Rechtbank Limburg
Familie en jeugd
Zittingsplaats Roermond
C/03/347757 / FA RK 25-2636Zaaknummer: C/03/347757 / FA RK 25-2636
Beschikking van 16 oktober 2026 over ouderlijke verantwoordelijkheden en kinderalimentatie
in de zaak van:
[de vrouw] ,
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de vrouw,
advocaat: mr. R.A.M. Verlijsdonk-Gerards;
en:
[de man] ,
wonende in [woonplaats 2] ,
hierna te noemen: de man,
advocaat: mr. M.A. Ploemen;
over de minderjarigen:
[minderjarige 1] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 1] 2016,
[minderjarige 2] , geboren in [geboorteplaats 1] op [geboortedag 2] 2019,
[minderjarige 3] , geboren in [geboorteplaats 2] op [geboortedag 3] 2021.
1. Het verloop van de procedure
Het procesverloop blijkt uit het volgende:
het verzoekschrift van de vrouw met bijlagen, ontvangen op 4 december 2025;
het verweerschrift met zelfstandig verzoek van de man, ontvangen op 10 februari 2026;
het verweerschrift tegen het zelfstandig verzoek, ontvangen op 13 maart 2026;
de akte wijziging/vermeerdering verzoek met bijlagen van de vrouw, ontvangen op 13 maart 2026;
het verweerschrift met gewijzigd/aanvullend zelfstandig verzoek met bijlagen van de man tegen de vermeerdering van het verzoek van de vrouw, ontvangen op 19 mei 2026;
het tweede gewijzigd en aanvullend zelfstandig verzoek met bijlagen van de man, ontvangen op 20 augustus 2026;
de brief van de vrouw met gewijzigde en aanvullende verzoeken met bijlagen, ontvangen op 25 augustus 2026;
het aanvullend verweerschrift met gewijzigd verzoek van de man met bijlagen tegen gewijzigde en aanvullende verzoeken van de vrouw, ontvangen op 31 augustus 2026;
de mondelinge behandeling met gesloten deuren, die heeft plaatsgevonden op 11 september 2026 en waarbij zijn verschenen:
de vrouw, bijgestaan door haar advocaat;
de man, bijgestaan door zijn advocaat;
Partijen hebben tijdens de mondelinge behandeling afgesproken dat zij nogmaals zullen proberen om een onderlinge regeling te treffen over de kinderalimentatie. Op [datum] 2026 hebben de man en de vrouw de rechtbank bericht dat het hen niet is gelukt om tot overeenstemming te komen.
2. De feiten
Bij beschikking van [datum] 2024 is de echtscheiding uitgesproken tussen de man en de vrouw. De ouders hebben het gezamenlijk gezag over de kinderen behouden. De ouders hebben in een echtscheidingsconvenant en ouderschapsplan, die deel uitmaken van de echtscheidingsbeschikking, afspraken gemaakt over onder andere de zorg- en opvoedingstaken en de kosten voor de kinderen. Deze afspraken houden onder meer in dat de kinderen in de even weken bij de man en in de oneven weken bij de vrouw verblijven. Daarnaast zijn de ouders overeengekomen dat zij beide de eigen kosten van inwoning van de kinderen dragen wanneer zij bij hen zijn. De verblijfsoverstijgende kosten worden voldaan vanuit een kinderrekening die de ouders gezamenlijk houden en waarop zij tot 1 september 2025 iedere maand een bedrag van € 281,50 per persoon storten. De kinderbijslag en kinderopvangtoeslag wordt eveneens doorgestort op deze kinderrekening. De regeling geldt tot 1 september 2025 en partijen hebben afgesproken dat zij in juni 2025 opnieuw met elkaar in overleg treden om de financiële afspraken per 1 september 2025 nader in te vullen.
3. Het verzoek van de vrouw
De vrouw verzoekt na wijziging, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair
de vrouw met ingang van 1 september 2025 te ontslaan uit de verplichting om in te leggen op de kinderrekening;
de vrouw vervangende toestemming te verlenen, die de toestemming van de man vervangt, om de door haar betaalde bijdrage op de kinderrekening met ingang van 1 september 2025 tot en met augustus 2026 van de kinderrekening af te halen, te weten een bedrag van € 3.481,60, te vermeerderen met € 294,45 per maand vanaf 1 september 2026 tot de te wijzen beschikking, uiterlijk binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking;
te bepalen dat de man gehouden is de kinderbijslag en de kinderopvangtoeslag binnen 5 dagen na ontvangst te storten op de kinderrekening;
te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2025 een bedrag van € 550,- per maand, ofwel € 183,- per kind per maand, aan de vrouw voldoet als bijdrage in de (verblijfs)kosten van de kinderen;
te bepalen dat de man met ingang van 1 september 2025 een bedrag van € 525,- stort op de kinderrekening;
subsidiair
te bepalen dat de man, als rechthebbende van de kinderbijslag en het KGB, gehouden is alle verblijfsoverstijgende kosten voor de kinderen voor zijn rekening te nemen;
te bepalen dat het saldo van € 5.326,31 op 31 augustus 2025 op de kinderrekening bij helfte wordt verdeeld, in die zin dat de vrouw recht heeft op de helft van dat bedrag, te weten € 2.663,15, en de man recht heeft op het restant, waarna de kinderrekening kan worden opgeheven;
de man te veroordelen om met ingang van 1 september 2025 een bedrag van € 550,- per maand, ofwel € 183,- per kind per maand, bij vooruitbetaling voor de eerste van de maand te voldoen aan de vrouw als bijdrage in de (verblijfs)kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, althans een zodanig bedrag met ingang van een zodanige datum als de rechtbank juist acht;
de man te veroordelen tot terugbetaling aan de vrouw van een bedrag van € 3.481,60 te vermeerderen met € 294,45 per maand vanaf 1 september 2026 tot de te wijzen beschikking, uiterlijk binnen veertien dagen na de te wijzen beschikking;
primair en subsidiair
de door de ouders overeengekomen vakantie- en feestdagenregeling zoals vastgelegd in het ouderschapsplan te wijzigen in de door de vrouw omschreven regeling;
kosten rechtens.
