beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Familie- en jeugdrecht
Zittingsplaats Arnhem
Zaakgegevens: C/05/440537 / FA RK 24-2875
Datum uitspraak: 2 januari 2026
beschikking ex artikel 1:253a BW
in de zaak van
[de moeder] (hierna: de moeder),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. S. Striekwold te Doetinchem
tegen
[de vader] (hierna: de vader),
wonende te [woonplaats] ,
advocaat: mr. P. van Bommel te Franeker
1. Het verdere verloop van de procedure
Het verdere procesverloop blijkt uit de volgende stukken:
- de beschikking van 13 september 2024;
- een F4-formulier van mr. van Bommel, ingekomen op 17 maart 2025;
- een F9-formulier van mr. Striekwold, ingekomen op 24 maart 2025;
- een brief met bijlagen van mr. van Bommel, ingekomen op 11 juni 2025;
- een F9-formulier van mr. Striekwold, ingekomen op 17 juni 2025;
- een brief met bijlage van mr. van Bommel, ingekomen op 20 augustus 2025;
- het verweerschrift met zelfstandig verzoek, ingekomen op 12 november 2025;
- een F9-formulier met bijlagen van mr. Striekwold, ingekomen op 2 december 2025;
- een F9-formulier met bijlage van mr. van Bommel, ingekomen op 3 december 2025.
De kinderrechter heeft de minderjarige (hierna: [minderjarige] ) naar haar mening gevraagd. [minderjarige] heeft hierover een gesprek gevoerd met de kinderrechter. Tijdens de zitting heeft de kinderrechter samengevat wat [minderjarige] heeft verteld. De aanwezigen hebben daarop kunnen reageren.
Tijdens de voortgezette mondelinge behandeling van 5 december 2025 zijn gehoord:
- de moeder, bijgestaan door mr. S. Striekwold;
- de vader, bijgestaan door mr. P. van Bommel;
- een vertegenwoordigster van de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
Voor het eerdere verloop van deze procedure wordt verwezen naar de beschikking van deze rechtbank van 13 september 2024. In die beschikking is iedere verdere beslissing ten aanzien van het verzoek van de moeder pro forma aangehouden in verband met een op te starten hulpverleningstraject, bij voorkeur bij [organisatie 1] .
2. Het verweer met zelfstandig verzoek en het nadere standpunt van de vader
De vader voert verweer tegen de verzoeken van de moeder en verzoekt deze af te wijzen. Zelfstandig verzoekt hij, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad voor zover de wet dit toelaat te bepalen dat de moeder wordt veroordeeld om vanaf het eerste omgangsweekend, althans vanaf nader in rechte te bepalen datum en tijdstip, haar medewerking te verlenen aan de overeengekomen omgangsregeling, bekrachtigd door de Gelderland, locatie Arnhem d.d. 25 mei 2021, tussen partijen gewezen onder nummer C/054/383229 FA RK 21-387, inhoudend dat [minderjarige] van vrijdag 18.30 uur tot zondag 19.00 uur bij haar vader zal verblijven, te vermeerderen met de overige overeengekomen omgangsmomenten tijdens vakanties, feestdagen en bijzondere dagen, althans een omgangsregeling in goede Justitie wordt vastgesteld, vanaf nader in rechte te bepalen datum en tijdstip.
Tijdens de mondelinge behandeling is door en namens de vader naar voren gebracht dat hij zich niet herkent in de bezwaren die door [minderjarige] zijn geuit en dat hij niets liever wil dan weer een contact met [minderjarige] . [minderjarige] is en blijft zijn dochter en hij wil alles doen om haar een normale toekomst te geven. Ontzegging van de omgang zoals door de moeder verzocht, levert ernstig nadeel op voor de geestelijke en lichamelijke ontwikkeling van [minderjarige] . Het is juist niet in het belang van [minderjarige] om haar rust te gunnen door hem uit haar leven te gummen. De vader wil daarom dat er onderzoek gedaan gaat worden waarom [minderjarige] geen contact zegt te willen, zodat duidelijk wordt wat nu de concrete hulpvraag bij zowel [minderjarige] als bij de ouders is en hoe zij het beste geholpen kunnen worden. Het ligt daarbij ook op de weg van de Raad om te beoordelen of [minderjarige] als veertienjarige in staat is om de gevolgen van haar wens om geen contact te hebben te overzien en of dat haar volwassenheid zal beïnvloeden.
