RECHTBANK DEN HAAG
Familie- en Jeugdrecht
Zaaknummer: C/09/711979 / JE RK 26-1561
Datum uitspraak: 22 september 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming, regio Haaglanden,
hierna te noemen: de Raad,
over
[minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1],
[minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2019 in [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2],
hierna ook tezamen te noemen: de kinderen.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
[de moeder] ,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. C. Ekholm uit Leiden,
[de vader] ,
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. A. El Aqde uit Amsterdam.
De kinderrechter merkt als informant aan:
Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
1. Het verloop van de procedure
Bij beschikking van 3 september 2026 heeft de kinderrechter in deze rechtbank het verzoek om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 800, derde lid van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering afgewezen en de behandeling van het verzoek aangehouden.
De kinderrechter neemt de voornoemde beschikking en de daarin genoemde stukken mee in de beoordeling.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 22 september 2026. Daarbij waren aanwezig:
[naam 1] namens de Raad;
de vader, via een videoverbinding en bijgestaan door A. Ben Mohammed, een tolk
de advocaat van de vader
de moeder met haar advocaat en bijgestaan door A. Toma, een tolk;
- [naam 2] namens de gecertificeerde instelling.
De kinderrechter heeft [minderjarige 1] naar haar mening gevraagd. [minderjarige 1] heeft geen mening gegeven.
2. De feiten
Voor een overzicht van de feiten verwijst de kinderrechter naar de beschikking van 3 september 2026.
3. Het verzoek
De Raad verzoekt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden.
De Raad heeft het verzoek als volgt gemotiveerd. Er is een ernstig vermoeden dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in hun ontwikkeling worden bedreigd. De kinderen zijn door de ouders meegenomen naar Syrië, waarna de moeder zonder de kinderen naar Nederland is teruggekeerd. De kinderen verblijven tot op heden bij de vader in Syrië, terwijl zij de vader voorafgaand aan het verblijf in Syrië al langere tijd niet hadden gezien. De moeder heeft de paspoorten van de kinderen meegenomen naar Nederland, waardoor de vader en de kinderen niet kunnen terugkeren naar Nederland. Deze achterlating heeft grote impact op de kinderen, aangezien hun sociale contacten en schoolgang in Nederland is onderbroken. Daarbij hebben de ouders een andere visie op de situatie en is er onvoldoende zicht op de (ontwikkeling van de) kinderen. De Raad acht de inzet van de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader niet langer passend, omdat het de ouders niet lukt om de kinderen terug te laten keren naar Nederland, de moeder wisselend is in haar medewerking en de ouders verschillende verhalen vertellen. Een voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om een plan te maken om de kinderen naar Nederland te krijgen en om te bezien, als de kinderen naar Nederland terugkeren, waar de kinderen geplaatst moeten worden. Bij de vader is geen optie, omdat de kinderen niet bij hem bij [zorginstantie] mogen wonen. Over een plaatsing van de kinderen bij de moeder bestaan twijfels, gezien haar houding en het risico dat zij de kinderen opnieuw meeneemt naar Syrië en aldaar achterlaat. Het is ook van belang dat de kinderen, na terugkeer, intensief worden ondersteund en dat hulpverlening wordt ingezet om in kaart te brengen wat zij nodig hebben en welke stappen gezet zullen moeten worden, alvorens er sprake kan zijn van contact met de moeder. De Raad zal de komende periode ook onderzoek doen naar de opvoedsituatie van de kinderen.
4. De standpunten
De vader voert verweer. Het gaat goed met de kinderen bij de vader. Wel vragen de kinderen zich af waarom de moeder hen heeft verlaten en niet met hen wil praten. De ouders hebben nu wel besproken dat de moeder dagelijks met de kinderen kan videobellen. Beide ouders willen dat de kinderen zo snel mogelijk terugkeren naar Nederland. Om dat te bewerkstelligen acht de vader een voorlopige ondertoezichtstelling niet noodzakelijk en ook niet het geëigende middel. De vader werkt mee aan de hulpverlening, de ouders trekken aan de bel waar nodig en de advocaat heeft de verwachting dat ouders samen met de advocaten gezamenlijk de terugkeer van de vader en de kinderen kunnen bewerkstelligen. De betrokkenheid van een jeugdbeschermer is daarvoor niet nodig. Bij terugkeer in Nederland, kan met behulp van de hulpverlening vanuit het vrijwillig kader worden bekeken wat de kinderen en de ouders nodig hebben om ervoor te zorgen dat dit niet nog een keer gebeurt en er voldoende zicht is op de opvoedsituatie. De advocaat verzoekt daarom primair om het verzoek af te wijzen en subsidiair om de voorlopige ondertoezichtstelling te verlenen voor een zo kort mogelijke periode, zodat de vader en de kinderen terug kunnen keren naar Nederland.
