld aan de orde als iemand fraude heeft gepleegd.
Precies dat heeft u gedaan. In het kader van de hypotheekaanvraag heeft u een vervalst bankafschrift aangeleverd. Volgens het vervalste bankafschrift dat u heeft aangeleverd stond er op 29 april 2024 als eindsaldo € 21.565,43 op uw betaalrekening, terwijl er in werkelijkheid maar € 1,43 op stond.
U zegt dat u een fout heeft gemaakt, maar dat de ernst van deze gedraging wel meevalt. U heeft het benodigde bedrag aan eigen middelen immers kunnen financieren, want dat bedrag heeft u voor de levering van het appartement aan de notaris overgemaakt. Het appartement zou anders nooit zijn geleverd. Op basis van uw inkomen was u ook in staat de aflossing en de rentebetalingen te voldoen. Dat er twee keer te laat betaald is, maakt dat volgens u niet anders. De bank heeft er geen schade van, zegt u.
Het vervalsen van een bankafschrift kwalificeer ik om te beginnen toch wel als een gedraging die een dreiging vormt of kan vormen voor de (financiële) belangen de bank (eis a onder I, net genoemd). De reden dat u een bankafschrift heeft vervalst was ter verkrijging van een hypotheek, waarvan u wist dat u die anders waarschijnlijk niet zou krijgen. Voor de bank is van belang om te weten dat u over voldoende eigen middelen beschikt. Als een bank een lening verstrekt omdat de bank denkt dat iemand € 21.000 op een rekening heeft staan, terwijl er in feite € 1,43 op staat, is dat op zijn minst risico verhogend. Er is immers, los van de vraag naar voldoende eigen middelen voor de koop zelf, minder ruimte om tegenvallers op te vangen. Daarmee al kan het vervalsen van het bankafschrift een bedreiging vormen voor de financiële belangen van de bank zelf.
Maar ook als anders zou zijn, vormt de gedraging hoe dan ook een bedreiging voor de integriteit van de financiële sector als geheel (eis a onder II, net genoemd). Ook dat is een reden om u op te nemen in het externe waarschuwingssysteem. Daarbij gaat het om het principe. Als iemand een bankafschrift vervalst om een bepaalde financiering te verkrijgen, raakt dat aan de integriteit van de financiële sector. Banken willen mensen die dat soort dingen doen niet bedienen. En terecht. Het is deze gedraging die rechtvaardigt dat u in het externe register wordt opgenomen.
Ook aan eis (b) en (c) is voldaan. Dat sprake is van strafbare feiten staat voldoende vast. U erkent dat u het bankafschrift vervalst heeft. De proportionaliteit hangt vooral samen met de discussie over de duur van de registratie, en daar ga ik nu op in.
Opname in de registers voor de duur van zes jaar in plaats van acht jaar
De bank zegt in het kader van de proportionaliteit bij het bepalen van de duur van de registratie rekening te houden met vier factoren: (i) de gedraging zelf, (ii) het gevolg van de gedraging, (iii) de houding van cliënt bij en na het onderzoek en (iv) eventuele extra nadelige gevolg voor de cliënt. De bank stelt vast dat het in dit geval gaat om (i) vervalsing van een document in het kader van een hypotheekaanvraag, en dat vindt de bank ernstig. Het (ii) gevolg daarvan is dat de aanvrager een hypotheek krijgt waarvan minimaal niet duidelijk is of hij die had gekregen als hij geen fraude had gepleegd. Daarnaast zegt de bank dat (iii) de houding van [eiser] in zijn nadeel werkt. Hij wilde niet goed meewerken en heeft dingen gezegd die niet kloppen. De bank zegt ten slotte (iv) dat de registratie in het externe register geen extra nadelige gevolgen heeft voor [eiser] , omdat hij geen zelfstandige ondernemer is. Gelet op al deze factoren is een registratieduur van 8 jaar volgens de bank gerechtvaardigd.