4. Het verweer en zelfstandig verzoek van de man
De man voert verweer en stelt zich op het standpunt dat de verzoeken van de vrouw moeten worden afgewezen.
De man verzoekt na wijziging, bij wege van zelfstandig verzoek, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
primair te bepalen dat de vrouw gehouden is om haar volledige medewerking te verlenen aan wijziging van het aanvragerschap van de kinderbijslag bij de SVB ten gunste van de man, waaronder door ondertekening van het daarvoor bestemde SVB-formulier;
subsidiair voor zover voor wijziging van het aanvragerschap toestemming, een verklaring en/of medewerking van de vrouw is vereist en deze niet vrijwillig wordt verleend, te bepalen dat de beschikking in de plaats treedt van de vereiste toestemming, verklaring en/of medewerking van de vrouw;
meer subsidiair te bepalen dat de man voor de toepassing van de kinderbijslag als aanvrager dient te worden aangemerkt;
de beschikking van de rechtbank van [datum] 2024 te wijzigen in die zin dat de man met ingang van de in deze zaak te wijzen beschikking een bedrag van € 519,- per maand dient te voldoen op de gezamenlijke kinderrekening en de vrouw een bedrag van € 3,- althans een door de rechtbank in goede justitie te bepalen bedrag;
te bepalen dat wijziging van het aanvragerschap onverlet laat dat de door de man ontvangen kinderbijslag overeenkomstig de tussen de ouders bestaande financiële systematiek binnen vijf werkdagen volledig op de kinderrekening wordt gestort;
althans een zodanige beslissing te nemen als de rechtbank in goede justitie juist acht.
5. Het oordeel van de rechtbank
Rechtsmacht en toepasselijk recht
De vrouw heeft de Slowaakse nationaliteit en de man en de kinderen hebben de Nederlandse nationaliteit. De zaak heeft daarmee een internationaal karakter, waardoor de rechtbank eerst moet beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft en welk recht moet worden toegepast. De rechtbank is van oordeel dat de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft, aangezien de kinderen hun gewone verblijfplaats in Nederland hebben. De rechtbank zal naar Nederlands recht op het verzoek beslissen.
De vakantie- en feestdagenregeling
Als er sprake is van gezamenlijk gezag, kunnen geschillen hierover door (een van) de ouders aan de rechtbank worden voorgelegd. De rechtbank kan een eerdere beslissing, of een door de ouders onderling getroffen regeling, over de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. De rechtbank neemt daarbij een beslissing die haar in het belang van het kind wenselijk voorkomt.
Overeenstemming Uniform Hulpaanbod
De ouders verschillen van mening over de door de moeder verzochte wijziging van de vakantie- en feestdagenregeling. Los van de vraag of er sprake is van een wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van deze regeling door de rechtbank rechtvaardigt, hebben partijen tijdens de zitting aangegeven dat zij hierover verder met elkaar in gesprek zullen gaan. Om daarnaast te werken aan hun onderlinge communicatie hebben de ouders tijdens de zitting ingestemd met deelname aan het jeugdhulptraject Nieuw Ouderschap (NO) in het kader van het UHA. De rechtbank zal dit daarom hierna onder 6 vastleggen. De rechtbank legt hieronder uit waarom.
De rechter heeft met de ouders tijdens de zitting, in aanwezigheid van de Raad, gesproken over het inzetten van het jeugdhulptraject NO in het kader van het UHA. De ouders zijn op dit moment goed in staat om uitvoering te geven aan co-ouderschap en het maken van afspraken over de dagelijkse zorg voor de kinderen verloopt vrijwel probleemloos. Dit is anders bij het maken van afspraken over de vakanties en feestdagen. De communicatie hierover gaat erg moeizaam. Dit is ook tijdens de zitting gebleken, waarbij de ouders het na overleg niet eens konden worden over het tijdstip van het wisselmoment op eerste kerstdag. De rechtbank zal hierover een beslissing nemen. De ouders zijn het erover eens dat het verzoek van de vrouw om de vakantie- en feestdagenregeling te wijzigen, voor het overige wordt aangehouden in afwachting van het jeugdhulptraject. Het is van belang dat de ouders in het kader van dit traject gaan leren om op een manier te communiceren die zo min mogelijk aanleiding geeft tot conflict, zodat zij in staat zijn en blijven om in het belang van de kinderen afspraken te maken.
De ouders hebben tijdens de zitting dan ook met de volgende voorwaarden ingestemd:
zij zullen zich maximaal inzetten om het jeugdhulptraject te laten slagen. Als blijkt dat dat niet het geval is geweest, kan de rechtbank daaraan de gevolgen verbinden die zij gerade acht;
zij zullen gedurende het traject geen nieuwe (juridische) procedures starten tegen de andere ouder;
de rechtbank deelt de persoonsgegevens van de ouders en de kinderen met het aanmeldpunt van het jeugdhulptraject. Het aanmeldpunt zal de zaak vervolgens verwijzen naar een jeugdhulpaanbieder die het lokale jeugdteam van de gemeente van de woonplaats van de kinderen informeert;
de rechtbank beslist pas op het verzoek als het jeugdhulptraject is afgerond en de rapportage van de jeugdhulpaanbieder door de rechtbank is ontvangen;
indien de rechtbank na ontvangst van de rapportage van de jeugdhulpaanbieder aanleiding ziet een (nader) raadsonderzoek te gelasten, zal dit aan de Raad en partijen worden doorgegeven, onder verzending van een kopie van een afschrift van het eindverslag van de jeugdhulpaanbieder aan de Raad.
Na afloop van het jeugdhulptraject zal de jeugdhulpaanbieder een eindrapportage opmaken over het verloop van het traject. Deze rapportage zal worden gedeeld met de rechtbank. Als het traject niet is gestart of vroegtijdig is beëindigd, zal de eindrapportage ook worden gedeeld met de Raad. In het laatste geval zal de Raad aan de rechtbank kenbaar maken of hij op grond van de eerder (bij deze beschikking) gegeven voorwaardelijke opdracht een onderzoek gaat verrichten, waarbij ook de eventuele eindrapportage van de jeugdhulpaanbieder kan worden meegewogen.
Voor zover de rechtbank daartoe na ontvangst van de eindrapportage van de jeugdhulpaanbieder aanleiding ziet, zal de Raad eveneens worden verzocht onderzoek te doen en advies uit te brengen.
Na binnenkomst van de eindrapportage van de jeugdhulpaanbieder en/of het raadsadvies zal de rechtbank de ouders in de gelegenheid stellen binnen twee weken daarop te reageren. De ouders dienen in hun reactie kenbaar te maken wat de rapportage(s) en het resultaat van het gevolgde jeugdhulptraject betekenen voor hun verzoek(en). Ook dienen zij kenbaar te maken of, en zo ja waarom, een voortzetting van de mondelinge behandeling noodzakelijk is. Indien de Raad de ouders alsnog heeft geadviseerd een jeugdhulptraject te volgen, dienen de ouders zich daar ook over uit te laten.
Het uitgangspunt is dat de termijn voor het uitbrengen van de eindrapportage door de jeugdhulpaanbieder wordt gehaald. Als de jeugdhulpaanbieder voorziet dat de termijn voor de eindrapportage niet wordt gehaald, moet de jeugdhulpaanbieder uiterlijk vier weken voor het verstrijken van die termijn, onder opgaaf van redenen, een verlenging aan de rechtbank vragen. Vooraf moet de desbetreffende jeugdhulpaanbieder al bij de gemeente van de woonplaats van de kinderen hebben aangegeven voornemens te zijn een verlenging bij de rechtbank te vragen.
De beslissing over de verdeling van de vakanties en feestdagen zal worden aangehouden voor de duur van acht maanden in afwachting van het te volgen jeugdhulptraject NO.
Verdeling kerstdagen
De ouders willen dat de rechtbank een beslissing neemt over de verdeling van de kerstdagen 2026. De ouders zijn het niet eens over het tijdstip van het wisselmoment op eerste kerstdag. De vrouw wil dat dat het wisselmoment om 15.00 uur plaatsvindt, zodat zij kan lunchen met de kinderen. De man wil dat het wisselmoment om 12.00 uur plaatsvindt, aangezien hij op deze dag met de kinderen de verjaardag van een familielid in Nijmegen wil vieren.
De ouders zijn in het ouderschapsplan overeengekomen dat het wisselmoment op eerste kerstdag om 12.00 uur plaatsvindt. De rechtbank ziet op dit moment geen reden om het wisselmoment op eerste kerstdag te wijzigen. De rechtbank is van oordeel dat de vrouw onvoldoende heeft onderbouwd waarom het in het belang van de kinderen is om het wisselmoment te wijzigen naar 15.00 uur. Zeker gelet op het belang van de man bij het behouden van het huidige wisselmoment. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw op dit punt daarom afwijzen.
Aanvrager kinderbijslag
Partijen zijn het erover eens dat de man met ingang van de datum van de beschikking de aanvrager en ontvanger van de kinderbijslag wordt. De vrouw heeft ook toegezegd dat zij hieraan haar medewerking zal verlenen. Gelet hierop heeft de man geen belang bij een beslissing van de rechtbank hierover. De verzoeken van de man met betrekking tot het aanvragen van de kinderbijslag zal de rechtbank daarom afwijzen.
De kosten van de kinderen
Behoud kinderrekening
De ouders willen allebei de kinderrekening behouden. Aangezien er geen enkele discussie is over het gebruik van deze rekening, zal de rechtbank de kinderrekening in stand laten. Dit betekent dat de rechtbank vervolgens een beslissing moet nemen op de verzoeken van de ouders om de bijdrage op deze rekening, en in de (verblijfs)kosten van de kinderen, te wijzigen.
Wettelijke grondslag
Allereerst moet de rechtbank beoordelen op grond van welke wettelijke bepaling de bijdrage kan worden gewijzigd.
De vrouw stelt dat dit op grond van artikel 1:253a BW of artikel 1:401 BW kan. De afspraak in het ouderschapsplan was tijdelijk, waardoor er inmiddels geen afspraak over de kinderalimentatie meer is. Het betreft daarom een nieuwe vaststelling. Als de rechtbank vindt dat het om een wijziging gaat, dan is de vrouw van mening dat de bijdrage van het begin af aan niet heeft voldaan aan de wettelijke maatstaven. Daarnaast is het inkomen van de vrouw lager en ontvangt zij minder kindgebonden budget (hierna: KGB) dan toen de ouders het ouderschapsplan zijn overeengekomen.
De man stelt dat er met de afspraak over de kinderrekening in het ouderschapsplan ten voordele van de kinderen is afgeweken van de wettelijke maatstaven. Aangezien de vrouw de afgesproken bijdrage is blijven voldoen, is er geen sprake van een miskenning geweest van de wettelijke maatstaven. Toen de vrouw het verzoek indiende was daarbij volgens de man geen sprake van gewijzigde omstandigheden. Ten slotte stelt de man dat op de afspraak artikel 1:159 BW naar analogie moet worden toegepast waardoor de afspraak, gelet op alles wat er is gebeurd, in stand moet blijven.
De rechtbank is van oordeel dat de verzoeken moeten worden beoordeeld op grond van artikel 1:401 BW. Het gaat in deze procedure namelijk om verzoeken tot wijziging van de hoogte van de (onder andere op de kinderrekening te storten) bijdrage, oftewel de berekeningssystematiek van de bijdrage in de kosten van de kinderen. De uitvoering van de afspraken over de kinderrekening zelf staat niet ter discussie.
Hoewel partijen een tijdelijke afspraak tot 1 september 2025 hebben gemaakt over de bijdrage in de kosten van de kinderen, zijn zij deze regeling ook na 1 september 2025 blijven uitvoeren, zodat deze regeling als uitgangspunt geldt. Die regeling kan op grond van voornoemd artikel worden gewijzigd als sprake is van een wijziging van omstandigheden. De rechtbank is van oordeel dat hier sprake van is. Het staat vast dat de vrouw een lager inkomen heeft dan tijdens het aangaan van de afspraak over de bijdrage in de kosten van de kinderen en dat zij, vanwege haar samenwoning, minder KGB ontvangt. Dit heeft gevolgen voor haar draagkracht en is een relevante wijziging van omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van de overeengekomen bijdrage rechtvaardigt.
Ingangsdatum
Vervolgens moet de rechtbank bepalen met ingang van welke datum de wijziging ingaat. De wet laat de rechter grote vrijheid bij het vaststellen van de ingangsdatum. De rechter kan een bijdrage wijzigen over een periode in het verleden, maar moet daar terughoudend mee omgaan omdat dit flinke gevolgen voor partijen kan hebben.
De vrouw verzoekt primair de bijdrage met ingang van 1 september 2025 te wijzigen. Tijdens de zitting heeft de vrouw subsidiair verzocht om de bijdrage te wijzigen met ingang van 1 januari 2026. Er dient dan één berekening te worden gemaakt tot de datum van de beschikking, waarbij de vrouw het KGB ontvangt, en één berekening vanaf de datum van de beschikking, waarbij de man het KGB ontvangt.
De man verzet zich tegen een wijziging met terugwerkende kracht en stelt zich op het standpunt dat de bijdrage met ingang van de datum van de beschikking moet worden gewijzigd. De man erkent weliswaar dat er een herbeoordeling van de afspraken rond 1 september 2025 was beoogd. De ouders zijn echter, bij gebrek aan nieuwe afspraken, dezelfde bijdrage blijven voldoen op de kinderrekening. Het feit dat de vrouw dezelfde bijdrage is blijven betalen en dat zij deze bijdrage zelfs heeft gecorrigeerd gelet op de inflatie, is moeilijk verenigbaar met haar stelling dat het voor partijen kenbaar was dat de bijdrage van de vrouw op nihil zou moeten worden gesteld met ingang van 1 september 2025. De man wijst erop dat de kinderrekening gedurende de betreffende periode goed heeft gefunctioneerd, beide ouders daarop hebben bijgedragen en dat daarvan de kosten van de kinderen zijn voldaan. Het is daarom onwenselijk om de kosten van de kinderrekening te verrekenen over een voorgaande periode.
De rechtbank overweegt dat de ouders afspraken over de verdeling van de kosten van de kinderen in het ouderschapsplan hebben opgenomen die gelden tot 1 september 2025, waarbij zij hebben afgesproken dat zij in juni 2025 opnieuw met elkaar in overleg treden om de financiële afspraken per 1 september 2025 nader in te vullen. Het is partijen niet gelukt om nadere afspraken te maken. Aangezien de vrouw na 1 september 2025 de afspraak uit het ouderschapsplan wel is blijven nakomen, hoefde de man er toen niet meteen rekening mee te houden dat hij tot een andere bijdrage in de kosten van de kinderen verplicht is. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor een wijziging met ingang van 1 september 2025. Evenwel had de man vanaf de indieningsdatum van het verzoek van de vrouw redelijkerwijs rekening kunnen houden met een andere verdeling van de kosten. De rechtbank vindt het daarom redelijk om in dit geval 1 januari 2026, zijnde de eerste dag van de maand nadat het verzoekschrift is ingediend, als ingangsdatum te hanteren.
Behoefte kinderen
De man en de vrouw zijn het erover eens dat de totale behoefte van de kinderen (geïndexeerd naar 2026) € 1.730,- per maand, oftewel € 577,- per kind per maand bedraagt. De rechtbank zal dan ook van dit bedrag uitgaan.
Draagkracht partijen
Bij de berekening van de bijdrage in de kosten van de kinderen moet worden vastgesteld wat ieder van de ouders kan betalen. Dat wordt ook wel de ‘draagkracht’ van de ouders genoemd. Volgens de wet moeten de ouders namelijk naar rato van ieders draagkracht in de behoefte van de kinderen voorzien.
Het inkomen van de man is vanaf 1 juli 2026 gewijzigd, omdat de man in ieder geval vanaf deze maand geen gebruik meer maakt van onbetaald ouderschapsverlof en zijn bruto salaris is gestegen. Daarnaast zijn partijen het erover eens dat met ingang van de beschikking de kinderen bij de man worden ingeschreven. Hierdoor zal de man de kinderbijslag en het KGB gaan ontvangen. De rechtbank gaat er, gezien de datum van de beschikking, van uit dat de man met ingang van 1 november 2026 de kinderbijslag en het KGB ontvangt. De rechtbank zal daarom verschillende berekeningen maken; één berekening over de periode van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026, één berekening vanaf 1 juli 2026 tot 1 november 2026 en één berekening vanaf 1 november 2026.
Van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026
Draagkracht man
De rechtbank gaat uit van een gemiddeld bruto maandinkomen van € 3.689,-. De rechtbank is uitgegaan van dit gemiddelde inkomen, omdat de man geen volledige inzage heeft gegeven in zijn financiële gegevens over deze periode. De rechtbank heeft aansluiting gezocht bij de cumulatieven, zoals opgenomen op de door de man overgelegde salarisstroken. Op basis van de correctie loonstrook van juni 2026 is geconstateerd dat de man een cumulatief bruto salaris heeft ontvangen van € 35.307,65 tot en met juni 2026, zijnde gemiddeld € 5.884,60 bruto per maand. Hierop werd in mindering gebracht het door de man opgenomen ouderschapsverlof. Dit bedroeg € 13.169,77 tot en met juni 2026 zoals blijkt uit de correctie loonstrook van juni 2026, zijnde gemiddeld € 2.194,96 per maand. Het bruto inkomen dat resteert aan de zijde van de man bedraagt dan ook afgerond € 3.689,- per maand. De tijdens de zitting ingenomen stelling van de vrouw over de verdiencapaciteit van de man is te laat naar voren gebracht, zodat de rechtbank daaraan voorbij zal gaan.
Verder houdt de rechtbank aan de zijde van de man rekening met een gemiddeld bedrag aan IKB van € 608,- per maand. Dit bedrag is berekend door het saldo keuzebudget zoals dit op de correctie loonstrook van juni 2026 vermeld staat, te delen door zes maanden. De rechtbank houdt rekening met dit bedrag aan IKB, omdat de man naar het oordeel van de rechtbank niet heeft aangetoond dat hij daadwerkelijk IKB gebruikt om verlofuren te kopen. Daarnaast heeft de man niet onderbouwd waarom het nodig zou zijn om extra verlofuren te kopen bij zijn huidige arbeidsomvang van 28 uur per week. Gelet op de draagkrachtberekening van de vrouw had de man wel rekening kunnen houden met een discussie rondom zijn IKB. Het had dan ook op zijn weg gelegen om bewijs te leveren van zijn stelling dat hij van het IKB daadwerkelijk verlofuren inkoopt.
De rechtbank houdt verder rekening met een gemiddeld bedrag aan premie AOP van € 9,- per maand en een gemiddeld bedrag aan premie pensioen/NP van € 434,- per maand, welke bedragen eveneens zijn afgeleid uit de cumulatieven die blijken uit de correctie loonstrook van juni 2026. Verder rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekering, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 3.360,- per maand.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Daarvoor maakt de rechtbank gebruik van de zogenoemde ‘draagkrachtformule’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. In die formule wordt ervan uitgegaan dat iemand 30% van zijn netto besteedbaar inkomen aan woonlasten mag uitgeven. De stelling van de vrouw, zoals ingenomen tijdens de zitting, dat er rekening moet worden gehouden met de werkelijke woonlasten van de man is te laat ingenomen. Als de vrouw van mening is dat aan de zijde van de man rekening moet worden gehouden met zijn werkelijke woonlasten, had zij dit eerder in de procedure moeten aanvoeren zodat de man hiertegen verweer had kunnen voeren. De rechtbank zal daarom aan deze stelling van de vrouw voorbijgaan. Het woonbudget van de man bedraagt in dit geval dan ook (30% van 3.360 =) € 1.008,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met het minimumbedrag voor overige lasten van € 1.365,- per maand.
Van het netto besteedbaar inkomen van de man blijft een bedrag van (3.360 -/- 1.008 -/- 1.365 =) € 987,- over. Daarvan is volgens de aanbevelingen van de Expertgroep Alimentatie 70% beschikbaar voor kinderalimentatie, dus € 691,- per maand. De overige 30% mag de man vrij besteden (de ‘vrije ruimte’). De draagkracht van de man over deze periode bedraagt daarmee € 691,- per maand.
Draagkracht vrouw
De rechtbank gaat uit van een bruto maandinkomen van de vrouw van € 1.805,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering, zoals blijkt uit de door haar overgelegde arbeidsovereenkomst en salarisstroken. De rechtbank vindt het, anders dan de man stelt, niet redelijk om uit te gaan van een verdiencapaciteit aan de zijde van de vrouw. De vrouw heeft onbetwist gesteld dat zij bij haar vorige werkgever is ontslagen. Sindsdien werkt zij 20 uur per week binnen een functie op haar niveau. De vrouw heeft onderbouwd dat een uitbreiding van haar arbeidsomvang niet mogelijk is bij haar huidige werkgever en zij heeft sollicitaties overgelegd. De vrouw heeft daarmee de stelling van de man naar het oordeel van de rechtbank voldoende betwist. De rechtbank verwacht wel dat de vrouw op termijn weer 28 uur per week gaat werken.
De rechtbank houdt rekening met een premie AOP van € 3,- per maand en een premie pensioen/NP van € 111,- per maand. Daarnaast wordt rekening gehouden met het door de vrouw te ontvangen KGB van € 1.443,- per jaar, zoals volgt uit de door haar overgelegde voorschotbeschikking 2026. Verder rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekering, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 2.106,- per maand.
Vervolgens bekijkt de rechtbank welk deel van dat inkomen kan worden gebruikt om bij te dragen in de kosten van de kinderen. Daarvoor geldt dat, gezien het netto besteedbaar inkomen van de vrouw, in beginsel gebruik wordt gemaakt van de zogenoemde ‘draagkrachttabel’ die de Expertgroep Alimentatie van de Rechtspraak heeft ontwikkeld. Volgens die tabel heeft iemand met een inkomen van € 2.100,- tot € 2.150,- per maand een draagkracht van € 109,- per maand. Echter, als de rechtbank hiervan uitgaat is er sprake van een groot tekort aan gezamenlijke draagkracht van partijen om in de totale behoefte van de kinderen te voorzien. De gezamenlijke draagkracht bedraagt dan namelijk (691 + 109 =) € 800,- per maand, terwijl de totale behoefte van de kinderen € 1.730,- per maand bedraagt. Dit is voor de rechtbank aanleiding om, zoals de man uitdrukkelijk en tijdig heeft verzocht en conform hetgeen de vrouw ook in haar eerste berekening heeft opgenomen, een correctie toe te passen op het woonbudget van de vrouw. Gelet op de duurzame samenwoning van de vrouw ziet de rechtbank aanleiding om rekening te houden met de helft van het woonbudget. De vrouw heeft namelijk onvoldoende onderbouwd dat haar nieuwe, verdienende, partner niet zou kunnen bijdragen in de woonlasten. De rechtbank zal daarom rekening houden met een bedrag aan woonlasten van (15% van 2.106 =) € 316,- per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met het minimumbedrag voor overige lasten, conform de draagkrachttabel die bij dit netto besteedbaar inkomen hoort, van € 1.315,- per maand.
Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft een bedrag van (2.106 -/- 316 -/- 1.315=) € 475,- over. Rekening houdend met de vrije ruimte, bedraagt de draagkracht van de vrouw over deze periode € 332,- per maand.
