Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/710832 / KG ZA 26-891
Vonnis in kort geding van 22 september 2026
in de zaak van
[de man] te [woonplaats],
eiser in conventie,
gedaagde in reconventie,
advocaat mr. A.D. Bauer-van Erp te Utrecht,
tegen:
[de vrouw] op een geheim adres,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. A.C. Otten te Bussum.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de man’ en ‘de vrouw’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- de door de vrouw overgelegde conclusie van antwoord, tevens houdende een eis in reconventie, met producties;
- de door de man overgelegde brief van 7 september 2026, met aanvullende producties;
- de door de vrouw overgelegde brief van 7 september 2026, met aanvullende producties.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 8 september 2026, waarbij zijn verschenen de man, bijgestaan door zijn advocaat, de vrouw, bijgestaan door haar advocaat en [naam 1] namens de Raad voor de Kinderbescherming (de Raad).
2. De feiten
Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen zijn een geregistreerd partnerschap met elkaar aangegaan op 27 oktober 2021 in [plaats 1].
Zij zijn de ouders van de minderjarige kinderen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats], en
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats].
Partijen oefenen het gezamenlijk gezag uit over de kinderen.
De vrouw heeft op 3 maart 2026 bij deze rechtbank een procedure aanhangig gemaakt tot ontbinding van het geregistreerd partnerschap. Deze procedure loopt nog en is bij de rechtbank bekend onder het zaaknummer C/09/700688 FA RK 26-2140.
De vrouw verblijft sinds 3 maart 2026 met de kinderen op een voor de man geheime opvanglocatie. Sindsdien is er geen fysiek contact geweest tussen de man en de kinderen. Er is incidenteel videobel-contact geweest tot 20 mei 2026.
Op 14 juli 2026 heeft deze rechtbank voorlopige voorzieningen getroffen, Daarbij is in de beschikking overwogen dat het in het belang van de kinderen is dat het contact met de man zo snel mogelijk op een verantwoorde wijze wordt hersteld. Verder is bepaald dat de regie van de voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen bij [zorginstantie] zal liggen.
3. Het geschil
in conventie
De man vordert – zakelijk weergegeven – bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
- de vrouw te veroordelen de beschikking van 14 juli 2026 na te komen, onder de verplichting dat zij aanwezig is bij door [zorginstantie] geplande afspraken en vervolgens haar volledige medewerking verleent aan het traject van [zorginstantie] door alle aanwijzingen van [zorginstantie] op te volgen, op straffe van een dwangsom;
- de vrouw te veroordelen schriftelijk aan de advocaat van de man mede te delen in welke gemeente de kinderen zijn ingeschreven in de Basisregistratie Personen, op straffe van een dwangsom;
- de vrouw te veroordelen om schriftelijk aan de advocaat van de man mede te delen:
a. of de kinderen worden gevolgd bij een consultatiebureau;
b. wanneer de laatste consultatiemomenten voor elk van de kinderen hebben
plaatsgevonden;
c. wat de meest recente bevindingen zijn ten aanzien van de groei en ontwikkeling van elk van de kinderen,
op straffe van een dwangsom;
- de vrouw te veroordelen om schriftelijk aan de advocaat van de man mede te delen bij welke huisartsenpraktijk de kinderen als patiënt zijn ingeschreven, op straffe van een dwangsom;
- de vrouw te veroordelen om schriftelijk aan de advocaat van de man mede te delen:
a. welke hulpverlening ten behoeve van de kinderen op dit moment actief is en de afgelopen zes maanden actief is geweest;
b. door welke organisatie of instelling die hulpverlening werd en/of wordt geboden;
c. wat het doel en de aard van de geboden hulpverlening is,
op straffe van een dwangsom van € 250,-;
- primair: de Raad op te roepen voor de zitting, met het verzoek aan de Raad ter zitting te beoordelen of het noodzakelijk is een voorlopige ondertoezichtstelling als bedoeld in art. 1:257 BW te verzoeken;
subsidiair: voor het geval de Raad voor de Kinderbescherming ter zitting geen verzoek tot voorlopige ondertoezichtstelling indient: de kinderen voorlopig onder toezicht te stellen van een nader aan te wijzen gecertificeerde instelling, voor de duur van drie maanden;
- de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.
De man voert daartoe aan dat er ondanks de beschikking van 14 juli 2026 nog altijd geen fysiek contact tussen hem en de kinderen heeft plaatsgevonden. Het traject bij [zorginstantie] komt niet van de grond, ondanks dat in de beschikking is vastgesteld dat het in het belang van de kinderen is dat het contact tussen hen en de man zo spoedig mogelijk wordt hersteld. De man heeft er, gezien de wijze waarop de vrouw het traject de afgelopen maanden bewust heeft vertraagd, weinig vertrouwen in dat de vrouw haar medewerking aan het verdere verloop van het traject voortvarend zal verlenen.
Ook komt de vrouw volgens de man haar informatieverplichtingen niet na. De man beschikt niet over informatie over de verblijfsgemeente, de huisarts, het consultatiebureau en de lopende hulpverlening van de kinderen. Daardoor is de man niet in staat om zijn gezag naar behoren uit te oefenen.
De man stelt verder dat er sprake is van een ernstige ontwikkelingsbedreiging bij de kinderen die een voorlopige ondertoezichtstelling noodzakelijk maakt. De kinderen verblijven ruim zes maanden op wisselende geheime adressen, ze gaan niet meer naar hun vaste kinderdagverblijf en ze hebben de man al sinds 3 maart 2026 niet meer gezien. De vrouw werkt ook niet mee aan de noodzakelijke hulpverlening, te weten het traject bij [zorginstantie], aldus de man.
De vrouw voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
in reconventie
De vrouw vordert – zakelijk weergegeven –:
- primair: het gezamenlijk gezag van partijen te schorsen en de vrouw tijdelijk met het eenhoofdig gezag te belasten totdat in de scheidingsprocedure van partijen is beslist ten aanzien van het gezag, het hoofdverblijf en de zorgregeling van de kinderen;
subsidiair:
- vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van de kinderen van partijen bij een huisarts in de gemeente waar de kinderen staan ingeschreven;
- vervangende toestemming te verlenen voor inschrijving van [minderjarige 1] op een
basisschool bij de opvanglocatie waar de vrouw en kinderen verblijven en tevens te bepalen dat [minderjarige 1] na inschrijving en toelating naar die school kan gaan;
- te bepalen dat de basisschool waar [minderjarige 1] naar school zal gaan de man niet dient te informeren over [minderjarige 1];
- primair: de man te veroordelen in de werkelijke proceskosten die de vrouw voor de onderhavige procedure heeft gemaakt en nog zal moeten maken;
- subsidiair: de man te veroordelen in de geliquideerde proceskosten;
- voorwaardelijk, indien de rechtbank een voorlopige ondertoezichtstelling bepaalt: te bepalen dat een uitgebreid risico taxatie onderzoek qua veiligheid zoals MASIC of een vergelijkbaar onderzoek en een kindinterview conform het NICHD protocol moet worden uitgevoerd door een daartoe opgeleide specialist zoals mevrouw drs [naam 2].
De vrouw stelt daartoe dat de kinderen klem en verloren dreigen te raken door het gezamenlijk gezag. De man wil niet meewerken aan noodzakelijke gezagsbeslissingen zoals inschrijving van de kinderen bij een huisarts en inschrijving van [minderjarige 1] op een basisschool in de plaats waar zij nu ingeschreven staan. Het is in het belang van de kinderen dat zij, nu zij bij de vrouw verblijven, ingeschreven staan – bij zowel de huisarts als op school – op de plek waar zij verblijven.
De man voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.
