ECLI:NL:RBLIM:2026:10353

ECLI:NL:RBLIM:2026:10353

Instantie Rechtbank Limburg
Datum uitspraak 14-10-2026
Datum publicatie 30-09-2026
Zaaknummer 12321018 \ CV EXPL 26-3927
Rechtsgebied Civiel recht; Verbintenissenrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Roermond

Samenvatting

Betalingsverplichting hangt niet af van de ontvangst van een correcte factuur. Het beroep op opschorting wordt verworpen.

Uitspraak

RECHTBANK LIMBURG

Civiel recht

Kantonrechter

Zittingsplaats Roermond

Zaaknummer: 12321018 \ CV EXPL 26-3927

Vonnis van 14 oktober 2026

in de zaak van

[eisende partij] ,

te [plaats 1] ,

eisende partij,

gemachtigde: mr. M.M.G.J. Thimister,

tegen

[gedaagde partij] ,

te [plaats 2] ,

gedaagde partij,

procederend in persoon.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met bijlagen- de conclusie van antwoord- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald

- de mondelinge behandeling van 17 september 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.

Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

Tussen partijen is in februari 2025 een koopovereenkomst tot stand gekomen op grond waarvan eiser aan gedaagde materialen moest leveren ten behoeve van het plaatsen van een schuifpui door gedaagde bij een derde tegen betaling van een koopprijs van

€ 15.385,15 inclusief btw. Op 10 februari 2025 heeft gedaagde een aanbetaling gedaan van € 7.692,58, zijnde 50% van de op dat moment overeengekomen totale koopsom.

Nadien is de stelpost kraankosten ad € 786,50 gecrediteerd. Daardoor bedroeg de koopsom geen € 15.385,15 inclusief btw meer, maar € 14.598,65 inclusief btw.

Per (deels aangepaste) factuur van 21 mei 2025 (met vervaldatum 4 juni 2025) deelde eiser aan gedaagde mee dat de totale koopprijs € 14.598,65 inclusief btw bedroeg en maakte hij aanspraak op ‘de andere 50%’ van de koopprijs, een bedrag van € 7.299,33. Gedaagde protesteerde daar direct - en (ook volgens eiser) terecht - tegen, per whatsapp-bericht van 22 mei 2025. Gedaagde had namelijk op basis van de oorspronkelijke koopprijs al € 7.692,58 (en dus meer dan € 7.299,33) betaald.

Omdat gedaagde niet overging tot betaling van het restantbedrag, werd er vanuit het boekhoudsysteem van eiser op 3 juli 2025 automatisch een herinnering gestuurd voor betaling van - het onjuiste bedrag - € 7.299,33.

Op 11 oktober 2025 is nog een bedrag van € 369,05 gecrediteerd vanwege door gedaagde uitgevoerde afwerkingswerkzaamheden bij de afnemer van de schuifpui. Eiser maakte vervolgens aanspraak op betaling van € 6.930,28 (€ 7.299,33 - € 369,05).

Per brief van 18 maart 2026 heeft de gemachtigde van eiser gedaagde gesommeerd om binnen veertien dagen tot betaling van € 6.437,02 over te gaan.

Gedaagde heeft na de aanbetaling van 10 februari 2025 geen betalingen meer gedaan.

3. Het geschil

Eiser vordert - samengevat - veroordeling van gedaagde tot betaling van € 6.537,02 in hoofdsom en € 701,85 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met rente en proceskosten.

Gedaagde voert verweer. Gedaagde concludeert tot afwijzing van de vorderingen van eiser, met veroordeling van eiser in de kosten van deze procedure.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4. De beoordeling

Hoofdsom

Eiser legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij zijn verplichtingen uit de koopovereenkomst is nagekomen door levering van de overeengekomen materialen. Op gedaagde rust daarom de verplichting om de daarvoor verschuldigde koopsom te voldoen. Het restant van de koopsom bedraagt, na aftrek van wat al is betaald en de gedane twee crediteringen, € 6.537,02. Gedaagde weigert ten onrechte om dit bedrag te betalen.

Gedaagde heeft tijdens de mondelinge behandeling erkend dat hij de door eiser gevorderde hoofdsom van € 6.537,02 nog niet heeft betaald. Gedaagde beroept zich - kort gezegd - op opschorting van zijn betalingsverplichting omdat volgens hem de wijze van facturering door eiser niet klopt. Gedaagde vindt dat er eerst een juiste en controleerbare factuur moet komen.

