RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummers:
I. C/09/709632 / JE RK 26-1299
II. C/09/712361 / JE RK 26-1599
Datum uitspraak: 22 september 2026
Beschikking van de kinderrechter
I. Niets meer te beslissen ten aanzien van machtiging tot uithuisplaatsing
II. Ondertoezichtstelling
in de zaken van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2014 in [geboorteplaats 1] ,
hierna te noemen: [minderjarige] .
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat mr. J. Looman uit Wassenaar,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende in [woonplaats 2] ,
advocaat mr. J. de Koning uit Lisse,
[de stiefvader] ,
hierna te noemen: de stiefvader,
wonende in [woonplaats 1] ,
advocaat: mr G.P. Geelkerken te Amsterdam,
Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
Bij beschikking van 4 augustus 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 oktober 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing bij de stiefvader verleend tot 15 september 2026. Het verzoek is voor het overige aangehouden. Vervolgens heeft de kinderrechter bij beschikking van 26 augustus 2026 de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefvader verleend tot 24 september 2026 en het verzoek voor het overige aangehouden tot deze zitting.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling:
de voornoemde beschikkingen en de daarin genoemde stukken;
het verzoekschrift met bijlagen (II), ontvangen op 10 september 2026.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
de vader;
de moeder met haar advocaat;
de stiefvader;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De advocaat van de stiefvader is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De advocaat van de vader heeft zich bij bericht van 22 september 2026 afgemeld voor de zitting.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
[minderjarige] is erkend door de vader.
De vader en de moeder zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder en de stiefvader.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 4 augustus 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 22 oktober 2026 en een machtiging tot uithuisplaatsing verleend van [minderjarige] bij de stiefvader tot 15 september 2026. De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 26 augustus 2026 een machtiging verleend [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen bij de stiefvader tot 24 september 2026.
3. Het verzoek
Verzoek I strekt tot een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] bij de stiefvader voor de duur van de voorlopige ondertoezichtstelling, te weten tot 22 oktober 2026. De Raad heeft in haar rapportage aangegeven het verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing niet langer te handhaven.
Verzoek II strekt tot een ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de duur van een jaar, met uitvoerbaarverklaring bij voorraad.
De Raad heeft verzoek II als volgt gemotiveerd. De afgelopen periode hebben de ouders positieve stappen gezet en is de situatie voor [minderjarige] gestabiliseerd. De moeder is weer thuis na in detentie te hebben gezeten, het contact tussen de moeder en de stiefvader verloopt positief en [minderjarige] heeft weer contactmomenten met de vader. Ondanks deze positieve stappen, acht de Raad de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling nog noodzakelijk. De positieve ontwikkeling is nog pril, er bestaat nog onduidelijkheid over de betrokkenheid van de reclassering en het contact tussen de vader en [minderjarige] is pas recentelijk, onder begeleiding, opgestart. Het is in het belang van [minderjarige] dat het contact de komende tijd verder wordt uitgebreid en dat er duidelijkheid komt over de zorgregeling tussen [minderjarige] en de vader. De Raad heeft op dit moment nog niet de verwachting dat de ouders zelfstandig in staat zijn om dit te regelen. Het is van belang dat de jeugdbeschermer de situatie in te gaten blijft houden, hulpverlening voor [minderjarige] inzet waar nodig en de ouders en de stiefvader de komende tijd zal begeleiden bij de te nemen stappen.
4. De standpunten
Door en namens de moeder is verweer gevoerd. Sinds de vorige zitting is er veel veranderd. De moeder is weer thuis, de ouders hebben weer contact en het contact tussen [minderjarige] en de vader is weer opgestart, waar de moeder ook achter staat. De moeder vindt mede daarom niet dat bij [minderjarige] sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging in de zin van artikel 1:255 van het Burgerlijk Wetboek. Het gaat goed met [minderjarige] , de stiefvader is betrokken bij hem en de vader is weer in beeld. Ook staat de moeder onder toezicht van de reclassering. De moeder wil samen met de reclassering kijken of zij gebaat is bij (verdere) hulpverlening. De ouders staan ervoor dat het goed gaat met [minderjarige] en zij zullen, indien nodig, aan de bel trekken. De moeder wenst ook dat er met de vader duidelijke afspraken worden gemaakt en dat deze afspraken worden vastgelegd in een ouderschapsplan. Volgens de advocaat is dan ook niet voldaan aan de wettelijke criteria voor het uitspreken van een ondertoezichtstelling. De advocaat verzoekt primair om het verzoek af te wijzen. Subsidiair wordt verzocht om de ondertoezichtstelling voor een zo kort mogelijke duur te verlenen.
De stiefvader heeft ter zitting aangegeven dat het goed gaat met [minderjarige] . Er zijn geen signalen zichtbaar waaruit blijkt dat [minderjarige] ergens last van heeft. Volgens de siefvader zijn de ouders en de stiefvader zelf in staat om hulpverlening in te zetten waar nodig en afspraken te maken over de zorgregeling. De stiefvader vindt een ondertoezichtstelling dan ook niet nodig.
De vader heeft naar voren gebracht dat hij het fijn vindt om weer contact te hebben met [minderjarige] . De vader heeft er ook vertrouwen in dat het contact weer wordt opgebouwd. Wel vindt de vader het belangrijk dat dit contact duidelijk wordt geregeld voor [minderjarige] . De vader staat open voor de inzet van mediation.
De gecertificeerde staat achter het verzoek van de Raad. De gecertificeerde instelling heeft het gezin aangemeld voor hulpverlening bij Ambulante Spoedhulp (hierna: ASH) en de dag na de zitting staat de intake gepland. De afgelopen periode is er veel gebeurd en het is van belang dat duidelijk wordt of er nog (verdere) hulpverlening nodig is voor [minderjarige] .
5. De beoordeling
Verzoek I
De Raad handhaaft het eerder ingediende verzoek tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] niet. De kinderrechter constateert dan ook dat zij ten aanzien van dat verzoek geen beslissing meer hoeft te nemen.
Verzoek II
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een ondertoezichtstelling is voldaan. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De ontwikkeling van [minderjarige] wordt ernstig bedreigd. [minderjarige] heeft de afgelopen periode veel meegemaakt, wat een grote impact op hem heeft gehad en tot gevolg heeft gehad dat het contact met de vader is weggevallen. Op de zitting is gebleken dat er sinds kort sprake is van een positieve ontwikkeling. De moeder woont, na in detentie te hebben gezeten, weer thuis, het contact tussen de ouders is verbeterd en het contact tussen de vader en [minderjarige] wordt weer (voorzichtig en onder begeleiding) opgebouwd. Hoewel deze ontwikkelingen positief zijn, is dit naar het oordeel van de kinderrechter nog (te) pril om de conclusie te trekken dat de bedreiging in de ontwikkeling van [minderjarige] geheel is weggenomen. Het is nog onduidelijk of [minderjarige] gebaat is bij hulpverlening voor hetgeen hij heeft meegemaakt en er dienen nog stappen te worden gezet in de contactopbouw tussen [minderjarige] en de vader. Daarbij hebben de ouders aangegeven bereid te zijn om, middels mediation, (verdere) afspraken te maken over [minderjarige] en het contact tussen hem en beide ouders in een ouderschapsplan vast te leggen. De kinderrechter acht de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling nog noodzakelijk om de situatie te monitoren, zodat de huidige goede lijn kan worden voortgezet en kan worden ingegrepen als dat nodig zou zijn. De kinderrechter verwacht dan ook dat de komende tijd wordt onderzocht of hulpverlening voor [minderjarige] nodig is, dat er duidelijke afspraken worden gemaakt over de verzorging en opvoeding van [minderjarige] , waarbij het streven is om te komen tot een goed afgebakend ouderschapsplan en dat wordt bekeken of een overdracht van de hulpverlening naar het vrijwillig kader mogelijk is. De kinderrechter is van oordeel dat hiervoor een ondertoezichtstelling voor de duur van vier maanden voldoende moet zijn. De kinderrechter zal het verzoek daarom toewijzen voor de duur van vier maanden en het verzoek voor het overige afwijzen.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt vast dat er niets meer te beslissen is ten aanzien van het verzoek met betrekking tot de machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] (C/09/709632 / JE RK 26-1299);
stelt [minderjarige] onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Zuid-Holland met ingang van 22 september 2026 tot 22 januari 2027;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026 door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026 .
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Den Haag. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.