RECHTBANK LIMBURG
Zittingsplaats Maastricht
Familie en jeugd
Datum uitspraak: 15 oktober 2026
C/03/348979 / FA RK 26-143Zaaknummer: C/03/348979 / FA RK 26-143
De enkelvoudige kamer, belast met de behandeling van burgerlijke zaken, heeft de navolgende beschikking gegeven inzake:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. M.M. Hoelbeek, kantoorhoudend in Sittard, gemeente Sittard-Geleen,
en:
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonend in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J.H.J. Köhlen, kantoorhoudend in Urmond, gemeente Stein,
hierna te noemen: ‘partijen’ dan wel ‘de ouders’.
In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is bij deze zaak betrokken: de Raad voor de Kinderbescherming, regio Limburg, locatie Maastricht, hierna te noemen: de raad.
1. Het verloop van de procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
het verzoekschrift (met bijlagen) van de zijde van de moeder, binnengekomen op 23 januari 2026;
het verweerschrift, tevens houdende een zelfstandig verzoek (met bijlagen) van de zijde van de vader, binnengekomen op 20 maart 2026;
het F9-formulier (met bijlagen) van de zijde van de vader, gedateerd 3 juli 2026;
het F9-formulier (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 3 juli 2026;
het F9-formulier (met bijlagen) van de zijde van de moeder, gedateerd 14 juli 2026;
de door de advocaten van partijen tijdens de hierna genoemde mondelinge behandeling voorgedragen en overgelegde pleitaantekeningen.
De zaak is behandeld tijdens de mondelinge behandeling met gesloten deuren op 14 juli 2026. Daarbij zijn verschenen partijen, bijgestaan door hun advocaten, alsook een vertegenwoordiger van de raad.
Nadien is beschikking bepaald op heden.
2. De feiten
De ouders hebben een relatie met elkaar gehad. Deze relatie is in februari 2022 beëindigd.
De ouders hebben nooit samengewoond.
Uit de beëindigde relatie van de ouders is op [geboortedag] 2021 in [geboorteplaats] de minderjarige [minderjarige] geboren.
De vader heeft [minderjarige] erkend.
Uit een daartoe bestemde aantekening in het gezagsregister blijkt dat de ouders gezamenlijk het gezag uitoefenen over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
De ouders zijn geen vastomlijnde verdeling van zorg- en opvoedingstaken overeengekomen noch is deze in rechte vastgesteld. Wel vindt er regelmatig contact tussen de vader en [minderjarige] plaats als hij bij zijn grootouders (vaderszijde) verblijft.
In april 2023 zijn de ouders (mondeling) overeengekomen dat de vader aan de moeder een bedrag van € 200,00 per maand zal betalen als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] .
3. Het geschil
De moeder verzoekt, na wijziging c.q. vermindering van haar verzoeken tijdens de mondelinge behandeling, om – zo begrijpt de rechtbank – bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
het gezamenlijk gezag van de moeder en vader te beëindigen en de moeder voortaan te belasten met het eenhoofdig gezag over [minderjarige] ;
de door partijen overeengekomen onderhoudsverplichting van de vader jegens [minderjarige] (kinderalimentatie) in die zin te wijzigen dat de vader vanaf 12 maart 2025, dan wel vanaf de datum van dit verzoekschrift, dan wel vanaf een datum die de rechtbank in goede justitie juist acht, maandelijks bij vooruitbetaling, een bedrag van € 249,00 per maand aan kinderalimentatie aan de moeder verschuldigd is;
voor recht te verklaren dat de thans voor de vader ten aanzien van [minderjarige] geldende onderhoudsverplichting (kinderalimentatie) van rechtswege voor het eerst op 1 januari 2024 is geïndexeerd en dat deze per 1 januari 2024 € 212,40 per maand bedroeg, per 1 januari 2025 € 226,21 per maand bedroeg, en thans, per 1 januari 2026 € 236,62 per maand bedraagt;
de vader te veroordelen tot betaling van de achterstallige alimentatie, bestaande uit de onterecht door de vader niet betaalde indexaties over deze onderhoudsverplichting over de periode van 2023 tot en met het moment van wijziging van deze alimentatieplicht;
de vader tegen behoorlijk bewijs van kwijting te veroordelen tot betaling van de proceskosten van moeder, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van de beschikking, en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten te rekenen vanaf verstrijking van voornoemde termijn tot aan de dag van algehele voldoening.
De vader voert verweer en concludeert tot afwijzing van hetgeen de moeder verzoekt. Daarbij verzoekt de vader bij wijze van zelfstandig verzoek om bij beschikking, voor zover de wet dit toelaat uitvoerbaar bij voorraad:
I. primair: te bepalen dat de door de vader aan de moeder verschuldigde kinderalimentatie over de voorgaande jaren wordt uitgesloten van indexering, dan wel om te bepalen dat die indexering over die jaren op nihil c.q. 0% wordt gesteld;subsidiair: te bepalen dat de vader eventuele aan de moeder verschuldigde indexering reeds heeft voldaan, doordat deze verrekend dient te worden met de bedragen die de vader aan alimentatie heeft voldaan over de maanden dat hij in werkelijkheid geen of onvoldoende draagkracht had om kinderalimentatie aan de moeder te voldoen;
II. de moeder te veroordelen tot betaling van de proceskosten van de vader en de nakosten, een en ander te voldoen binnen 14 dagen na dagtekening van uw beschikking en – voor het geval voldoening van de (na)kosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt – deze kosten te vermeerderen met de wettelijke rente over de (na)kosten, te rekenen vanaf verstrijking van voornoemde termijn tot aan de dag der algehele voldoening;
III. te bepalen dat de moeder binnen twee jaar na de door de rechtbank in deze te wijzen beschikking geen nieuwe procedure inhoudende een wijziging van de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] mag opstarten.
De moeder voert tijdens de mondelinge behandeling verweer tegen de zelfstandige verzoeken van de vader en zij concludeert tot afwijzing daarvan. Daarbij handhaaft de moeder haar verzoeken.
4. De beoordeling:
Ten aanzien van het gezag
Op grond van artikel 1:253n lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechtbank op verzoek van niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag beëindigen, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Alsdan bepaalt de rechtbank aan wie van de ouders voortaan het gezag over ieder van de kinderen toekomt. In het tweede lid van artikel 1:253n BW is bepaald dat – onder meer – het eerste lid van artikel 1:251a BW van overeenkomstige toepassing is. Dit houdt in dat het gezamenlijk gezag kan worden
beëindigd indien a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zal komen, of b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Op grond van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling, stelt de rechtbank vast dat de onderlinge communicatie en verstandhouding tussen de ouders sinds het beëindigen van hun relatie in toenemende mate verstoord is geraakt. Naar het oordeel van de rechtbank vormt dit voldoende grond voor de conclusie dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in voornoemd artikel 1:253n lid 1 BW. De rechtbank komt daarmee toe aan een inhoudelijke beoordeling van het verzoek van de moeder onder 1.
De rechtbank stelt voorop dat gezamenlijke uitoefening van het gezag het uitgangspunt is van de wetgever. Slechts in uitzonderingsgevallen, zoals hiervoor genoemd, kan van dit uitgangspunt worden afgeweken. De rechtbank is – in lijn met het standpunt van de raad tijdens de mondelinge behandeling – van oordeel dat niet is gebleken dat in het onderhavige geval zich een van de situaties als bedoeld in artikel 1:251a lid 1 BW voordoet. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.