De kantonrechter overweegt dat de betalingsverplichting van gedaagde ontstaat als gevolg van het door eiser leveren van de overeengekomen materialen en niet afhangt van de ontvangst van een correcte factuur. Een factuur is ook niet meer dan een verzoek om de geleverde materialen te betalen, doorgaans binnen een bepaalde termijn. Als zodanig is het opstellen en verzenden van een factuur geen prestatie (verbintenis) die uit de overeenkomst van partijen volgt. Een onjuiste factuur dan wel het ontbreken van een creditfactuur verhindert op zich niet dat gedaagde betaalt wat hij voor de aan hem geleverde materialen is verschuldigd. En wat gedaagde aan eiser was verschuldigd, daar kon in redelijkheid bij gedaagde geen misverstand over bestaan. De kantonrechter verwijst in dit verband naar het arrest van Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 8 november 2022 (ECLI:NL:GHARL:2022:9626). Het beroep op opschorting van zijn betalingsverplichting wordt daarom verworpen. De gevorderde hoofdsom van € 6.537,02 zal worden toegewezen.

Wettelijke handelsrente

Eiser vordert primair de wettelijke handelsrente over de hoofdsom vanaf

5 juni 2025. Eiser heeft daartoe gesteld dat de factuur van 21 mei 2025 een uiterste betaaldatum kent van 4 juni 2025. Nu gedaagde het verschuldigde bedrag niet uiterlijk op

4 juni 2025 heeft voldaan, is hij vanaf 5 juni 2025 van rechtswege in verzuim geraakt, aldus eiser.

Uit het whatsapp-bericht van gedaagde van 22 mei 2025 volgt dat voor hem klip en klaar was wat hij aan eiser moest betalen (toen nog het bedrag van € 6.906,07), ondanks dat dit bedrag niet correct op de factuur stond. De kantonrechter volgt eiser dan ook in zijn stelling dat gedaagde vanaf 5 juni 2025 in verzuim is geraakt, en zal de wettelijke handelsrente vanaf die datum toewijzen over de gevorderde - lagere - hoofdsom.

Buitengerechtelijke incassokosten

Eiser vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. De kantonrechter overweegt daarover als volgt.

Eiser heeft op 21 mei 2025 een nieuwe factuur aan gedaagde verstuurd voor de ‘tweede 50%’ van de betalingsverplichting. Op die factuur staat wel de juiste - nieuwe -totale koopsom van € 14.598,65 vermeld, maar niet het correcte bedrag dat nog moest worden betaald. Gedaagde heeft daar meteen over gereclameerd. Desondanks ontving gedaagde op 3 juli 2025 een herinnering voor het verkeerde nog te betalen bedrag.

Op 9 juli 2025 bleef eiser in de e-mailcorrespondentie met gedaagde aanspraak maken op het te hoge bedrag van € 7.299,33, waarna gedaagde eiser er nogmaals op gewezen heeft dat hij er in mei 2025 al op had gewezen dat dit bedrag niet klopt. Op 11 oktober 2025 stuurde eiser aan gedaagde een creditnota en maakte hij aanspraak op betaling van het restantbedrag, maar daarbij heeft eiser wederom als uitgangspunt genomen het te hoge bedrag van

€ 7.299,33. Tot slot heeft de gemachtigde van eiser op 18 maart 2026 nog een aanmaning gestuurd aan gedaagde, waarin dan weliswaar het te hoge bedrag is gecorrigeerd, maar waarbij aanspraak is gemaakt op € 6.437,02. Dat is opnieuw niet het bedrag dat gedaagde nog verschuldigd was.

De kantonrechter stelt vast dat eiser, ondanks daarop meerdere malen door gedaagde te zijn gewezen, steeds aanspraak is blijven maken op een onjuist bedrag. Op geen enkel moment in de buitengerechtelijke fase is aanspraak gemaakt op het correcte bedrag van

€ 6.537,02. Om die reden is geen plaats voor toekenning van een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten en daarom zal de gevorderde vergoeding worden afgewezen.

Proceskosten

Gedaagde is grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van eiser worden begroot op:

- kosten van de dagvaarding

€

129,54

- griffierecht

€

265,00

- salaris gemachtigde

€

720,00

(2 punten × € 360,00)

- nakosten

€

144,00

(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)

Totaal

€

1.258,54

De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.

5. De beslissing

De kantonrechter

veroordeelt gedaagde om aan eiser te betalen een bedrag van € 6.537,02, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW vanaf 5 juni 2025 tot de dag van volledige betaling,

veroordeelt gedaagde in de proceskosten van € 1.258,54, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als gedaagde niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,

veroordeelt gedaagde tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Boekhorst en in het openbaar uitgesproken op 14 oktober 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand