ECLI:NL:RBGEL:2026:8215

ECLI:NL:RBGEL:2026:8215

Instantie Rechtbank Gelderland
Datum uitspraak 23-10-2026
Datum publicatie 22-10-2026
Zaaknummer ARN 25/854
Rechtsgebied Bestuursrecht; Belastingrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Inkomstenbelasting. Gebruikelijk loon in de bezwaarfase verlaagd. Geen verdere verlaging.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

uitspraak van de enkelvoudige belastingkamer van 23 oktober 2026

[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende

de inspecteur van de Belastingdienst, kantoor Utrecht, de inspecteur.

Samenvatting

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/854

in de zaak tussen

(gemachtigde: [gemachtigde] ),

en

Deze uitspraak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2020 en de daarbij in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende is het niet eens met de aanslag en de belastingrente. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt of voor het jaar 2020 de zo genaamde ‘gebruikelijkloonregeling’ op belanghebbende van toepassing is.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Dit betekent dat de aanslag en de belastingrente worden gehandhaafd. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

1. De inspecteur heeft aan belanghebbende voor het jaar 2020 een aanslag IB/PVV (de aanslag) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 65.660. Gelijktijdig met de vaststelling van de aanslag heeft de inspecteur € 1.742 belastingrente in rekening gebracht (de belastingrentebeschikking)

2. De inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 13 januari 2025 het bezwaar van belanghebbende gegrond verklaard. De inspecteur heeft daarbij de aanslag verlaagd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 56.585 en heeft de belastingrentebeschikking overeenkomstig verminderd.

3. Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld.

4. De rechtbank heeft het beroep op 16 september 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: belanghebbende, bijgestaan door haar gemachtigde, [persoon 1] en [persoon 2] . Namens de inspecteur zijn verschenen [persoon 3] , [persoon 4] en [persoon 5] .

Feiten

5. Belanghebbende is geboren op [geboortedag] 1965 en heeft in het belastingjaar 2020 geen fiscale partner.

6. Belanghebbende heeft het gehele jaar 2020 samen met haar zoon (20 jaar geworden in 2020) en haar dochter (19 jaar geworden in 2020) ingeschreven gestaan op het adres [adres] te Blaricum.

7. Belanghebbende is sinds 4 mei 2016 enig bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf] B.V. (de BV). De activiteiten van de BV bestonden in het jaar 2020 uit de verkoop van tweedehandskleding. De BV had het gehele jaar 2020 twee vestigingen, te Blaricum en te ’s-Hertogenbosch.

8. De BV heeft op 1 juli 2023 haar aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2021 ingediend. Hierin wordt het gecorrigeerde gebruikelijk loon van de belastingjaren 2018 (€ 45.000), 2019 (€ 45.000) en 2020 (€ 46.000) als overige buitengewone last (totaal € 136.000) in aftrek gebracht. De € 136.000 aan loonkosten is omgezet in een rekening-courantvordering van belanghebbende op de BV. Op 31 december 2021 is het saldo van deze vordering € 97.449.

9. Op 22 maart 2021 heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2020 ingediend. Het aangegeven verzamelinkomen bedraagt € 19.660 en bestaat uit een inkomen uit werk en woning (box 1) van € 19.660. In de aangifte heeft belanghebbende geen uit de BV afkomstige genoten inkomsten aangegeven.

10. Met dagtekening 20 oktober 2023 is de aanslag IB/PVV 2020 opgelegd. Hierbij is het aangegeven inkomen uit werk en woning verhoogd met een gebruikelijk loon in de zin van artikel 12a van de Wet op de loonbelasting 1964 (Wet LB) ter grootte van € 46.000.

11. In de bezwaarfase heeft de inspecteur het gebruikelijk loon verlaagd van € 46.000 naar € 36.925. Als gevolg hiervan is het belastbaar inkomen uit werk en woning verlaagd naar € 56.585.

Beoordeling door de rechtbank

12. Op grond van artikel 12a van de Wet LB moet ingeval een aanmerkelijkbelanghouder werkzaamheden verricht voor de vennootschap, een gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen.

13. Volgens haar aangiften loonbelasting in het belastingjaar 2020 had de BV geen werknemers in dienst. Dit betekent dat belanghebbende, aanmerkelijkbelanghouder in de BV, in 2020 alle werkzaamheden heeft verricht voor de BV zodat deze de in haar aangifte vennootschapsbelasting (Vpb) 2020 aangegeven omzet van € 84.635 kon behalen. Er moet derhalve voor belanghebbende gebruikelijk loon in aanmerking worden genomen en wel een loon van ten minste € 46.000. Het is aan belanghebbende om bewijs te leveren dat moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon.

14. Belanghebbende stelt dat zij in het jaar 2020 niet fulltime heeft kunnen werken. Het door haar hierbij genoemde verlenen van mantelzorg aan haar in 2018 overleden partner kan in het jaar 2020 geen rol spelen.