De moeder baseert haar verzoek allereerst op het standpunt dat de communicatie tussen haar en de vader zodanig verstoord c.q. afwezig is dat het voor haar niet mogelijk is om gezamenlijk met de vader binnen een aanvaardbare termijn gezagsbeslissingen te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de moeder dit standpunt, mede bezien in het licht van het gemotiveerde verweer van de vader, onvoldoende onderbouwd. Daarbij overweegt de rechtbank dat op grond van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling enerzijds weliswaar kan worden geconcludeerd dat de vader begin 2025 onvoldoende voortvarend heeft meegewerkt aan het inschrijven van [minderjarige] op een basisschool, maar dat anderzijds is gebleken dat de vader zijn medewerking uiteindelijk toch heeft verleend en dat bovendien gesteld noch gebleken is dat de vader nadien de moeder heeft belemmerd bij het maken van gezagsbeslissingen. Het gegeven dat de communicatie tussen de ouders verstoord is, acht de rechtbank weliswaar zeer zorgelijk en niet in het belang van [minderjarige] , maar daarin ziet de rechtbank in de gegeven omstandigheden als zodanig onvoldoende grond om het gezamenlijk gezag te beëindigen. Daarbij overweegt de rechtbank dat het ontbreken van (goede) communicatie, niet zonder meer met zich brengt dat in het belang van het kind het gezamenlijk gezag moet worden beëindigd. Weliswaar kunnen de ouders (nog) niet, in ieder geval niet goed, met elkaar communiceren, maar niet is gebleken dat de vader de moeder zonder meer belemmert om gezagsbeslissingen te nemen dan wel dat de vader anderszins misbruik maakt van zijn gezagspositie. De rechtbank betrekt daarbij dat de vader tijdens de mondelinge behandeling nadrukkelijk heeft toegezegd dat hij naar de toekomst toe via Whatsapp bereikbaar zal zijn voor de moeder en zijn medewerking zal verlenen aan gezamenlijke gezagsbeslissingen. Het is nu de taak en verantwoordelijkheid van de beide ouders om zich in het belang van [minderjarige] in te spannen om samen eventuele belemmeringen in de uitoefening van het gezag zoveel mogelijk weg te nemen. In dat kader acht de rechtbank het – in lijn met het standpunt van de raad tijdens de mondelinge behandeling – noodzakelijk dat de vader en de moeder, als ouders van [minderjarige] en niet als ex-partners, in het belang van [minderjarige] hun onderlinge communicatie zullen gaan verbeteren. Zo nodig dienen de ouders zich daarvoor te wenden tot professionele hulpverlening.
De moeder baseert haar verzoek verder nog op het standpunt dat de vader zeer waarschijnlijk met middelenproblematiek kampt en in huis verdovende middelen gebruikt alsook dat de vader kampt met agressieproblematiek waarbij hij in het bijzijn van [minderjarige] verbaal agressief is geweest richting de moeder. Naar het oordeel van de rechtbank betreffen dit ernstige beschuldigingen aan het adres van de vader die een gedegen onderbouwing vereisen. Die onderbouwing moet immers de conclusie kunnen dragen dat de vader kampt met zodanige problematiek en zodanig gedrag vertoont dat daarmee de grenzen van het toelaatbare zijn overschreden en wijziging van het gezag in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is. De rechtbank stelt echter vast dat de moeder haar stellingen niet nader heeft onderbouwd, hetgeen gelet op het gemotiveerde verweer van de vader wel op haar weg had gelegen. Daarbij betrekt de rechtbank dat de vader weliswaar erkent dat hij af en toe een joint rookt thuis, maar dat hij met klem weerspreekt dat hij dit in het bijzijn van [minderjarige] doet. In zoverre kan naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet, althans niet zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, worden geconcludeerd dat de vader kampt met middelenproblematiek. Wat betreft de gestelde agressieproblematiek komt de rechtbank tot eenzelfde oordeel. Daarbij betrekt de rechtbank dat de moeder haar standpunt slechts baseert op één voorval dat op Vaderdag in 2024 heeft plaatsgevonden en dat de lezingen van partijen over wat toen precies is voorgevallen, haaks op elkaar staan. Dit nog los van het feit dat het betreffende voorval inmiddels meer dan twee jaar geleden heeft plaatsgevonden en gesteld noch gebleken is dat er zich nadien nog soortelijke voorvallen hebben voorgedaan.
Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank – in lijn met het advies van de raad tijdens de mondelinge behandeling – het verzoek van de moeder onder 1. afwijzen.
Ten aanzien van de kinderalimentatie
Wijziging van omstandigheden?
Gelet op de stellingen van de moeder, begrijpt de rechtbank dat zij haar verzoek onder 2. baseert op een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, op grond waarvan de onderling overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zoals vermeld onder 2.8. niet langer aan de wettelijke maatstaven zou voldoen en voor wijziging vatbaar is.
Op grond van artikel 1:401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak of een overeenkomst betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven. Beoordeeld moet dan worden of sprake is van een wijziging van de omstandigheden zoals die door de rechter ten tijde van diens eerdere beslissing zijn vastgesteld respectievelijk van de omstandigheden waarvan partijen bij het sluiten van de overeenkomst zijn uitgegaan. Daarbij is niet iedere wijziging van omstandigheden voldoende voor wijziging van de onderhoudsbijdrage maar zijn alleen die wijzigingen waardoor het aanvankelijk vastgestelde dan wel overeengekomen bedrag niet langer voldoet aan wettelijke maatstaven, rechtens relevant.
De moeder stelt zich allereerst op het standpunt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden doordat de inkomenssituatie van partijen inmiddels ingrijpend is veranderd c.q. gestegen. De rechtbank volgt de moeder niet in dit standpunt. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Gelet op de stellingen van partijen stelt de rechtbank allereerst vast dat zij in 2023 bij het sluiten van de overeenkomst met betrekking tot de huidige kinderbijdrage zijn uitgegaan van hun inkomenspositie in 2022. Daarvan uitgaande stelt de rechtbank op grond van de stellingen van de moeder en de door haar overgelegde stukken vast dat haar inkomen vanaf 2022 weliswaar is gestegen maar dat dit onverlet laat dat haar inkomen altijd zodanig laag is geweest (en nog steeds is) dat zij slechts een minimumdraagkracht heeft van € 25,00 per maand. In zoverre is dan ook geen sprake van een wijziging van de draagkracht van de moeder en daarmee ook niet van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden. Wat betreft het inkomen van de vader in 2022 stelt de rechtbank vast dat uit de door de vader als productie 25 overgelegde ‘verklaring geregistreerd inkomen’ van de belastingdienst volgt dat hij in dat jaar een inkomen had van € 30.935,00 bruto per jaar, welk bedrag grosso modo in lijn is met het door de moeder geschatte inkomen van de vader in 2022 van € 32.500,00 bruto per jaar zoals vermeld in het door de moeder als productie 7 overgelegde verzoekschrift uit 2022 (dat onder meer betrekking had op kinderalimentatie) en in de daarbij behorende draagkrachtberekeningen. Met betrekking tot het inkomen van de vader in de daaropvolgende jaren – 2023 t/m 2025 – zijn partijen het erover eens dat uitgegaan moet worden van het inkomen dat de vader gemiddeld in die jaren heeft verdiend, nu zijn inkomen erg wisselend was (en is). De moeder heeft in haar pleitaantekeningen dit gemiddelde inkomen onweersproken becijferd op € 32.753,33 bruto per jaar, uitgaande van een inkomen in 2023 van € 29.600,00 bruto per jaar, in 2024 van € 39.124,00 bruto per jaar en in 2025 van € 29.536,00 bruto per jaar. Indien en voor zover dit gemiddelde inkomen wordt afgezet tegen het inkomen van de vader in 2022 dan volgt daar naar het oordeel van de rechtbank uit dat er geen sprake is van een duurzame stijging van het inkomen van de vader. In zoverre is er aan de zijde van de vader dan ook geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.
Voor zover de moeder zich verder nog op het standpunt stelt dat er sprake is van een wijziging van omstandigheden doordat [minderjarige] al geruime tijd bij de moeder verblijft en sinds 2023 vrijwel geen omgang heeft met de vader, volgt de rechtbank de moeder eveneens niet in haar standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat op grond van de overgelegde stukken en hetgeen is besproken tijdens de mondelinge behandeling weliswaar is gebleken dat de vader [minderjarige] sinds 2023 slechts sporadisch bij hem thuis heeft ontvangen (in het kader van begeleide omgang) maar dat dit onverlet laat dat de vader [minderjarige] wel regelmatig ziet en contact met hem heeft als hij bij de ouders van de vader verblijft. De rechtbank betrekt daarbij dat de vader onweersproken heeft toegelicht dat hij [minderjarige] juist bij zijn ouders ziet omdat hij alleen de zorg voor [minderjarige] niet aankan vanwege zijn beperkingen. In zoverre is er naar het oordeel van de rechtbank ook wat betreft het contact tussen de vader en [minderjarige] geen sprake van een rechtens relevante wijziging van omstandigheden.
Alles overziend komt de rechtbank tot de conclusie dat er in de gegeven omstandigheden geen sprake is van een wijziging van omstandigheden als bedoeld in artikel 1:401 lid 1 BW, op grond waarvan de onderling overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] niet langer aan de wettelijke maatstaven zou voldoen. De rechtbank zal het verzoek van de moeder onder 2. dan ook afwijzen.
Indexeren van de overeengekomen kinderalimentatie vanaf 2024?
De rechtbank stelt vast dat zowel de verzoeken van de moeder onder 3. en 4. als het verzoek van de vader onder I. betrekking hebben op – kort gezegd – de vraag of de wettelijke indexering als bedoeld in artikel 1:402a BW over de jaren 2024 tot en met 2026 op de overeengekomen kinderbijdrage moet worden toegepast dan wel over één of meerdere van deze jaren moet worden uitgesloten. Vanwege de samenhang van de verzoeken, zal de rechtbank deze hierna gezamenlijk beoordelen.
De rechtbank stelt allereerst vast dat tussen partijen als zodanig niet in geschil is dat de vader de wettelijke indexering tot nu toe niet heeft toegepast op de overeengekomen kinderbijdrage en dat hij sinds april 2023 altijd het initieel overeengekomen bedrag van € 200,00 per maand aan de moeder is blijven betalen. Daarvan uitgaande stelt de moeder zich op het standpunt dat de vader de wettelijke indexering echter wel had moeten toepassen en dat zij daarom nu met haar verzoeken beoogt om – kort gezegd – te bewerkstelligen dat de vader de verschuldigde achterstallige wettelijke indexering alsnog aan haar zal voldoen. De vader op zijn beurt stelt zich op het standpunt dat zijn inkomen in de jaren 2023 tot en met 2026 niet is toegenomen en zelf lager is geweest ten opzichte van zijn inkomen in 2022 en dat daarom – zo begrijpt de rechtbank – de wettelijk indexatie over die jaren uitgesloten moet worden.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 1:402a lid 1 BW volgt dat de bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst vastgestelde bedragen voor levensonderhoud jaarlijks van rechtswege gewijzigd worden met een door de Minister van Justitie vast te stellen percentage, te weten het indexeringspercentage. Deze jaarlijkse wijziging van rechtswege kan echter op grond van artikel 1:402a lid 5 BW bij rechterlijke uitspraak of bij overeenkomst geheel of voor een bepaalde tijdsduur worden uitgesloten. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat daarbij het uitgangspunt is dat de uitsluiting van de wettelijke indexering door de rechter gebaseerd dient te zijn op de omstandigheid dat de veronderstelling waarvan de wet in artikel 1:402a lid 1 BW uitgaat – te weten dat het inkomen van de alimentatieplichtige bij overigens gelijkblijvende omstandigheden wijziging ondergaat overeenkomstig het daar vermelde algemene indexcijfer – in het door de rechter te beslissen individuele geval niet opgaat (bijvoorbeeld: Hoge Raad 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1481, NJ 1995/61). Voor de vraag of er aanleiding bestaat om de wettelijke indexering voor de over een bepaald jaar verschuldigde alimentatie (te beperken of) uit te sluiten zijn van belang de gegevens inzake de draagkracht (en behoeftigheid) met betrekking tot dat jaar (Hoge Raad 1 februari 1980, NJ 1980/317). Daarbij dient de onderhoudsplichtige aan te tonen dat de vermoedelijke stijging van inkomsten waar de wettelijke regeling uitgaat, in zijn geval niet opgaat (Hoge Raad 17 maart 1981, NJ 1981/481).
Uitgaande van het feit dat partijen in april 2023 de huidige kinderbijdrage zijn overeengekomen, betekent dit dat deze kinderbijdrage in beginsel voor het eerst van rechtswege geïndexeerd zou moeten worden per 1 januari 2024. Zoals uit voormelde jurisprudentie volgt dient voor de vraag of met betrekking tot dat jaar – 2024 – de wettelijke indexering uitgesloten moet worden, uitgegaan te worden van het inkomen van de vader in datzelfde jaar. Indien het hiervoor onder 4.9. vermelde inkomen van de vader over het jaar 2024 wordt afgezet tegen zijn inkomen in voorgaande jaar 2023, dan stelt de rechtbank vast dat sprake is van een stijging van het inkomen van de vader in 2024 ten opzichte van zijn inkomen in 2023 (alsook ten opzichte van zijn inkomen in 2022) die groter is dan het indexeringspercentage per 1 januari 2024 van 6,2%. Gelet daarop ziet de rechtbank aanleiding om te oordelen dat de overeengekomen bijdrage van € 200,00 per maand, per 1 januari 2024 vermeerderd dient te worden met de wettelijke indexering, zodat de bijdrage dan vanaf 1 januari 2024 € 212,40 per maand bedraagt.
Wat betreft het jaar 2025 komt de rechtbank tot een tegenovergesteld oordeel. Daarbij overweegt de rechtbank dat er over het jaar 2025 sprake is van een significante daling van het inkomen van de vader, in die zin dat zijn inkomen in 2025 grosso modo weer op hetzelfde niveau zit als in 2023 (en 2022). Van een stijging aan inkomen die min of meer in gelijke mate opgaat met het indexeringspercentage per 1 januari 2025 van 6,5% is dan ook geen sprake, zodat de wettelijke indexering per 1 januari 2025 zal worden uitgesloten.
Gelet op de formulering van het primaire verzoek onder I. van de vader, stelt de rechtbank vast dat dit verzoek enkel betrekking heeft op jaren 2024 en 2025. Daarbij betrekt de rechtbank dat dit verzoek zich toespitst op de “ [..]verschuldigde kinderalimentatie over de voorgaande jaren..[..]”. Voor zover de vader zich op het standpunt stelt dat de wettelijke indexering ook per 1 januari 2026 uitgesloten zou moeten worden, gaat de rechtbank daaraan dan ook voorbij. Dit betekent dat de voormelde (geïndexeerde) bijdrage van € 212,40 per maand, per 1 januari 2026 met een percentage van 4,6% dient te worden geïndexeerd zodat de verschuldigde kinderbijdrage dan € 222,17 per maand bedraagt.
Zoals hiervoor al is overwogen, is niet in geschil dat de vader de wettelijke indexering tot nu toe niet heeft toegepast op de overeengekomen kinderbijdrage en dat hij sinds april 2023 altijd het initieel overeengekomen bedrag van € 200,00 per maand aan de moeder is blijven betalen. Dit maakt dat er inmiddels een achterstand is ontstaan in de alimentatieverplichting van de vader vanaf 1 januari 2024. De rechtbank becijfert deze achterstand als volgt.
2024: 12 2024: 12 x (€ 212,40 -/- € 200,00) = € 148,80;
2024: 12 2025: 12 x (€ 212,40 -/- € 200,00) = € 148,80;
2024: 12 2026 (tot en met oktober): 10 x € 222,17 -/- € 200,00) = € 221,70.