4. De beoordeling van het geschil
in conventie en in reconventie
Gezien de samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie zal de voorzieningenrechter deze vorderingen hierna gezamenlijk bespreken.
Nakoming van de beschikking d.d. 14 juli 2026
In de beschikking van 14 juli 2026 is bepaald dat de regie van de voorlopige zorgregeling tussen de man en de kinderen bij [zorginstantie] zal liggen. Uit het door de vrouw overgelegde hulpaanbod van 6 september 2026 van [zorginstantie] volgt, dat er intakegesprekken zijn gevoerd met beide ouders. Vervolgens heeft [zorginstantie] een stappenplan opgesteld om het contact tussen de man en de kinderen veilig te herstellen. De eerste stap hiervan zal in de week van 14 september worden uitgevoerd. De voorzieningenrechter constateert dat de vrouw tot nu toe haar medewerking heeft verleend aan dit traject bij [zorginstantie]. Het enkele feit dat door vakantie van hulpverleners enige vertraging in de start van het traject is ontstaan brengt niet met zich, dat moet worden geconcludeerd dat de vrouw dwarsligt. Ter zitting heeft zij overigens nogmaals bevestigd dat zij kan instemmen met het traject en daaraan haar volle medewerking zal verlenen. De voorzieningenrechter zal de vordering van de man bij die stand van zaken bij gebrek aan belang afwijzen. Gelet hierop is ook de gevorderde dwangsom niet toewijsbaar.
Schorsing gezag en gezagsuitoefening
De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw tot schorsing van het gezag eveneens afwijzen. Een dergelijke ingrijpende vordering leent zich in beginsel niet voor beoordeling in een kort geding procedure. Uitgangspunt is dat de ouders het gezag gezamenlijk uitoefenen en dat slechts in uitzonderlijke gevallen het gezag in een bodemprocedure aan één ouder wordt toegekend. Hoewel de verstandhouding en communicatie tussen de ouders momenteel te wensen overlaten staat ook niet vast dat eenhoofdig gezag noodzakelijk zal zijn. Het enkele feit dat er momenteel (nog) geen overleg tussen partijen plaatsvindt is daarvoor onvoldoende. Zoals hierna zal worden overwogen, zal de Raad in het kader van een raadsonderzoek in de bodemprocedure nader onderzoeken welke gezagssituatie op de langere termijn het meest in het belang van de kinderen is. Nu de voorzieningenrechter de primaire vordering van de vrouw zal afwijzen, zal zij hierna de subsidiaire verzoeken van de vrouw ten aanzien van de uitoefening van het gezag beoordelen.
De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming voor de inschrijving bij de huisarts afwijzen, omdat zij van oordeel is dat er geen sprake is van een spoedeisend belang bij deze vordering. De kinderen staan nog ingeschreven bij een huisarts in [plaats 2]. Gesteld noch gebleken is dat de kinderen een medische conditie hebben die meebrengt dat zij de huisarts frequent moeten bezoeken. Indien sprake is van een acute medische situatie kan ook een huisarts in de huidige verblijfplaats van de kinderen de noodzakelijke medische zorg verlenen, ook al staan de kinderen niet bij die praktijk ingeschreven. Zo nodig kan de vrouwenopvang daarbij bemiddelen. Daarbij komt dat de huidige verblijfplaats van de vrouw in de vrouwenopvang tijdelijk is, en er nog geen duidelijkheid bestaat over de toekomstige (duurzame) verblijfplaats van de vrouw. Zodra daarover meer zekerheid bestaat zal met de man nader overleg moeten plaatsvinden.
De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw tot het verlenen van vervangende toestemming om [minderjarige 1] in te schrijven op een basisschool in de nabijheid van de opvanglocatie waar de vrouw en de kinderen verblijven, wel toewijzen. Hoewel [minderjarige 1] naar verwachting pas in januari 2027 naar school zal gaan en op dit moment nog niet duidelijk is waar de vrouw en de kinderen op dat moment zullen verblijven, acht de voorzieningenrechter het, gelet op de bestaande wachtlijsten bij basisscholen, wel noodzakelijk dat [minderjarige 1] tijdig wordt ingeschreven. Daarmee wordt voorkomen dat [minderjarige 1] als gevolg van het uitblijven van een tijdige inschrijving mogelijk in haar schoolgang wordt vertraagd. De omstandigheid dat [minderjarige 1] reeds is ingeschreven op een school in [plaats 3] staat aan deze inschrijving niet in de weg. Beide inschrijvingen kunnen naast elkaar bestaan. Indien de vrouw en de kinderen op het moment dat [minderjarige 1] naar school zal gaan nog steeds op de huidige opvanglocatie verblijven, acht de voorzieningenrechter het in het belang van [minderjarige 1] dat zij voorlopig naar een school in de nabijheid van die opvanglocatie kan gaan. De voorzieningenrechter zal de vordering van de vrouw daarom toewijzen, met dien verstande dat de verleende toestemming een voorlopig karakter heeft. Een definitieve beslissing over de plaats van schoolgang van [minderjarige 1] dient, voor zover partijen daarover van mening blijven verschillen, in de bodemprocedure te worden genomen.
Tot slot overweegt de voorzieningenrechter dat, zolang de vrouw in de vrouwenopvang verblijft en een veiligheidsprotocol van toepassing is, de school de man niet rechtstreeks dient te benaderen. Dat zou immers betekenen dat de man bekend zou raken met de huidige woonplaats van de vrouw en de kinderen. Wel heeft de man er te zijner tijd recht op te weten hoe [minderjarige 1] het op school doet. Indien de veiligheidssituatie dat dan nog vergt kan die informatie via hulpinstanties aan de man worden verstrekt.
Toevertrouwing
Nu er nog wordt gewerkt aan herstel van contact tussen de man en de kinderen en de kinderen dus voorlopig voornamelijk bij de vrouw zullen verblijven, acht de voorzieningenrechter het in het belang van de kinderen om hen voorlopig aan de vrouw toe te vertrouwen. De voorzieningenrechter benadrukt daarbij dat de ouders nog altijd gezamenlijk het gezag uitoefenen, hetgeen meebrengt dat zij in beginsel beiden evenveel recht hebben op informatie van derden, voor zover de veiligheid dat toelaat, en dat zij belangrijke beslissingen betreffende de kinderen ook in beginsel gezamenlijk dienen te nemen.
Informatievoorzieningen
Nu de vrouw en de kinderen verblijven op een voor de man geheime opvanglocatie en een veiligheidsprotocol van toepassing is, zal de voorzieningenrechter de vordering van de man om de vrouw te veroordelen tot het verstrekken van informatie over de gemeente waarin de kinderen in de Basisregistratie Personen staan ingeschreven, afwijzen. Gelet hierop is ook de gevorderde dwangsom niet toewijsbaar.
De voorzieningenrechter zal ook de vordering van de man ten aanzien van de informatie met betrekking tot het consultatiebureau afwijzen, nu een spoedeisend belang daarbij ontbreekt. De kinderen zijn de afgelopen periode niet bij het consultatiebureau geweest en er bestaat geen aanleiding om aan te nemen dat zij daar op korte termijn naartoe moeten. Gelet hierop bestaat evenmin aanleiding voor toewijzing van de gevorderde dwangsom.
De vordering van de man ten aanzien van de informatie over de huisarts van de kinderen zal bij gebrek aan belang eveneens worden afgewezen. De kinderen staan momenteel ingeschreven bij de huisartsenpraktijk in Bodegraven. Dat wijzigt vooralsnog niet. De gevorderde dwangsom zal daarom ook worden afgewezen.