3. Het nadere standpunt van de moeder
De moeder laat weten dat zij bij haar verzoek en standpunt blijft dat omgang, mede gezien het nog steeds bestaande verzet bij [minderjarige] , niet in het belang van [minderjarige] is en dat de vader het contact met [minderjarige] moet worden ontzegd. Er is inmiddels van alles geprobeerd en ingezet en de hoop is dat wanneer er geen druk meer wordt uitgeoefend op [minderjarige] , zij uiteindelijk zelf nieuwgierig wordt naar het contact met haar vader. Verder de druk en verplichting opvoeren zal averechts werken. Het zelfstandige verzoek van de zijde van de vader moet wat de moeder betreft dan ook worden afgewezen. De moeder vindt dat er nu naar [minderjarige] geluisterd moet worden want zij uit al langere tijd ernstige bezwaren tegen omgang met haar vader. Een onderzoek door de Raad acht de moeder niet in haar belang. [minderjarige] zal het gevoel houden dat niemand naar haar luistert en de weerstand tegen contact met haar vader zal enkel groeien. [minderjarige] heeft zelf aangegeven met een kinderpsycholoog te willen gaan praten, daar heeft zij volgende week het intakegesprek voor. De moeder denkt dat als [minderjarige] dat wil zij echt wel weer contact zal opnemen met de vader maar dat zal ze niet gaan doen als er nu weer zoveel druk op haar gelegd gaat worden.
4. Het advies van de Raad
De Raad heeft tijdens de mondelinge behandeling een onderzoek door de Raad geadviseerd. De situatie is vastgelopen en [minderjarige] zit enorm klem. [minderjarige] is heel erg op zoek naar erkenning en wil gezien worden in wat zij voelt en ervaart. Er zijn twee machteloze ouders die haar dat deels kunnen geven maar haar daar verder onvoldoende in kunnen helpen. Ondanks dat de moeder [minderjarige] heel erg heeft gestimuleerd het contact met haar vader aan te gaan is de Raad van mening dat [minderjarige] toch in een loyaliteitsconflict terecht is gekomen. Het is de ervaring van de Raad dat kinderen die zeggen dat ze nu geen contact met een ouder willen, zij eigenlijk daarmee zeggen dat ze een bepaald gevoel niet willen voelen. [minderjarige] wil volgens de Raad een bepaald gevoel van ongelukkig zijn, zich niet gezien voelen in dat wat er vanuit het loyaliteitsconflict speelt, niet langer voelen. Ieder kind is loyaal naar allebei de ouders maar in een situatie waarin de ouders niet samen zijn is het voor kinderen heel ingewikkeld is om tegemoet te komen aan beide ouders. Omdat het risico op langdurig geen contact de komende jaren groot is, acht de Raad nader onderzoek wenselijk, zonder de druk bij [minderjarige] neer te leggen dat er contact moet gaan komen. De Raad wil duidelijk krijgen wat [minderjarige] van haar ouders nodig heeft, wat zij kunnen betekenen en wat er voor nodig is om de druk en de spanning bij [minderjarige] weg te kunnen nemen. De Raad erkent dat een onderzoek door de Raad opnieuw erg belastend is voor [minderjarige] maar de Raad vindt een onderzoek toch uiteindelijk in haar belang.
5. De beoordeling
Het wettelijk kader zorgregeling en ontzegging omgang
Op grond van artikel 1:377e gelezen in samenhang met artikel 1:253a, vierde lid, van het Burgerlijk Wetboek kan de rechtbank op verzoek van de ouders of van een van hen een beslissing inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken of een door de ouders onderling getroffen verdeling van de zorg- en opvoedingstaken wijzigen als nadien de omstandigheden zijn gewijzigd of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.
Op grond van artikel 1:377a Burgerlijk Wetboek heeft een kind recht op omgang met zijn ouders en met degene die in een nauwe persoonlijke betrekking tot hem staat. De niet met het gezag belaste ouder heeft het recht op en de verplichting tot omgang met zijn kind. De rechter stelt op verzoek van de ouders of van een van hen, al dan niet voor bepaalde tijd, een regeling inzake de uitoefening van het omgangsrecht vast dan wel ontzegt, al dan niet voor bepaalde tijd, het recht op omgang.