In totaal bedraagt de achterstand tot en met oktober 2026 dan € 519,30. Dit bedrag is de vader nog aan de moeder verschuldigd, naast de huidige (geïndexeerde) kinderbijdrage. De rechtbank gaat er daarbij vanuit dat de vader vanaf de maand november 2026 uit eigen beweging en telkens bij vooruitbetaling de thans verschuldigde kinderbijdrage van € 221,70 per maand aan de moeder zal voldoen.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal de rechtbank met betrekking tot de verzoeken van de moeder onder 3. en 4. en het primaire verzoek van de vader onder I. beslissen als hierna onder de beslissing vermeld.
De rechtbank zal het subsidiaire verzoek van de vader onder I. afwijzen. Daartoe overweegt de rechtbank dat dit verzoek impliceert dat er over de periode van 1 januari 2024 tot en met heden en herbeoordeling dient plaats te vinden van de geldende kinderbijdragen. Een dergelijk verzoek van de zijde van de vader ligt echter niet voor en het verzoek van de moeder onder 2 en 3 ter zake zal (deels) worden afgewezen.
Verbod aan de moeder om nieuwe kinderalimentatie te starten?
De vader verzoekt onder III. te bepalen dat de moeder binnen twee jaar na de door de rechtbank in deze te wijzen beschikking geen nieuwe procedure inhoudende een wijziging van de door de vader te betalen bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van [minderjarige] mag opstarten. Ter onderbouwing van dit verzoek stelt de vader zich op het standpunt dat er aan de zijde van de moeder sprake is van misbruik van procesrecht omdat zij geen gegronde redenen had om wijziging van de overeengekomen kinderalimentatie te verzoeken in de onderhavige procedure. De rechtbank volgt de vader niet in dit standpunt. Daarbij overweegt de rechtbank dat de moeder, als onderhoudsgerechtigde ouder, op basis van haar eigen (gewijzigde) financiële situatie en op basis van de gegevens die tot haar beschikking stonden ter zake de financiële situatie van de vader, als zodanig tot een eigen afweging en standpuntbepaling mocht komen. Gelet daarop en nu bovendien de moeder in de onderhavige procedure wat betreft de wettelijke indexering (groten)deels in het gelijk wordt gesteld, is naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken van misbruik van procesrecht door de moeder. Daarbij betrekt de rechtbank verder nog dat niet is gebleken dat de moeder na het moment waarop partijen in april 2023 de huidige kinderbijdrage zijn overeengekomen, nog andere procedures heeft geëntameerd tegen de vader.
Ten aanzien van de proceskosten
Omdat partijen ex-partners van elkaar zijn en – zoals hiervoor al is overwogen – niet van misbruik van procesrecht is gebleken, zullen de proceskosten op grond van artikel 237 lid 1 Rv worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.
5. De beslissing
De rechtbank:
bepaalt dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zoals vermeld onder 2.8. voor wat betreft het jaar 2025 op grond van artikel 1:402a lid 5 BW wordt uitgesloten van de wettelijke indexering zoals bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW;
verklaart voor recht dat de tussen partijen overeengekomen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] zoals vermeld onder 2.8. op grond van de wettelijke indexering zoals bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW per 1 januari 2024 € 212,40 per maand bedraagt en per 1 januari 2026 € 222,17 per maand bedraagt;
bepaalt dat de vader aan de moeder een totaalbedrag dient te betalen van € 519,30 ter zake nog verschuldigde wettelijke indexering zoals bedoeld in artikel 1:402a lid 1 BW over de periode van 1 januari 2024 tot 1 november 2026;
verklaart de beslissingen tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
compenseert de kosten van deze procedure, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. L.N. Geerman, (kinder)rechter en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 15 oktober 2026.
Tegen deze beschikking kan - uitsluitend door tussenkomst van een advocaat - hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te 's-Hertogenbosch:
a. door de verzoekende partij en degenen aan wie een afschrift van de beschikking (vanwege de griffier) is verstrekt of verzonden, binnen 3 maanden na de dag van de uitspraak;
b. door andere belanghebbenden binnen 3 maanden na betekening daarvan of nadat de beschikking hun op andere wijze bekend is geworden.