De moeder voert verweer. De moeder mist de kinderen en zij wil niets liever dan dat de kinderen terugkeren naar Nederland. Zij staat er dan ook achter om de terugkeer van de kinderen te bewerkstelligen met hulp van de advocaten. Volgens de moeder hebben de advocaten korte lijntjes met elkaar en kunnen zij meer voor elkaar krijgen dan de gecertificeerde instelling. De ouders zijn bij het Jeugdteam altijd transparant geweest over het voornemen om naar Syrië te gaan. De ouders zijn daarbij zelfstandig in staat om hulpverlening in te zetten en zij zijn nog steeds actief in contact met het Jeugdteam. De hulpverlening kan daarom worden voortgezet vanuit het vrijwillig kader. Het is niet in het belang van de kinderen om de situatie te juridiseren. De advocaten zijn in staat om het zo goed mogelijk te regelen en de advocaat verzoekt om de ouders de kans te geven om het op die manier te regelen. Als er een jeugdbeschermer betrokken raakt, zullen de advocaten een stap terug moeten doen. De advocaat verzoekt daarom om het verzoek af te wijzen.
De gecertificeerde instelling onderschrijft het verzoek van de Raad. Het is van belang dat de kinderen terugkeren naar Nederland en de gecertificeerde instelling kan de ouders hierbij ondersteunen. De gecertificeerde instelling is bereid om hierbij op te achtergrond te acteren zodat de advocaten onderling de terugkeer kunnen realiseren. Daarbij is er de afgelopen periode veel gebeurd en er moet daarom gekeken worden wat de kinderen nodig hebben om hun leven terug te krijgen en te verwerken wat zij hebben meegemaakt.
5. De beoordeling
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
De Raad heeft concreet en voldoende overtuigd onderbouwd dat er een ernstig vermoeden is dat de kinderen worden bedreigd in hun ontwikkeling. De kinderen hebben de afgelopen periode veel meegemaakt, nadat zij door de ouders zijn meegenomen naar Syrië en de moeder zonder de kinderen is teruggekeerd naar Nederland. De kinderen verblijven tot op heden nog in Syrië, nu de moeder de paspoorten heeft meegenomen naar Nederland en de kinderen zodoende niet terug kunnen keren naar Nederland. De kinderrechter heeft grote zorgen over het welzijn van de kinderen. Zij verblijven in een voor hen vreemd land, hun sociale contacten en schoolgang is onderbroken in Nederland, zij hebben op dit moment geen contact met de moeder en er is geen zicht hoe het met hen gaat. Ook is de communicatie tussen de ouders verstoord geraakt en bestaat er veel onduidelijkheid over de ontstane situatie. Het is bovendien niet duidelijk waar de kinderen (kunnen) gaan verblijven als zij weer in Nederland zijn, nu de kinderen niet bij de vader in [zorginstantie] kunnen verblijven en de moeder eerder heeft aangegeven de kinderen niet te willen opvangen. Ondanks de inzet van de hulpverlening van het vrijwillig kader, is het tot op heden niet gelukt om de kinderen terug te laten keren naar Nederland. Hoewel de advocaten van de ouders bereid zijn om gezamenlijk de terugkeer van de kinderen naar Nederland te realiseren, heeft de kinderrechter onvoldoende vertrouwen dat dit de ouders met hulp van de advocaten zelfstandig gaat lukken. Daarnaast is het onduidelijk of de ouders de kinderen bij thuiskomst kunnen bieden wat zij nodig hebben. De kinderrechter acht daarom de betrokkenheid van de gecertificeerde instelling noodzakelijk. Het is van belang dat de kinderen zo snel mogelijk terugkeren naar Nederland, dat er zicht komt op de ontstane situatie, dat wordt gekeken wat de kinderen nodig hebben en dat er wordt ingezet op het maken van afspraken over het contact tussen de kinderen en beide ouders. De kinderrechter wil de advocaten wel de mogelijkheid geven om de terugkeer gezamenlijk te regelen en verwacht van de gecertificeerde instelling dat zij de advocaten deze mogelijkheid biedt en de ouders en de advocaten daarbij, waar nodig, ondersteunen. De komende tijd zal de Raad ook onderzoek gaan doen om te kijken of verdere hulpverlening in het gedwongen kader noodzakelijk is of dat over drie maanden de overstap kan worden gemaakt naar hulpverlening vanuit het vrijwillig kader. De kinderrechter ziet dat de ouders het beste willen voor de kinderen en hoopt dan ook dat zij in de komende periode gaan samenwerken met de betrokken instanties in het belang van de kinderen. Gelet op het voorgaande stelt de kinderrechter [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister.
6. De beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voorlopig onder toezicht van Stichting Jeugdbescherming west Haaglanden met ingang van 22 september 2026 tot 22 december 2026.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026 door mr. C.L. Strop, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. R.M. Goossen als griffier, en op schrift gesteld op 15 oktober 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking staat geen hoger beroep open.