De rechter ontzegt het recht op omgang slechts, indien:
omgang ernstig nadeel zou opleveren voor de geestelijke of lichamelijke ontwikkeling van het kind; of
de ouder of degene die in een nauwe persoonlijke betrekking staat tot het kind kennelijk ongeschikt of kennelijk niet in staat moet worden geacht tot omgang; of
het kind dat twaalf jaren of ouder is, bij zijn verhoor van ernstige bezwaren tegen omgang met zijn ouder of met degene met wie hij in een nauwe persoonlijke betrekking staat heeft doen blijken; of
omgang anderszins in strijd is met zwaarwegende belangen van het kind.
De ontvankelijkheid
Tussen de vader en [minderjarige] is inmiddels al tweeënhalf jaar geen contact meer. Dit betekent dat de oorspronkelijke zorgregeling, die onderdeel uitmaakt van de beschikking van deze rechtbank van 25 mei 2021, al geruime tijd niet wordt uitgevoerd. Hierdoor is sprake van een relevante wijziging van omstandigheden die een herbeoordeling van de zorgregeling rechtvaardigt.
Wat ligt voor?
De rechtbank dient een beslissing te nemen op de verzoeken van beide ouders ten aanzien van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De moeder heeft verzocht de vastgestelde zorgregeling te wijzigen, in die zin dat de vader niet langer recht heeft op omgang met [minderjarige] , en dat hem de omgang met [minderjarige] wordt ontzegd. De vader heeft verzocht dat de moeder wordt veroordeeld de vastgestelde zorgregeling en de regeling ten aanzien van de vakanties, feestdagen en bijzondere dagen na te komen.
Wat is de beslissing?
De rechtbank zal de door de ouders overeengekomen afspraken over de zorgregeling wijzigen en bepalen dat er geen zorgregeling wordt vastgesteld tussen de vader en [minderjarige] . De rechtbank licht deze beslissing hierna toe.
De inhoudelijke beoordeling
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een lastige en ingewikkelde situatie en dat het voor alle partijen een verdrietig gegeven is dat er al lange tijd geen contact meer is tussen de vader en [minderjarige] . Voor de identiteitsontwikkeling is het in beginsel belangrijk dat een kind een ouder-kind band behoudt met elk van de ouders. Uit de overgelegde stukken en hetgeen daarover tijdens de mondelinge behandeling is toegelicht is echter gebleken dat er bij [minderjarige] al een lange tijd geen ruimte meer is of mogelijkheden zijn voor een contact en een contactherstel met haar vader. De situatie is geëscaleerd toen de vader samen met [minderjarige] drie weken op vakantie wilde naar Thailand, hetgeen [minderjarige] te lang vond en resulteerde in een ruzie, waarna de reis in het geheel geen doorgang heeft gevonden. Die escalatie vond plaats in juni 2023 en sindsdien is er geen wederzijds contact meer geweest tussen [minderjarige] en de vader. Vòòr de escalatie was er ook al sprake van vermindering in het contact en werd de regeling uit het ouderschapsplan niet meer conform de afspraken uitgevoerd. [minderjarige] geeft hierover aan dat zij het al langere tijd niet prettig vond bij haar vader en dat zij zich door hem niet begrepen, gezien en gehoord voelt. De vader herkent dit beeld niet. Hoewel hij erkent dat het contact tussen hem en [minderjarige] ook voor de geplande vakantie in Thailand wat minder en moeizamer werd, was dit volgens de vader te wijten aan de fase van de pubertijd en niet aan het feit dat hun onderlinge contact niet prettig zou zijn.
In de afgelopen periode zijn er diverse pogingen gedaan om het contact tussen [minderjarige] en de vader te herstellen, ook onder begeleiding van professionele hulpverlening. Zo is er systeemtherapie geweest bij [organisatie 2] en is er een traject gevolgd bij [organisatie 1] . Ondanks de inzet van alle betrokkenen hebben deze trajecten helaas niet tot contactherstel geleid. [minderjarige] is nog altijd duidelijk en consistent in haar wens om geen contact te hebben met haar vader. Dit heeft zij niet alleen tijdens de hulpverleningstrajecten duidelijk naar voren gebracht maar ook in het gesprek met de kinderrechter. Hierin heeft zij ook aangegeven niet open te staan voor nog meer hulpverlening die erop gericht is om het contact te herstellen. Wel wil en gaat zij zelf aan de slag met een kinderpsycholoog waaraan zij haar verhaal kwijt kan.
Hoewel de rechtbank het zowel de vader als [minderjarige] enorm gunt om weer vanuit ontspanning een vorm van contact met elkaar te kunnen opbouwen, is de rechtbank van oordeel dat dit op dit moment niet bereikt kan worden door middel van het forceren van een zorgregeling, tegen de wens van [minderjarige] in. De rechtbank is van oordeel dat het standpunt van [minderjarige] al lange tijd zo consistent is en haar weerstand om te werken aan contactherstel op dit moment zo groot, dat hieraan niet voorbij kan worden gegaan. [minderjarige] voelt zich onder druk gezet iets te moeten wat zij niet wil. Daar doorheen duwen is – zeker op deze leeftijd, terwijl het contact al ruim twee jaar stil ligt – niet juist. Dit geldt ook voor een nader onderzoek door de Raad. Er zijn reeds verschillende trajecten ingezet en [minderjarige] geeft aan niet nogmaals te willen meewerken aan hulpverlening of onderzoeken, waarbij het contactherstel met haar vader centraal staat en – uiteindelijk – het bovenliggende doel is. Een Raadsonderzoek zal daarom [minderjarige] opnieuw veel druk en spanning opleveren en de rechtbank acht dit niet in haar belang. Zij heeft behoefte aan rust en wil zelf met een psycholoog aan de slag, zonder daarbij de druk te hoeven ervaren dat hierbij moet worden toegewerkt aan het herstellen van het contact met haar vader.
De rechtbank acht dan ook op dit moment een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] niet in het belang van [minderjarige] . Het is nu zaak dat de druk bij [minderjarige] wordt weggenomen en haar consistente en bestendige wens gerespecteerd wordt. [minderjarige] moet in alle rust de ruimte krijgen en voelen om zichzelf te ontwikkelen en aan zichzelf te gaan werken, waarbij zij ook de hulp zal krijgen van een psycholoog. Pas dan zal hopelijk, op termijn en vanuit [minderjarige] zelf, ruimte kunnen ontstaan voor contactherstel met de vader. De rechtbank gaat ervan uit dat, als dat moment zich aandient, de moeder dit contactherstel niet in de weg zal staan en hier haar medewerking aan zal verlenen. Totdat [minderjarige] er zelf weer aan toe is, zal er dus geen zorgregeling zijn tussen haar en de vader. De rechtbank realiseert zich dat dit een groot offer vraagt van de vader, dat indruist tegen zijn eigen gevoel en tegen het enorme gemis dat hij ervaart. De rechtbank is echter van oordeel dat met het herhaaldelijk actief om contactherstel vragen de vader, hoe verdrietig ook, het tegenovergestelde bereikt van wat hij graag zou willen.
De rechtbank is tot slot van oordeel dat voor een ontzegging van het recht op omgang van de vader niet aan de wettelijke vereisten wordt voldaan. Bovendien acht de rechtbank een volledige ontzegging van de omgang niet in het belang van [minderjarige] , aangezien de rechtbank van oordeel is dat [minderjarige] juist te allen tijde de mogelijkheid en ruimte moet hebben om weer contact te hebben met haar vader.
6. De beslissing
De rechtbank:
wijzigt de door de ouders overeengekomen afspraken over de zorgregeling in het door de ouders op 16 mei 2021, respectievelijk 18 mei 2021 ondertekende
ouderschapsplan, dat onderdeel uitmaakt van de beschikking van deze rechtbank van
25 mei 2021 ten aanzien van
- [minderjarige], geboren op [geboortedag] 2011 te [geboorteplaats]
en stelt vast dat er geen zorgregeling meer geldt tussen de vader en [minderjarige] ;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.M. van Poecke, (kinder)rechter, in tegenwoordigheid van E.M.B. Toonen - Scholten als griffier en in het openbaar uitgesproken op 2 januari 2026.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING SECRETARIS!
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR HANDTEKENING RECHTER!
Indien hoger beroep tegen deze beschikking mogelijk is, kan dat worden ingesteld:
- door de verzoekers en degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak,
- door andere belanghebbenden binnen drie maanden na de betekening daarvan of nadat de beschikking aan hen op een andere wijze bekend is geworden.
Het hoger beroep moet, door tussenkomst van een advocaat, worden ingediend ter griffie van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
!NIET VERWIJDEREN, PLAATS VOOR STEMPELS!