Dat belanghebbende, zoals zij aangeeft, voor haar zoon moet zorgen, heeft zij niet onderbouwd qua aard en omvang van de zorg. Bovendien had de zoon dat jaar eigen inkomsten. Daarnaast geldt dat, ook als wel vast zou staan dat belanghebbende in deeltijd werkte, dit nog niet automatisch betekent dat van het in de Wet LB genoemde normbedrag moet worden afgeweken in het voordeel van belanghebbende.

15. De opstart van de BV leidt ertoe, aldus belanghebbende, dat de onderneming geruime tijd nodig heeft om een gebruikelijk loon in aanmerking te kunnen nemen.

De BV is haar activiteiten echter gestart op 4 mei 2016. In de belastingjaren 2016 en 2017 is geen gebruikelijk loon in aanmerking genomen. Belanghebbende heeft in de jaren tot en met 2020 aan de inspecteur geen verzoek om vaststelling van een lager gebruikelijk loon gedaan. De omzet van de BV in 2020 bedroeg € 84.635. Zo al sprake is van een opstartfase van de BV, dan leidt dit niet tot een lager gebruikelijk loon dan de inspecteur heeft vastgesteld. Belanghebbende heeft hiertoe onvoldoende gesteld, laat staan bewezen. Dat de BV over de jaren 2019 en 2020 een verlies heeft aangegeven, doet aan het voorgaande niet af.

16. Belanghebbende stelt daarnaast dat de BV niet in staat is het DGA-salaris volledig te betalen. De BV is structureel verliesgevend: over elk van de jaren 2018-2022 heeft de BV verlies geleden. Het totaal geleden verlies over deze jaren bedraagt € 167.155. Belanghebbende heeft ultimo 2022 een vordering op de BV van ongeveer € 110.000. Zij heeft voor levensbehoeften uit de onderneming over alle jaren in totaal ongeveer € 57.000 uit de BV opgenomen, zo voert belanghebbende aan.

17. De BV heeft over de belastingjaren 2016 tot en met 2018 geen aangifte Vpb gedaan. De rechtbank stelt vast dat uit de aangiften Vpb over de jaren 2019, 2020 en 2021 niet volgt dat de BV structureel verliesgevend is. Over het jaar 2019 is immers een winst aangegeven, terwijl het verlies over het jaar 2021 uitsluitend het gevolg is van het in aanmerking nemen van het gebruikelijk loon over de jaren 2018, 2019 en 2020 als buitengewone last. Ook uit het door belanghebbende ingebrachte overzicht van resultatenrekeningen over de jaren 2019 tot en met 2023 blijkt niet dat de BV structureel verliesgevend is, nu uit dat overzicht blijkt dat in de jaren 2019, 2021 en 2022 een positief resultaat is behaald. Daar komt bij dat het totaalsaldo van de bankrekeningen van de BV over de jaren 2019 tot en met 2022 met een bedrag van € 34.487 is toegenomen terwijl de BV in het jaar 2021 blijkens de balans voor een bedrag van € 38.551 heeft afgelost op de rekening-courantschuld. Belanghebbende heeft haar stellingen ten aanzien van de verliesgevendheid van de BV verder niet met stukken onderbouwd en ter zitting is gebleken dat de wel door belanghebbende overgelegde overzichten ten aanzien van de resultaten over de jaren 2019-2023 inconsistenties bevatten. Gezien bovenstaande komt de rechtbank tot de slotsom dat hetgeen door belanghebbende is gesteld over de verliesgevendheid van de BV er niet toe kan leiden dat moet worden uitgegaan van een lager gebruikelijk loon dan de inspecteur in aanmerking heeft genomen.

18. De rechtbank is, gezien bovenstaande, van oordeel dat belanghebbende onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit volgt dat met een lager gebruikelijk loon dan € 36.925 kan worden volstaan, laat staan dat zij die feiten en omstandigheden tegenover de betwisting door de inspecteur aannemelijk heeft gemaakt. Het gelijk is dus aan de inspecteur.

Belastingrente

19. Het beroep wordt geacht mede betrekking te hebben op de belastingrente. Belanghebbende heeft geen zelfstandige gronden tegen de in rekening gebrachte belastingrente aangevoerd. De rechtbank ziet geen aanleiding af te wijken van de belastingrentebeschikking. Hierbij wijst de rechtbank belanghebbende erop dat het bedrag van de belastingrente het bedrag van de aanslag volgt.

Conclusie en gevolgen

20. Het beroep is ongegrond. De (in bezwaar verminderde) aanslag en belastingrentebeschikking blijven in stand. Voor een proceskostenvergoeding of vergoeding van griffierecht is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier.

Uitgesproken op 23 oktober 2026.

De uitspraak is aan partijen bekendgemaakt op de datum vermeld in de brief waarmee deze uitspraak aan partijen ter beschikking is gesteld.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt.

Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (belastingkamer), Locatie Arnhem, Postbus 9030, 6800 EM Arnhem.

De werking van deze uitspraak wordt opgeschort totdat de termijn voor het instellen van hoger beroep is verstreken, of indien hoger beroep wordt ingesteld, op dat hoger beroep is beslist.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand