RECHTBANK DEN HAAG
Machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling
[de cliënt],
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaak-/rekestnr.: C/09/712780 / FA RK 26-9514
Datum beschikking: 22 september 2026
Beschikking naar aanleiding van het op 17 september 2026 door het Centrum Indicatiestelling Zorg (CIZ) ingediende verzoek tot het verlenen van een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling als bedoeld in artikel 37 van de Wet zorg en dwang (Wzd), ten aanzien van:
hierna te noemen: cliënt,
geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],
wonende te [woonplaats],
thans verblijvende in de accommodatie [zorginstelling], [plaats],
advocaat: mr. A.A. van Harmelen te Den Haag.
Procesverloop
Het procesverloop blijkt uit het verzoekschrift, ingekomen ter griffie op 17 september 2026.
Bij het verzoekschrift zijn de volgende bijlagen gevoegd:
- de beschikking tot inbewaringstelling van de burgemeester van de gemeente [plaats] van 16 september 2026;
- de op 16 september 2026 ondertekende medische verklaring van een ter zake kundige arts, [naam 1], die cliënt met het oog op de machtiging kort tevoren heeft onderzocht, maar niet bij haar behandeling betrokken was.
De mondelinge behandeling van het verzoek heeft plaatsgevonden op 22 september 2026. Daarbij zijn de volgende personen gehoord:
- cliënt, bijgestaan door haar advocaat;
- de arts, [naam 2].
Standpunten ter zitting
Door cliënt is ter zitting naar voren gebracht dat zij op dit moment in het verpleeghuis wil blijven maar dat zij op den duur naar huis wil. De advocaat refereert zich aan het oordeel van de rechtbank.
Door de arts is naar voren gebracht dat er bij cliënt sprake is van neurocognitieve stoornissen op een dementieel niveau dat niet nader is gespecificeerd. Een indicatie voor langdurige zorg leek al eerder aangewezen in verband met de onplanbare zorgmomenten en het niet adequaat kunnen alarmeren. Omdat cliënt niet wilde blijven, is zij met opschaling van zorg terug naar huis gegaan. Er is in de tussentijd een verergering van angstklachten ontstaan waarbij cliënt suïcidale uitingen heeft gedaan. Vanwege deze angsten heeft cliënt meerdere personen in haar nabijheid nodig waardoor er geen facetten zijn om terug te keren naar huis. Daarnaast wordt op de afdeling waargenomen dat cliënt een gestoorde oriëntatie in plaats en tijd heeft.
Beoordeling
Uit de overgelegde stukken en het behandelde ter zitting is gebleken dat er sprake is van onmiddellijk dreigend ernstig nadeel waardoor een rechterlijke machtiging niet kan worden afgewacht. Het ernstig vermoeden bestaat dat het gedrag van cliënt als gevolg van een psychogeriatrische aandoening, te weten ongespecificeerde neurocognitieve stoornissen, dit ernstig nadeel veroorzaakt.
Het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel bestaat uit:
– levensgevaar;
– ernstig lichamelijk letsel;
– ernstige psychische schade;
– ernstige verwaarlozing;
– maatschappelijke teloorgang;
– bedreiging van de veiligheid van cliënt al dan niet doordat hij onder invloed van een ander raakt;
– de situatie dat cliënt met hinderlijk gedrag agressie van anderen oproept.
Bij cliënt is sprake van toenemende cognitieve achteruitgang waarbij sprake is van een gestoorde oriëntatie in plaats en tijd. Zij heeft last van angstklachten waarbij zij zich meerdere malen suïcidaal heeft geuit. Ook heeft cliënt onplanbare zorgmomenten nodig en is zij thuis niet in staat om adequaat te alarmeren. De benauwdheid van cliënt is toegenomen waardoor zij niet ver meer kan lopen. In het ziekenhuis bleek cliënt, vermoedelijk door onvoldoende vochtintake, een slechte nierfunctie te hebben. Cliënt is dusdanig kwetsbaar door de ernstige geheugenproblemen alsmede de somatische problematiek, dat cliënt op dit moment niet veilig naar huis kan.
Om het onmiddellijk dreigend ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden is
voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk. Dit middel is ook geschikt om het ernstig nadeel te voorkomen dan wel af te wenden en er zijn geen minder bezwarende alternatieven die hetzelfde beoogde effect hebben.
Hoewel cliënt ter zitting heeft aangegeven dat zij in het verpleeghuis wil blijven, heeft zij ook kenbaar gemaakt dat zij over een poos weer naar huis zou willen. Eerder is de thuiszorg ingezet en opgeschaald maar dit werd door cliënt afgehouden. In het ziekenhuis heeft cliënt meermaals een ontslagwens geuit. De rechtbank acht daarom een voortzetting van de inbewaringstelling noodzakelijk.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat is voldaan aan de criteria voor een voortzetting van de inbewaringstelling. De machtiging zal worden verleend voor de duur van zes weken.
Beslissing
De rechtbank:
verleent een machtiging tot voortzetting van de inbewaringstelling ten aanzien van:
[de cliënt],
geboren op [geboortedatum] 1957 te [geboorteplaats],
bepaalt dat deze machtiging geldt tot en met 3 november 2026.