RECHTBANK DEN HAAG
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A. Berends),
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.29103
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
en
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep dat eiser heeft ingediend na de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 16 oktober 2025.1 In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: aanvraag). Eiser stelt nu beroep in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvraag.
Overwegingen
De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak
1. De rechtbank vindt het in deze zaak niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting.2
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen.3
Is het beroep van eiser ontvankelijk en gegrond?
3. Soms kan niet worden verwacht dat de betrokkene eerst een ingebrekestelling stuurt. Dat is in dit geval zo, omdat de bestuursrechter in de uitspraak van 16 oktober 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn heeft gesteld voor het nemen van een besluit.4 Ondanks het ontbreken van een ingebrekestelling is het beroep van eiser dus ontvankelijk. De rechtbank stelt verder vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank
1. ECLI:NL:RBDHA:2025:20945.
2 Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3 Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb.
4 ECLI:NL:RVS:2021:774.
genoemde termijn alsnog een besluit heeft genomen op de aanvraag. Het beroep is kennelijk gegrond.
Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op?
4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog een besluit te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft.5 Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming.6 Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond in dit geval is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat de minister een voornemen op het te nemen besluit bekend heeft gemaakt en dat eiser hierop een zienswijze heeft ingediend. De rechtbank ziet in deze omstandigheden geen aanleiding om de minister een langere nadere beslistermijn dan de wettelijke termijn van twee weken op te leggen. De nadere beslistermijn is dus twee weken. Deze termijn vangt aan na de dag van verzending van deze uitspraak.
5. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom. De rechtbank bepaalt in deze zaak dat voor de minister een sterke prikkel nodig is om tot een besluit over te gaan. De rechtbank overweegt daartoe dat zij de minister meermaals heeft verzocht om een verweerschrift in te dienen, te weten op 28 mei 2026 en 24 augustus 2026. Ondanks deze herhaalde verzoeken is geen verweerschrift ontvangen. De rechtbank is niet bekend waarom de minister nog geen besluit heeft genomen op de aanvraag, de minister heeft ervoor gekozen om dit niet nader toe te lichten. Eiser is gehoord over zijn asielmotieven, een voornemen is uitgebracht en daarop is een zienswijze ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank lijkt het dossier daarmee beslissingsklaar. Nu de minister geen nader standpunt heeft ingenomen en geen toelichting heeft gegeven op het uitblijven van een beslissing op de aanvraag van eiser, ziet de rechtbank aanleiding om een hogere dwangsom op te leggen.
6. Gelet op de duur van de procedure (reeds ruim 37 maanden verstreken), het verder uitblijven van concrete handelingen, alsmede het feit dat een eerdere procedure kennelijk niet heeft geleid tot tijdige besluitvorming en de aanvraag ondertussen beslissingsklaar wordt verondersteld, ziet de rechtbank aanleiding af te wijken van het gebruikelijke beleid ten aanzien van de hoogte van de dwangsom. Naar het oordeel van de rechtbank is een verhoogde dwangsom in dit geval passend om de minister daadwerkelijk te prikkelen alsnog binnen de gestelde termijn een beslissing te nemen en verdere vertraging te voorkomen. Hierdoor wordt tevens recht gedaan aan het belang van eiser bij effectieve en tijdige rechtsbescherming.
7. De rechtbank oordeelt aldus dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 30.000,-.
5 Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb.
6 ECLI:NL:RVS:2020:1560.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat eiser gelijk krijgt en dat de minister binnen twee weken alsnog een besluit op de aanvraag bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom.
9. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser ook een vergoeding voor de proceskosten die hij heeft gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag, omdat eiser een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5).
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van
M.H.G.P. Tober, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
02 september 2026
Documentcode:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.