Ik volg het toetsingskader en de factoren die de bank hanteert bij het bepalen van de registratieduur. De vierde factor zal ik alleen breder toepassen dan de bank doet. Ik betrek daar gewoon alle gevolgen van de registratie, niet alleen extra nadelige gevolgen.
(i) ernst van de gedraging
Het feit dat u een bankafschrift hebt aangepast om de aanwezigheid van voldoende eigen middelen aan te tonen, vind ik ook ernstig. Het gaat ook om het principe. Ik hou er daarom maar in beperkte mate rekening mee dat het niet ging om het meest essentiële stuk van de hypotheekaanvraag (zoals de werkgeversverklaring, loonstroken, IB aangiftes, en andere documenten die het opgevoerde inkomen en de stabiliteit daarvan onderbouwen).(ii) gevolg van de gedraging
Ik stel vast dat u door het aanleveren van het vervalste document de gewenste hypotheek hebt gekregen. Iemand bij de bank kon, op basis van de stukken die u heeft aangeleverd, alle vakjes afkruisen, inclusief het vakje voldoende eigen middelen, en groen licht geven. De gedraging heeft dus effect gehad. U had die hypotheek anders misschien niet gekregen.
Maar ik neem ook mee dat de bank hier uiteindelijk geen financiële schade van ondervindt. Ik ga ervan uit dat de woning onderhands verkocht wordt en de hele lening wordt afgelost. Dat de bank als gevolg van de gedraging geen schade leidt doet op zich niets af aan het principe, en bij de vraag of iemand geregistreerd moet worden gaat het er denk ik meer over het principe en de integriteit gaat dan over de vraag of de bank schade heeft geleden, maar ik weeg dit in enige mate mee.
(iii) houding
Uw houding pleit niet in uw voordeel. In het kader van het onderzoek door de bank, stel ik vast dat u niet van harte heeft meegewerkt. U heeft wisselend verklaard en niet altijd naar waarheid en daar komt bij dat u ook nog eens in deze procedure tegen de rechtbank heeft gelogen, omdat u in de dagvaarding stelt dat er in werkelijkheid (ongeveer) € 11.000 op uw rekening stond, terwijl dat niet juist was. De factor houding gaat u dus niet helpen.
(iv) gevolgen voor degene die geregistreerd wordt
Ten aanzien van de gevolgen van de registratie ben ik coulanter dan de bank. Ik verwijs bijvoorbeeld naar de overwegingen van een andere hypothecaire financier in de zaak die we eerder bespraken. Ik hou ook rekening met uw relatief jonge leeftijd, levensfase en wat de duur van de registratie daarvoor betekent.
Conclusie
Alles afwegende, beperk ik de registratie in het EVR van 8 jaar tot 6 jaar.
BKR registratie, datum einde registratie
Ten aanzien van de BKR registratie is niet méér aangevoerd dan voor de registratie in het EVR. De BKR registratie duurt 5 jaar. Ik zie geen aanleiding om die termijn in te korten.
Het is niet helemaal duidelijk per wanneer de registratie in het Incidentenregister en het Externe Verwijzingsregister is ingegaan; dat was ergens juni vorig jaar. Ik zal daarom, ter voorkoming van onduidelijkheid, de bank gelasten om de registratie per 1 juni 2030 te beëindigen.
Proceskosten
[eiser] is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Volksbank worden begroot op:
- griffierecht
€
714,00
- salaris advocaat
€
1.228,00
(2 punten × € 614,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
2.120,00
4 De beslissing
De rechtbank
gebiedt de bank de registraties in het Incidentenregister en het daaraan gekoppelde Externe Verwijzingsregister te verwijderen per 1 juni 2030,
veroordeelt [eiser] als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de kosten van deze procedure van € 2.120,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,
wijst het meer of anders gevorderde af.
Deze mondelinge uitspraak is gewezen door mr. N.A.J. Purcell en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van de griffier.
Hiervan is dit proces-verbaal opgemaakt.