RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.63090
(gemachtigde: mr. G.M.H. Vriesde),
en
(gemachtigde: mr. M. Smulders).
Procesverloop
Met het bestreden besluit van 16 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld.
Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [naam tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
Toetsingskader
1. Verweerder kan als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.
Maatregel onzorgvuldig tot stand gekomen
2. Eiser voert aan dat er in de maatregel sprake is van meerdere tegenstrijdigheden en onjuistheden. In dit kader wijst eiser op een onjuiste vertrekdatum uit 2017, verschillende data van vertrek met onbekende bestemming en een verwijzing naar uitzetting naar Algerije terwijl eiser de Egyptische nationaliteit heeft. Ook wijst eiser erop dat in de maatregel enerzijds wordt benoemd dat eiser geen medische bijzonderheden heeft aangevoerd en anderzijds een medische belangenafweging plaatsvindt ten aanzien van eisers psychische klachten en hepatitus-C diagnose in het kader van een lichter middel. Derhalve is de maatregel volgens eiser onzorgvuldig tot stand gekomen.
Zoals verweerder ter zitting heeft toegelicht, betreft dit kennelijke verschrijvingen. Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit echter niet dat de maatregel onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarnaast is niet gebleken dat eiser door deze verschrijvingen op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgrondslag en -gronden
3. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser:
a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer;j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;q. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
Verweerder heeft ter zitting de gronden d en j laten vallen.
Eiser heeft alle gronden betwist. Ten aanzien van de gronden a en p is aangevoerd dat uit de wijze van binnenkomst niet zonder meer een actueel onderduikrisico kan worden afgeleid. Eiser is een vluchteling afkomstig uit Egypte en heeft direct bij de asielaanvraag openheid van zaken gegeven over zijn identiteit en nationaliteit. Verder is eiser vertrokken uit het [instelling] omdat hij werd gechanteerd. Dit is onvoldoende reden om aan te nemen dat er een risico op onttrekking zal zijn. Over grond b is aangevoerd dat eiser niet wist dat dat hij Nederland diende te verlaten. Verweerder heeft de grond daarnaast ondeugdelijk gemotiveerd door te vermelden dat eisers vertrektermijn eindigde op 17 oktober 2017, terwijl volgens dossier 25 augustus 2026 moet zijn. Verder voert eiser ten aanzien van grond h aan dat het feit dat hij heeft verklaard niet naar Egypte te willen terugkeren vanwege de problemen die hij daar vreest, niet zonder meer betekent dat hij zijn uitzetting frustreert. Ook rechtvaardigt het indienden van meerdere asielaanvragen en het ontbreken van een BRP- inschrijving niet zonder meer de conclusie dat er sprake is van een onderduikrisico en bewaring noodzakelijk is (gronden q en r). Tot slot voert eiser ten aanzien van grond s aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het ontbreken van voldoende middelen van bestaan een aanwijzing is dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt gesteld dat grond a zich feitelijk voordoet. Eiser is namelijk zonder in het bezit te zijn van een op dat moment geldig reisdocument (paspoort met visum), en daarmee niet op de voorschreven wijze, Nederland ingereisd. Daarnaast is eiser eerder met onbekende bestemming vertrokken. Dat eiser naar gesteld zou zijn vertrokken uit het [instelling] omdat hij gechanteerd werd doet niet af aan de feitelijke juistheid van deze grond. Gelet hierop heeft verweerder grond a aan de maatregel van bewaring ten grondslag kunnen leggen.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder de gronden p, r en s terecht aan de maatregel ten grondslag heeft gelegd. Niet is gebleken dat eiser beschikt over een document zoals bedoeld in artikel 4.21 van het Vb. Daarnaast is eiser eerder met onbekende bestemming vertrokken. Hiermee heeft eiser niet voldaan aan de verplichtingen zoals bedoeld in hoofdstuk 4 van het Vb waardoor grond p feitelijk juist is. Ook beschikt eiser niet over een vaste woon-of verblijfplaats of over voldoende middelen van bestaan. De gronden r en s zijn daarmee ook feitelijk juist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom uit de gronden p, r en s een onderduikrisico volgt.
De gronden a, p, r en s, in onderling verband en samenhang bezien, kunnen naar het oordeel van de rechtbank de maatregel van bewaring al dragen. Er vloeit namelijk een onderduikrisico uit voort. Wat eiser heeft aangevoerd tegen de gronden b, h en q kan daaraan niet afdoen en behoeft daarom geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.Lichter middel
4. Eiser betoogt dat de noodzakelijkheid en proportionaliteit van de bewaring onvoldoende zijn gemotiveerd. De afwijzing van een lichter middel is grotendeels gebaseerd op eerdere gedragingen, eisers dakloosheid en het ontbreken van financiële middelen. Volgens eiser heeft verweerder onvoldoende concreet gemaakt waarom een meldplicht, een aangewezen verblijfplaats of andere minder ingrijpende maatregel in eisers geval niet effectief zou zijn.
Bij de beantwoording van de vraag of verweerder met toepassing van een lichter middel had moeten volstaan, beoordeelt de rechtbank of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat geen andere afdoende maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Daarbij past een grondig onderzoek naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering van verweerder. Alleen een verwijzing naar de vreemdelingenbewaringsgronden volstaat daarvoor niet.
Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend hadden kunnen worden toegepast. Zoals in 3.5. is overwogen volgt uit de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd dat sprake is van een onderduikrisico bij eiser. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij detentieongeschikt is en heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat de in detentie beschikbare begeleiding en medische zorg in zijn geval niet toereikend is of dat zijn gesteldheid in bewaring door gebrek aan medische zorg zal verslechteren. Ook anderszins is niet gebleken dat de bewaring voor eiser onevenredig bezwarend is. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. E.F. Derksen, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.