Nu gebleken is dat er de afgelopen periode geen hulpverlening bij de kinderen betrokken is geweest, zal de voorzieningenrechter de vorderingen van de man die zien op informatie hierover afwijzen. De gevorderde dwangsom zal daarom ook worden afgewezen.
Voorlopige ondertoezichtstelling en raadsonderzoek
Tijdens de mondelinge behandeling heeft de Raad niet verzocht om een voorlopige ondertoezichtstelling van de kinderen, als bedoeld in artikel 1:255 BW. De voorzieningenrechter is met de Raad van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling niet is voldaan. De daartoe benodigde spoed ontbreekt. De kinderen zitten immers momenteel met de vrouw in de opvang en daar gaat het naar omstandigheden goed met hen. Bovendien is er al een traject gestart voor herstel van contact met de man. De vordering ten aanzien van de voorlopige ondertoezichtstelling zal daarom worden afgewezen.
De voorzieningenrechter voorziet op langere termijn wel discussie tussen partijen over de hoofdverblijfplaats van de kinderen en de zorgregeling met de andere ouder. Daarnaast maakt de voorzieningenrechter zich zorgen om het welzijn van de kinderen in de toekomst, mede gelet op het roerige verleden van partijen, de verstoorde onderlinge verstandhouding en het grote onderlinge wantrouwen tussen de ouders. De rechtbank ziet daarom aanleiding om – evenals de raadsvertegenwoordiger op zitting heeft geadviseerd – in deze zaak aan de Raad, vooruitlopend op de beslissingen in de bodemprocedure met zaaknummer C/09/700688 / FA RK 26-2140, te vragen om onderzoek te doen. Dat onderzoek dient betrekking te hebben op beantwoording van de volgende vragen:
- Welke gezagssituatie is in het belang van de kinderen?
- Welke zorgregeling is in het belang van de kinderen?
- Is hulpverlening voor de kinderen nodig, en zo ja, welke hulpverlening wordt geadviseerd?
Daarbij is het aan de Raad om te beoordelen of het nodig is het onderzoek uit te breiden met een onderzoek naar de vraag of een beschermingsmaatregel nodig is.
Dit raadsonderzoek dient te worden uitgevoerd ten behoeve van de bodemprocedure met zaaknummer C/09/700688 / FA RK 26-2140. Dit geding leent zich daar niet voor. De Raad dient zijn rapportage in die bodemprocedure in te brengen.
Nu er geen voorlopige ondertoezichtstelling wordt uitgesproken komt de voorzieningenrechter niet toe aan de voorwaardelijke vordering van de vrouw te bepalen dat er een uitgebreid risico- en veiligheidsonderzoek moet worden verricht Die vordering zal worden afgewezen.
Proceskosten
In de omstandigheid dat partijen een geregistreerd partnerschap met elkaar hebben en samen de ouders zijn van [minderjarige 1] en [minderjarige 2], wordt aanleiding gevonden om te bepalen
dat iedere partij de eigen proceskosten betaalt.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
in conventie en reconventie
bepaalt dat de minderjarigen:
- [minderjarige 1], geboren op [geboortedatum 1] 2022 te [geboorteplaats], en
- [minderjarige 2], geboren op [geboortedatum 2] 2025 te [geboorteplaats],
voorlopig aan de vrouw zullen worden toevertrouwd;
verleent toestemming aan de vrouw – die de toestemming van de man vervangt – om [minderjarige 1] in te schrijven op een basisschool bij de opvanglocatie waar de vrouw en kinderen verblijven;
verzoekt de Raad voor de Kinderbescherming een onderzoek te verrichten als hierboven onder 4.13 overwogen en daarover te rapporteren en te adviseren ten behoeve van de bodemprocedure met zaakkenmerk C/09/700688 / FA RK 26-2140;
bepaalt dat de griffier daartoe een afschrift van de gedingstukken aan de Raad voor de Kinderbescherming zal toesturen;
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra – van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
SN