ECLI:NL:RBDHA:2026:31200

ECLI:NL:RBDHA:2026:31200

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 23-10-2026
Datum publicatie 23-10-2026
Zaaknummer NL26.61372
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Rotterdam

Samenvatting

Bewaring, bewaringsgronden, lichter middel, ambtshalve toetsing, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.61372

V-nummer: [V-nummer]

(gemachtigde: mr. S. Ben Ahmed),

en

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Procesverloop

Met het bestreden besluit van 13 oktober 2026 heeft verweerder aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Verweerder heeft de rechtbank van het opleggen van de maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.

De rechtbank heeft het beroep op 20 oktober 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [persoon A] als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Bewaringsgronden

1. Verweerder heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In de maatregel van bewaring heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het belang van de openbare orde de maatregel vordert, omdat er een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. Verweerder heeft, met toepassing van artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als gronden vermeld dat eiser:a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen of een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt;

b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

Eiser heeft de gronden die ten grondslag zijn gelegd aan de maatregel van bewaring, en de daarop gegeven toelichtingen, niet betwist. De onbestreden gronden, die de ambtshalve toetsing van de rechtbank doorstaan, zijn tezamen voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen.

Lichter middel

2. Eiser voert aan dat verweerder had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling, zoals een meldplicht. Eiser wilde zich wel inschrijven in de Basisregistratie personen en wit werken, maar dit lukte niet doordat hij geen identiteitsdocument bezit. Het adres van zijn vriendin, waar hij geregeld verblijft, was bekend bij verweerder. Eiser heeft pogingen gedaan om een identiteitsdocument te verkrijgen via het consulaat maar dit is niet gelukt. Hij heeft zich voor opvang en documenten gewend tot hulpverleningsinstanties. Eiser kan in vrijheid zijn documenten en de vertrekprocedure afwachten. Eiser wist dat hij geen verblijfsrecht meer heeft, maar hij wist niet dat hij rechtsmiddelen kon aanwenden tegen de beschikking van 9 juli 2024. Hij is na de beëindiging van zijn verblijfsrecht verschillende malen Nederland uitgereisd (naar België en Polen) en heeft ook een periode van 6 of 7 maanden achter elkaar in Polen verbleven.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat in dit geval geen andere afdoende, maar minder dwingende maatregelen dan de inbewaringstelling doeltreffend konden worden toegepast. Verweerder verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en de motivering daarvan, en het onderduikrisico dat daaruit volgt. Bij beschikking van 9 juli 2024 is eisers verblijfsrecht in Nederland beëindigd. In de beschikking is vermeld dat eiser bezwaar kan maken als hij het niet eens is met het besluit. Eiser is op 26 juli 2024 van de beschikking op de hoogte gesteld door middel van een tolk. Dat eiser niet wist dat hij rechtsmiddelen kon aanwenden tegen de beschikking van 9 juli 2024, volgt de rechtbank om deze reden niet. Verder moet eiser ermee bekend zijn dat hij bij terugkeer in Nederland enkel opnieuw verblijfsrecht kan krijgen als hij zijn verblijf in Nederland daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd, bijvoorbeeld door elders een bestendig verblijf op te bouwen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat dit hem niet gelukt is, ook niet in de periode dat hij maandenlang in Polen verbleef. Uit het proces-verbaal van gehoor, voorafgaand aan de maatregel van bewaring, volgt dat eiser niet altijd bij zijn vriendin verblijft, maar soms in een tent of op straat slaapt. Dat eiser zich beschikbaar kan houden bij zijn vriendin, volgt de rechtbank dus niet. Verder heeft eiser voorafgaand aan de inbewaringstelling verklaard in Nederland te willen blijven en niet te willen terugkeren naar zijn land van herkomst. Daarnaast heeft eiser zijn verklaring dat hij heeft geprobeerd een identiteitsdocument te verkrijgen niet met stukken onderbouwd. Naar het oordeel van de rechtbank is een lichter middel dan inbewaringstelling gelet op dit alles onvoldoende om de uitzetting van eiser te waarborgen. Het is de rechtbank verder niet gebleken dat er persoonlijke en/of medische omstandigheden zijn die aan bewaring in de weg staan. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

3. Ook los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de maatregel van bewaring tot het moment van sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was (vgl. de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647).

Conclusie en gevolgen

4. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. Bouter - Rijksen, rechter, in aanwezigheid van mr. N. Felić, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G.A. Bouter - Rijksen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand