Rechtbank den haag
Team handel - voorzieningenrechter
zaak- / rolnummer: C/09/711944 / KG ZA 26-953
Vonnis in kort geding van 22 september 2026
in de zaak van
[eiseres] te [woonplaats],
eiseres,
advocaat mr. C.E. van der Meijs te Zoetermeer,
tegen:
[gedaagde] te [woonplaats],
gedaagde.
Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de vrouw’ en ‘de man’.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties;
- het e-mailbericht van de man van 7 september 2026.
Gelet op de inhoud van het e-mailbericht van de man van 7 september 2026 heeft de reeds geplande mondelinge behandeling op 8 september 2026 geen doorgang gevonden.
2. De feiten
Op grond van de stukken wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.
Partijen hebben een geregistreerd partnerschap gehad. Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2010 te [geboorteplaats]. Partijen zijn samen belast met het gezag over [minderjarige].
3. Het geschil
De vrouw vordert:
aan de vrouw vervangende toestemming te verlenen, die de van de man benodigde toestemming vervangt, om met [minderjarige] van 11 september tot 14 september 2026 af te reizen naar Duitsland, om aldaar te verblijven, alsmede om terug te reizen naar Nederland met [minderjarige] na afloop van de reis, althans in zoverre een beslissing te nemen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren;
de man te veroordelen in de proceskosten, waaronder begrepen de kosten van betekening van de dagvaarding, het verschuldigde griffierecht, het salaris van de advocaat, althans in zoverre een beslissing te nemen als de voorzieningenrechter vermeent te behoren.
Daartoe voert de vrouw – samengevat – het volgende aan. De vrouw wenst van 11 tot 14 september 2026 met [minderjarige] naar [plaats], Duitsland te reizen en daar een jaarlijks terugkerend evenement te bezoeken. Zij heeft hiertoe meerdere keren contact opgenomen met de man om het benodigde toestemmingsformulier te ondertekenen. Ook de advocaat van de vrouw heeft contact met de man gezocht. De man heeft enkel laten weten het formulier te hebben getekend en dat het klaarligt voor [minderjarige] om het op te halen. Er zijn echter problemen in het contact tussen [minderjarige] en zijn vader. [minderjarige] gaat op dit moment niet bij zijn vader langs en heeft het formulier dus niet opgehaald. Omdat de man wel bereid is zijn toestemming te geven, maar niet is bereid om het formulier aan de vrouw zelf af te geven, vordert de vrouw ook om de man te veroordelen in de proceskosten.
4. De beoordeling van het geschil
Aanvullende productie van de zijde van de vrouw
Op 8 september 2026 is door de advocaat van de vrouw een aanvullende productie in het geding gebracht. Deze productie is per e-mail naar de man gestuurd maar niet betekend. De voorzieningenrechter zal deze productie derhalve buiten beschouwing laten.
Vervangende toestemming vakantie
Uit het e-mailbericht van de man van 7 september 2026 blijkt dat de man het benodigde toestemmingsformulier alsnog aan de vrouw heeft doen toekomen. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de vordering tot vervangende toestemming, voor zover de vrouw deze niet heeft ingetrokken, afwijzen wegens gebrek aan belang.
Proceskostenveroordeling
De vrouw vordert de man te veroordelen in de kosten van deze procedure. De voorzieningenrechter zal deze vordering toewijzen. Gebleken is dat de man geen bezwaar had tegen de vakantie, maar dat hij als voorwaarde stelde dat zijn zoon zelf het ondertekende toestemmingsformulier zou komen ophalen. Uit de stukken blijkt dat [minderjarige] op dit moment niet naar de man gaat. De man mocht daarom niet van [minderjarige] en de vrouw verwachten dat [minderjarige] het formulier zou ophalen. Wat ook zij van de oorzaak van het ontbreken van goed contact tussen de man en [minderjarige], hij brengt [minderjarige] hiermee onnodig in een moeilijke situatie. De door de man aan zijn toestemming gestelde voorwaarde is daarmee naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet redelijk. De voorzieningenrechter veroordeelt de man daarom in de kosten van dit geding.
De vrouw procedeert op basis van een toevoeging. Eisers met een toevoeging betalen een lager griffierecht. Verder worden in dat geval de kosten van de deurwaarder voor het uitbrengen van het exploot en/of advertentiekosten van rijkswege vergoed. Die kosten zijn dus niet voor rekening van de eisende partij. Deze partij heeft aan de deurwaarder slechts de in het exploot opgenomen kosten voor verschotten hoeven voldoen (artikel 40 lid 1 van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000). Gelet op het voorgaande wordt de man slechts veroordeeld tot betaling van het lagere griffierecht, de verschotten en ten slotte tot vergoeding van het – hierna in het dictum vast te stellen – salaris van de advocaat. Deze vergoeding voor het salaris moet door de advocaat worden verrekend met de op grond van de Wet op de rechtsbijstand aan de advocaat toegekende vergoeding.
Onder de proceskosten vallen ook de nakosten. De nakosten worden begroot op het bedrag genoemd in het liquidatietarief civiel (per 1 februari 2026: € 189,--). In geval van betekening worden een extra bedrag aan salaris (per 1 februari 2026: € 98,--) en de eventuele verschotten van de deurwaarder toegekend.
5. De beslissing
De voorzieningenrechter:
veroordeelt de man in de kosten van dit geding, tot dusverre aan de zijde van de vrouw begroot op € 854,08, waarvan € 760,-- aan salaris advocaat, € 93,-- aan griffierecht en € 1,08 aan verschotten, te vermeerderen met nakosten zoals vermeld in 4.5;
verklaart deze kostenveroordeling tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af het meer of anders gevorderde.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.M. Brakel en in het openbaar uitgesproken op 22 september 2026.
ncg