Vanaf 1 juli 2026 tot 1 november 2026
Draagkracht man
De rechtbank gaat uit van een bruto maandinkomen van € 4.881,-, zoals dit blijkt uit de salarisstrook van juli 2026. Er wordt, zoals in de eerdere periode is overwogen, geen rekening gehouden met een verdiencapaciteit aan de zijde van de man. De rechtbank houdt, zoals hiervoor ook is overwogen, wel rekening met een bedrag aan IKB van € 805,- per maand, een bedrag aan premie AOP van € 8,- per maand en een bedrag aan premie pensioen/NP van € 351,- per maand. Verder rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekering, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.089,- per maand.
Rekening houdend met het woonbudget van (30% van 4.089 =) € 1.227,-, aangezien (zoals hiervoor is overwogen) geen rekening wordt gehouden met werkelijke woonlasten aan de zijde van de man, en het minimumbedrag voor overige lasten van € 1.365,- per maand blijft van het netto besteedbaar inkomen van de man een bedrag van (4.089 -/- 1.227 -/- 1.365 =) € 1.497,- over. Gelet op de vrije ruimte, bedraagt de draagkracht van de man over deze periode € 1.048,- per maand.
Draagkracht vrouw
Aan de zijde van de vrouw zijn er ten opzichte van de berekende periode tot 1 juli 2026 geen veranderingen opgetreden om welke reden de rechtbank uitgaat van een draagkracht van de vrouw over de periode vanaf 1 juli 2026 tot 1 november 2026 van € 332,- per maand. Voor de wijze van berekening van dit bedrag wordt verwezen naar dat wat in de vorige periode is overwogen. Omdat ook in de huidige periode de gezamenlijke draagkracht van partijen bij toepassing van het tabelbedrag voor de vrouw lager is dan de totale behoefte van de kinderen, namelijk (1.048 + 109 =) € 1.157,- per maand tegenover een behoefte van € 1.730,- per maand, wordt ook hier rekening gehouden met de lagere woonlast van de vrouw.
Vanaf 1 november 2026
Draagkracht man
De rechtbank gaat voor het inkomen van de man uit van het inkomen dat hij vanaf 1 juli 2026 ontvangt, zijnde een bruto maandinkomen van € 4.881,- en een bedrag aan IKB van € 805,- per maand. Voor de overwegingen over de verdiencapaciteit en het IKB wordt verwezen naar dat wat in de periode van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 is overwogen.
De rechtbank houdt daarnaast rekening met een bedrag aan premie AOP van € 8,- per maand en een bedrag aan premie pensioen/NP van € 351,- per maand.
Omdat partijen zijn overeengekomen dat de kinderen vanaf de datum van de beschikking op het adres van de man zullen worden ingeschreven, is hij gerechtigd tot het KGB. De rechtbank berekent dat de man met dit inkomen recht heeft op een KGB van € 8.557,- per jaar. Verder rekening houdend met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekering, berekent de rechtbank het netto besteedbaar inkomen van de man op € 4.802,- per maand.
Rekening houdend met het woonbudget van (30% van 4.802 =) € 1.441,- en het minimumbedrag voor overige lasten van € 1.365,- per maand blijft van het netto besteedbaar inkomen van de man een bedrag van (4.802 -/- 1.441 -/- 1.365 =) € 1.996,- over. Gelet op de vrije ruimte, bedraagt de draagkracht van de man over deze periode € 1.397,- per maand.
Draagkracht vrouw
De rechtbank gaat wederom uit van een bruto maandinkomen van de vrouw van € 1.805,- per maand, te vermeerderen met 8% vakantietoeslag en 8,33% eindejaarsuitkering. De rechtbank houdt opnieuw rekening met een premie AOP van € 3,- per maand en een premie pensioen/NP van € 111,- per maand. Verder houdt de rechtbank rekening met de algemene heffingskorting, de arbeidskorting, de inkomensafhankelijke combinatiekorting en de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekering. De rechtbank houdt echter geen rekening meer met een door de vrouw te ontvangen KGB. De rechtbank berekent het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 1.986,- per maand.
Op basis van de draagkrachttabel zou de vrouw een draagkracht hebben van € 50,- per maand. Gezamenlijk zouden partijen dan wederom te weinig draagkracht hebben om in de behoefte van de kinderen te kunnen voorzien. Partijen hebben dan namelijk een draagkracht van (1.397 + 50 = ) € 1.447,- per maand tegenover een behoefte van € 1.730,- per maand. Om die reden houdt de rechtbank ook in deze periode rekening met een lager woonbudget aan de zijde van de vrouw.
De rechtbank houdt daarom rekening met een bedrag aan woonlasten van (15% van 1.986 =) € 298,-. Daarnaast wordt rekening gehouden met het minimumbedrag voor overige lasten, dat hoort bij een netto besteedbaar inkomen van € 1.986,- per maand, van € 1.315,- per maand. Van het netto besteedbaar inkomen van de vrouw blijft een bedrag van (1.986 -/- 298 -/- 1.315 =) € 373,- per maand over. Volgens de draagkrachttabel hoort bij dit netto besteedbaar inkomen een draagkrachtpercentage van 100%. De rechtbank zal daarom ook van dit percentage uitgaan. De draagkracht van de vrouw over deze periode bedraagt daarmee € 373,- per maand.
Verdeling van de kosten
Als de ouders samen genoeg draagkracht hebben voor alle kosten van hun kinderen, dan moet de rechter berekenen wie welk deel van de kosten voor zijn rekening moet nemen. Dat wordt ook wel de ‘draagkrachtvergelijking’ genoemd.
Van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026
Zoals hiervoor is berekend, had de vrouw in deze periode een draagkracht van € 332,- per maand en de man een draagkracht van € 691,- per maand. Samen hadden ze dus een draagkracht van € 1.023,- per maand. Dit is niet genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen, want die bedragen (577 x 3 =) € 1.730,- per maand. De ouders hadden samen dus een bedrag van € 707,- tekort. Zij zullen daarom ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken. Dat betekent dat de man een kinderbijdrage van (691 / 3 =) € 230,- per kind per maand moet betalen en de vrouw (332 / 3 =) € 110,- per kind per maand.
Van 1 juli 2026 tot 1 november 2026
De ouders hadden over deze periode gezamenlijk een draagkracht van (1.048 + 332 =) € 1.380,- per maand. Dit is niet genoeg om alle kosten van de kinderen te betalen. De ouders hadden samen een bedrag van € 350,- tekort. Zij zullen daarom ieder hun volledige draagkracht moeten gebruiken. Dat betekent dat de man een kinderbijdrage van (1.048 / 3 =) € 349,- per kind per maand moet betalen en de vrouw (332 / 3 =) € 110,- per kind per maand.
Vanaf 1 november 2026
De ouders hadden over deze periode gezamenlijk een draagkracht van (373 + 1.397 =) € 1.770,- per maand. Dat is genoeg om alle kosten voor de kinderen te betalen. Dit betekent dat de man een deel van (1.397 / 1.770 x 1.730 =) € 1.365,- per maand moet dragen, oftewel (1.365 / 3 =) € 455,- per kind per maand. De vrouw moet een deel van (373 / 1.770 x 1.730 =) € 365,- per maand dragen, oftewel (365 / 3 =) € 122,- per kind per maand.
Zorgkorting
Normaal gesproken krijgt de ouder die de kinderbijdrage moet betalen een korting op die bijdrage, omdat die ouder al een deel van de kosten betaalt op het moment dat een kind bij hem verblijft. Dat wordt ook wel de ‘zorgkorting’ genoemd. De rechtbank zal in dit geval echter geen zorgkorting toepassen. Toepassing van de zorgkorting veronderstelt namelijk dat de ouder die de kinderbijdrage ontvangt, deze bijdrage ook gebruikt om in de volledige verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen te voorzien. Partijen hebben echter afgesproken dat zij ieder voorzien in hun eigen verblijfskosten van de kinderen en dat de verblijfsoverstijgende kosten van een gezamenlijke kinderrekening worden betaald. De rechtbank zal dan ook de totaal beschikbare draagkracht verdelen in die verhouding dat 35% beschikbaar is voor de verblijfskosten van de kinderen bij de man, 35% beschikbaar is voor de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw en 30% beschikbaar is voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen die van de kinderrekening worden voldaan.
Van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026
De totale draagkracht over deze periode bedraagt € 1.023,- per maand. Daarvan is, op basis van bovenstaand uitgangspunt, beschikbaar een bedrag van € 358,- per maand voor de verblijfskosten bij de man en € 358,- per maand voor de verblijfskosten bij de vrouw. Vervolgens resteert er een bedrag van € 307,- per maand voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen.
De vrouw heeft onvoldoende draagkracht om te voorzien in haar deel van de verblijfskosten van de kinderen. Haar deel bedraagt namelijk (332 -/- 358 =) - € 26,- per maand, oftewel - € 9,- per kind per maand. Dit betekent dat de man over deze periode een bedrag van € 9,- per kind per maand in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw moet bijdragen. Daarnaast moet de man (307 / 3 =) € 102,- per kind per maand op de kinderrekening storten voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. De man houdt na aftrek van de door hem te betalen bedragen voldoende draagkracht over om in zijn deel van de verblijfskosten te kunnen voorzien, namelijk (691 -/- 26 -/- 307 =) € 358,- per maand.
Van 1 juli 2026 tot 1 november 2026
De totale draagkracht over deze periode bedraagt € 1.380,- per maand. Daarvan is beschikbaar een bedrag van € 483,- per maand voor de verblijfskosten bij de man en € 483,- per maand voor de verblijfskosten bij de vrouw. Vervolgens resteert er een bedrag van € 414,- per maand voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen.
De vrouw heeft onvoldoende draagkracht om te voorzien in haar deel van de verblijfskosten van de kinderen. Haar deel bedraagt namelijk (332 -/- 483 =) - € 151,- per maand, oftewel - € 50,- per kind per maand. Dit betekent dat de man over deze periode een bedrag van € 50,- per kind per maand in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw moet bijdragen. Daarnaast moet de man (414 / 3 =) € 138,- per kind per maand op de kinderrekening storten voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. De man houdt na aftrek van de door hem te betalen bedragen voldoende draagkracht over om in zijn deel van de verblijfskosten te kunnen voorzien, namelijk (1.048 -/- 151 -/- 414 =) € 483,- per maand.
Vanaf 1 november 2026
Aangezien er over deze periode geen sprake is van een tekort in gezamenlijke draagkracht, heeft de rechtbank de verdeling van de kosten berekend aan de hand van welk bedrag de man en de vrouw moeten bijdragen in de behoefte van de kinderen. Dit is € 1.365,- per maand aan de zijde van de man en € 365,- per maand aan de zijde van de vrouw. De totale beschikbare draagkracht bedraagt dan ook € 1.730,- per maand. Daarvan is, rekening houdend met de hierboven genoemde verdeling, € 605,- per maand beschikbaar voor de verblijfskosten bij de man en € 605,- per maand voor de verblijfskosten bij de vrouw. Vervolgens resteert er een bedrag van € 520,- per maand voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen.
De vrouw heeft onvoldoende draagkracht om te voorzien in haar deel van de verblijfskosten van de kinderen. Haar deel bedraagt namelijk (365 -/- 605 =) - € 240,- per maand, oftewel - € 80,- per kind per maand. Dit betekent dat de man over deze periode een bedrag van € 80,- per kind per maand in de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw moet bijdragen. Daarnaast moet de man (520 / 3 =) € 173,- per kind per maand op de kinderrekening storten voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. De man houdt na aftrek van de door hem te betalen bedragen voldoende draagkracht over om in zijn deel van de verblijfskosten te kunnen voorzien, namelijk (1.365 -/- 240 -/- 520 =) € 605,- per maand.
Nog verschuldigde bedragen
Uit de voorgaande berekeningen blijkt dat de man, gelet op zijn draagkracht, vanaf 1 januari 2026 had moeten bijdragen aan de verblijfskosten van de kinderen bij de vrouw en dat hij met een hoger bedrag had moeten bijdragen aan de kinderrekening waarvan de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen worden voldaan.
Dit betekent dat de man aan de vrouw over de periode van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 een bedrag dient te betalen van (6 x 26 =) € 156,- als bijdrage voor de verblijfskosten van de kinderen en een aanvullend bedrag op de kinderrekening dient te storten van (6 x (307 - 294,45) =) € 75,30 voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de bedragen die de man over de betreffende maanden al op de kinderrekening heeft gestort.
Voor de periode van 1 juli 2026 tot 1 november 2026 betekent dit dat de man een bedrag aan de vrouw van (4 x 151 =) € 604,- dient te betalen als bijdrage voor de verblijfskosten van de kinderen en een aanvullend bedrag op de kinderrekening dient te storten van (4 x (414 - 294,45) =) € 478,20 voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. Ook hierbij heeft de rechtbank rekening gehouden met de bedragen die de man in deze periode al op de kinderrekening heeft gestort.
In totaal dient de man te voldoen:
Aan de vrouw: € 156 + € 604 = € 760,-
Op de kinderrekening: € 75,30 + € 478,20 = € 553,50
Uit de berekeningen volgt ook dat de vrouw vanaf 1 januari 2026 geen draagkracht had voor een bijdrage aan de verblijfsoverstijgende kosten op de kinderrekening. Het voorgaande betekent dat de rechtbank het verzoek van de vrouw om haar te ontslaan uit haar verplichting om bij te dragen op de kinderrekening zal toewijzen per 1 januari 2026. Dit heeft tot gevolg dat de vrouw in de periode van 1 januari 2026 tot 1 november 2026 een bedrag van (10 x 294,45 =) € 2.944,50 te veel heeft bijgedragen aan de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen. De rechtbank zal de vrouw vervangende toestemming verlenen, die de toestemming van de man vervangt, om haar inleg over deze periode ter hoogte van € 2.944,50 van de kinderrekening af te halen. Daarbij gaat de rechtbank er, gelet op de onbetwiste stelling van de vrouw hierover, vanuit dat de kinderrekening hiervoor voldoende saldo heeft. De rechtbank zal het overige of meerdere dat de vrouw in dit kader (subsidiair) heeft verzocht, afwijzen.
Kinderbijslag en kinderopvangtoeslag
Partijen hebben overeenstemming over het storten van de kinderbijslag door de man op de kinderrekening binnen vijf dagen na ontvangst daarvan. Deze afspraak, alsook een vergelijkbare afspraak over de kinderopvangtoeslag, hebben partijen eveneens (weliswaar toen uit te voeren door de vrouw in plaats van de man) opgenomen in het ouderschapsplan. Gelet op de overeenstemming hebben partijen geen belang meer bij een beslissing op dit punt. De rechtbank zal het verzoek van de man en het verzoek van de vrouw op dit punt dan ook afwijzen.
6. De beslissing
De rechtbank:
stelt de ouders in de gelegenheid om deel te nemen aan het jeugdhulptraject Nieuw Ouderschap in het kader van het Uniforme Hulpaanbod;
geeft, indien het jeugdhulptraject niet wordt gestart of voortijdig wordt beëindigd, voorwaardelijk opdracht aan de Raad om onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over de verdeling van de vakanties en feestdagen;
geeft, indien het jeugdhulptraject is doorlopen en voor zover de rechtbank daartoe aanleiding ziet, eveneens voorwaardelijk opdracht aan de Raad om onderzoek te doen naar en advies uit te brengen over de verdeling van de vakanties en feestdagen. De rechtbank zal partijen en de Raad hiervan zo spoedig mogelijk na ontvangst van de rapportage van de jeugdhulpaanbieder informeren en een afschrift van de rapportage van de jeugdhulpaanbieder aan de Raad doen toekomen;
bepaalt dat de ouders in kennis worden gesteld van de mogelijkheid om te reageren op de ingediende stukken (de rapportage van de jeugdhulpaanbieder en/of de rapportage van de Raad);
houdt iedere verdere beslissing over de verdeling van de vakanties en feestdagen en over de proceskosten aan in afwachting van de rapportage van de jeugdhulpaanbieder en/of het rapport en advies van de Raad, pro forma voor de duur van acht maanden;
wijzigt de beschikking van deze rechtbank van [datum] 2024 en het daaraan gehechte ouderschapsplan voor zover het de afspraken over de verdeling van de kosten van de kinderen betreft als volgt:
over de periode van 1 januari 2026 tot 1 juli 2026 betaalt de man aan de vrouw een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen van € 26,- per maand (in totaal € 156,-) en stort de man een bedrag van in totaal voor deze gehele periode € 75,30 (zijnde € 307,- per maand – de reeds betaalde € 294,45 per maand) op de kinderrekening ten behoeve van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen;
over de periode van 1 juli 2026 tot 1 november 2026 betaalt de man aan de vrouw een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen van € 151,- per maand (in totaal € 604,-) en stort de man een bedrag in totaal voor deze gehele periode € 478,20 (zijnde € 414,- per maand – de reeds betaalde € 294,45 per maand) op de kinderrekening ten behoeve van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen;
met ingang van 1 november 2026 betaalt de man aan de vrouw een bijdrage in de verblijfskosten van de kinderen van € 240,- per maand en stort de man een bedrag van
€ 520,- per maand op de kinderrekening ten behoeve van de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen;
- de vrouw wordt met ingang 1 januari 2026 ontslagen van haar verplichting om een bedrag voor de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen te storten op de kinderrekening;
verleent de vrouw vervangende toestemming, die de toestemming van de man vervangt, om de door haar gestorte bedragen op de kinderrekening over de periode van 1 januari 2026 tot 1 november 2026 van de kinderrekening af te halen, ter grootte van een bedrag van € 2.944,50;
verklaart de beslissing onder 6.6 en 6.7 uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.J. Vogels, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. B. Merkx, griffier, op 16 oktober 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.
Bijlage 1: de alimentatieberekeningen